|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2023:4468 | | | | | Datum uitspraak | : | 08-08-2023 | | Datum gepubliceerd | : | 04-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | AWB - 21_5019 en 21_5024 AWB - 21_5019 en 21_5024 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | Beroep over handhaving van gebruik en meerdere bouwwerken op een perceel en een verleende omgevingsvergunning voor legalisering van de uitbreiding van een schuur. | | Trefwoorden | : | activiteitenbesluit | | | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | bouwvergunning | | | buitengebied | | | eenden | | | eieren | | | geurhinder | | | gewassen | | | intensieve veehouderij | | | mestopslag | | | omgevingsvergunning | | | paarden | | | perceel | | | rundvee | | | stallen | | | vee | | | veehouderij | | | wabo | | | wet milieubeheer | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 21/5019, 21/5024 en 22/3114
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaken tussen
[eisers]
, uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. L. Bolier)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, het college
(gemachtigde: C.A. van der Graaf – van de Worp).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] uit [woonplaats]
(gemachtigde: [naam 1] ).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de afwijzingen van hun handhavingsverzoek en het beroep tegen de omgevingsvergunning die aan de derdepartij is verleend voor de legalisering van de uitbreiding van de schuur.
Het college heeft het handhavingsverzoek met de besluiten van 4 december 2020 en 12 februari 2021 afgewezen. Met de bestreden besluiten van 7 oktober 2021 op de bezwaren van eisers is het college bij deze afwijzing gebleven.
Het college heeft op 30 juli 2021 de omgevingsvergunning verleend en in het bestreden besluit van 27 juni 2022 het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 20 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en [naam 2] , en de gemachtigde van de derde-partij.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
1. Eisers wonen op het perceel [perceel 1] . De derde-partij woont op het naastgelegen perceel [perceel 2] . Eisers ondervinden overlast door het gebruik dat de derde-partij maakt van zijn perceel. Eisers hebben daarom op 19 oktober 2020 een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Zij geven aan geluids- en geuroverlast te ondervinden en stellen dat er sprake is van een rattenplaag. Zij verzoeken het college ook om handhavend op te treden tegen illegale bebouwing en stellen dat het gebruik van het perceel voor agrarische doeleinden en opslag in strijd is met de agrarische- en woonbestemming uit het bestemmingsplan, zodat er sprake is van overtredingen van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daarnaast stellen eisers dat de aantallen dieren maken dat er sprake is van een inrichting, zodat de agrarische activiteiten vallen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) en de derde-partij aan de daarin opgenomen bepalingen voor (agrarische) bedrijven moet voldoen.
Leeswijzer
2. De rechtbank zal eerst ingaan op de beroepsgronden tegen het bestreden besluit van 7 oktober 2021 (kenmerk: 2020-089975). Het beroep tegen dit besluit heeft bij de rechtbank zaaknummer 21/5019. Daarna zal de rechtbank ingaan op de gronden tegen het andere besluit van 7 oktober 2021 (kenmerk: 2021-010160), dat voornamelijk ziet op de bouwwerken op het perceel van de derde-partij. Dit beroep heeft bij de rechtbank zaaknummer 21/5024. Tot slot zal de rechtbank ingaan op de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor de legalisatie van een uitbreiding van bijgebouw G (zaaknummer 22/3114). De rechtbank zal voor de bouwwerken uitgaan van de nummering van A t/m G die partijen ook hanteren.
[de overzichtskaart die is opgenomen in de uitspraak is niet zichtbaar in verband met privacygevoelige informatie]
Gebouwen A en B liggen binnen de agrarische bestemming en gebouwen C tot en met G binnen de woonbestemming. De mestopslag ligt ten westen van gebouw B binnen de bestemming “Agrarisch”.
Besluitvorming
3. Een toezichthouder heeft op 23 november 2020 een controle uitgevoerd op het perceel van de derde-partij. In het proces-verbaal staat het volgende:
“Ik heb geconstateerd dat de schuur voor de voorgevel (zie de luchtfoto 1A) aan de zijgevel fors is uitgebouwd. Verder zijn er op het perceel 3 Shetland pony’s, 6 ganzen, 18 eenden, 20 kippen, en een hond aanwezig. De handel in deze dieren heb ik niet vast kunnen stellen. De eigenaar (…) geeft aan dat de pony’s van zijn zoon zijn, en dat alle dieren hobbymatig gehouden worden. De mest (luchtfoto 16) wordt opgeslagen in een bak, deze is opgebouwd uit hout en staal en stenen tegels. De inhoud van de bak is ongeveer 2 m³.”
4. Het college heeft in het primaire besluit van 4 december 2020 aangegeven dat hij meer tijd nodig heeft om in te gaan op de toetsing van de overtredingen van de Wabo en dat daarover op een later tijdstip een besluit zal worden genomen. In het besluit wordt wel ingegaan op de overtredingen van de Woningwet/Bouwbesluit 2012, de Algemene plaatselijke verordening (APV) en de Wet milieubeheer. Het college overweegt aan de hand van de criteria uit de jurisprudentie dat er geen sprake is van een inrichting omdat er geen winstoogmerk is en niet wordt geprobeerd om commerciële doeleinden te halen. Ook zijn de activiteiten niet genoemd in het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit betekent dat het Activiteitenbesluit niet van toepassing is en dat er ook geen omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu” is vereist, aldus het college. Het college heeft voor wat betreft de overlast overwogen dat uit de controle volgt dat er geen gevaar is voor de gezondheid dan wel de volksgezondheid, zodat er geen sprake is van een overtreding.
5. Eisers hebben tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
6. Een toezichthouder heeft op 8 december 2020, 28 april 2021 en 5 oktober 2021 nogmaals het perceel bezocht. In het rapport dat is gemaakt van de controle op 8 december 2020 staat het volgende:
“Tijdens een ronde over het erf heb ik vastgesteld dat er op verschillende plekken dieren gehouden worden. Het gaat hier met name om eenden, kippen en drie pony’s. Dit in lijn met de eerder vastgestelde overtredingen van 2 december 2020. Het erf maakte een enigszins rommelige indruk, maar in een staat zoals dit te verwachten is en veelal gebruikelijk is in het buitengebied.”
In het rapport dat is gemaakt van de controle op 28 april 2021 staat het volgende:
“Tijdens het bezoek heb ik met «overtreder» en zijn dochter een ronde gelopen over het erf. Op het erf trof ik aan: drie krielkippen, twee eenden, vier eenden inclusief een nest, ongeveer twintig kippen, een haan, drie pony’s en een opslag van mest. Ik heb vastgesteld dat het erf een meer ordelijke indruk maakte en dat de hokken schoon zijn. Wij hebben tijdens de controle gesproken over het verdere gevolg van de handhavings- en vergunningsprocedure. Dit gesprek hebben wij gehad op ca. drie meter afstand van de mestplaat. Van de mest was op dat moment geen geur waar te nemen. Ik heb vastgesteld dat het erf niet (langer) verontreinigd was. Ook heb ik vastgesteld dat er geen stank verwekkende stoffen zijn opgeslagen in de hokken dan wel op de mestplaat. Althans niet in een mate die ongebruikelijk is in het buitengebied of op zo’n wijze dat er sprake is van een restrisico als bedoeld in artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2021 (lees: 2012)”.
In het rapport dat is gemaakt van de controle op 5 oktober 2021 staat het volgende:
“Tijdens het bezoek heb ik met «overtreder» een ronde gelopen over het erf. Op het erf trof ik aan: drie krielkippen, twee eenden, twintig kippen, een haan, drie pony’s en een opslag van mest. Ik heb vastgesteld dat het erf een ordelijke indruk maakt en dat de hokken schoon zijn. Ik stel vast dat er geen stank verwekkende stoffen zijn opgeslagen in de hokken dan wel op de mestplaat. Althans niet in een mate die ongebruikelijk is in het buitengebied of op zon wijze dat er sprake is van een restrisico. De mestplaat is ook grotendeels leeg. Op de plekken waar de pony’s geweid worden is een lichte mestgeur te ruiken. Op het erf is verder geen of nauwelijks geur waar te nemen als gevolg van het weiden van dieren. Door de dieren die gehouden worden op het achtererf neem ik nauwelijks geluid waar. Alleen de kippen zijn waar te nemen en alleen in de directe nabijheid van het hok.”
7. De commissie bezwaarschriften heeft in haar advies van 6 september 2021 overwogen dat er gelet op de aanwezige aantallen dieren, het hobbymatige houden en omdat er geen sprake is van handel in dieren, geen sprake is van een inrichting. Dit betekent dat het Activiteitenbesluit niet van toepassing is. Voor wat betreft de rattenoverlast heeft de commissie naar aanleiding van de beelden en foto’s geconstateerd dat ratten op het perceel aanwezig zijn. Omdat de commissie zich niet deskundig acht om op grond van de beelden te constateren of er al dan niet sprake is van een rattenplaag en of de veiligheid, gezondheid dan wel de volksgezondheid in het geding is, adviseert zij het college om ter plaatse nader onderzoek te laten doen door een deskundige op het gebied van plaagdierenbestrijding.
Met betrekking tot de geluids- en geuroverlast heeft de commissie aangegeven dat niet duidelijk is geworden op welke wijze de controle met betrekking tot de vermeende geluids- en geurhinder heeft plaatsgevonden. Volgens de commissie dient het college op dit punt het besluit nader te motiveren.
8. Op 22 september 2021 heeft [naam 3] (medewerker beheersing plaagdieren bij Circulus-Berkel) een inspectie uitgevoerd op het perceel. In het verslag dat hij op 1 oktober 2021 heeft gemaakt staat het volgende:
“Aangetroffen
Een voerkist met oud voer dat door muizen was aangevreten, in de inloopvallen heb ik geen muizen aangetroffen.
Veel oude gangen en oude uitwerpselen van ratten/muizen.
2 zakken met kippenvoer die er al een tijd liggen zijn niet aangevreten.
Looppaden onder het gaas door tussen het perceel 16 en 18. Ik kan niet zien waar ze vandaan komen.
Onder de kapschuur geen natte (recente) uitwerpselen aangetroffen wel een muis en veel oude gangen die door muizen zijn gemaakt.
Bij de paarden stal zijn wel looppaden aangetroffen maar geen activiteit.
Gevraagd aan bewoner:
Houd het gras kort bij de paardenstal.
Kippen leefgebied altijd even aanharken.”
9. In een e-mail van 4 oktober 2021 heeft [naam 4] (arts infectieziekten bij de GGD Noord- en Oost-Gelderland) naar aanleiding van de rapportage van 1 oktober 2021 aangegeven te concluderen dat er sprake is van oude sporen van ongedierte en dat geen recente activiteit is waargenomen. Daarmee is er geen sprake van een bedreiging van de volksgezondheid.
10. Het college heeft in het bestreden besluit van 7 oktober 2021 voor wat betreft de rattenoverlast verwezen naar het rapport van [naam 3] van 1 oktober 2021. Omdat uit dit rapport niet blijkt dat er sprake is van rattenoverlast is er volgens het college geen sprake van een overtreding van de artikelen 7:21 en 7:22 van het Bouwbesluit 2012. Voor wat betreft de geur- en geluidsoverlast heeft het college verwezen naar de rapporten van de toezichthouder van 28 april 2021 en 5 oktober 2021. Volgens het college volgt uit deze rapporten dat er sprake is van een opgeruimd erf en dat er geen sprake was van geur- en geluidsoverlast. Uit de bevindingen blijkt verder dat er een beperkte opslag is van mest. Volgens het college is er daarom op dit punt geen sprake van een overtreding.
Het college is in dit besluit ook ingegaan op het gebruik van de agrarische gronden in strijd met het bestemmingsplan. Het college overweegt dat het op grond van artikel 3.4.1, onder d, van de planregels mogelijk is om af te wijken van het bestemmingsplan voor het, zonder dat een agrarisch bouwvlak aanwezig is, oprichten van een stalruimte voor hobbymatig agrarisch gebruik. Uit deze afwijkingsbevoegdheid blijkt dat het bouwen voor hobbymatig gebruik op de agrarische grond mogelijk is wat inhoudt dat het gebruik van de agrarische grond voor het hobbymatig houden van dieren bij recht is toegestaan. Dit is volgens het college ook zeer gebruikelijk en in overeenstemming met de overige bestemmingsplannen voor het buitengebied van de gemeente Apeldoorn waarin het hobbymatig houden en weiden van dieren letterlijk in de agrarische bestemming zijn opgenomen.
Het college overweegt daarnaast dat op grond van het voorafgaande bestemmingsplan “Wiesel Oost”, dat is vastgesteld op 13 december 1973 en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten op 12 februari 1975, geen onderscheid wordt gemaakt tussen het gebruik van grasland voor een agrarisch bedrijf of hobbymatig agrarisch gebruik. Het hobbymatig agrarisch gebruik was dus al mogelijk en is voorgezet wat in overeenstemming is met het gebruiksovergangsrecht uit het bestemmingsplan “Wenum Wiesel en buitengebied”.
215019
Is er sprake van een inrichting?
11. Eisers betogen dat er gelet op het aantal dieren dat wordt gehouden sprake is van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer. Zij geven aan dat de mestopslag een omvang heeft van 6 m³.
11.1.
In artikel 1.1 van de Wet milieubeheer is de volgende definitie opgenomen van “inrichting”: ‘elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht’.
In bijlage 1 bij het Bor staat onder categorie 8 het volgende:
“8.1.Inrichtingen voor:
a. het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.”
11.2.
Er moet sprake zijn van een “inrichting” om de milieuregels uit het Activiteitenbesluit op de agrarische activiteiten van toepassing te laten zijn. Als er geen sprake is van een inrichting, dan kan niet worden gehandhaafd vanwege overtreding van het Activiteitenbesluit en resteren voor wat betreft hinder de restbepalingen uit de artikelen 7:21 en 7:22 van het Bouwbesluit 2012. Als in strijd met deze artikelen wordt gehandeld, kan daartegen handhavend worden opgetreden.
11.3.
Vast staat dat de agrarische activiteiten op het perceel niet bedrijfsmatig zijn. Ook bij hobbymatige agrarische activiteiten kan er echter sprake zijn van een inrichting, als er sprake is van een omvang alsof zij bedrijfsmatig is. Uit de controles blijkt dat er voorafgaand aan het primaire besluit 3 shetland pony’s, 6 ganzen, 18 eenden, 20 kippen en een (kleine) hond aanwezig waren en dat er sprake was van de opslag van 2 m³ mest.
De rechtbank is van oordeel dat er bij deze dieraantallen en deze omvang van de mestopslag geen sprake is van een bedrijvigheid in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was en dat daarom geen sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Ter vergelijking wijst de rechtbank op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 januari 2000, waarin het houden van 10 pony’s niet werd aangemerkt als een inrichting en op een uitspraak van de Afdeling van 28 september 2005, waarin het ging om het in een schuur houden van 10 kippen, 3 konijnen, 1 koe en 1 stuks jongvee (van begin november tot eind april) en 10 schapen en ongeveer 9 lammeren (gedurende circa 3 weken in de aflammerperiode). Het rundvee, de schapen en de lammeren werden buiten deze perioden gehouden in een weiland achter de schuur.
De rechtbank ziet geen aanleiding om voor wat betreft de dieraantallen en de omvang van de mestopslag niet uit te gaan van het controlerapport van de toezichthouder. Ook is niet gebleken dat er sprake is van handel in eieren, zoals eisers hebben gesuggereerd.
11.4.
De rechtbank overweegt daarnaast dat bij de heroverweging in de beslissing op bezwaar nieuwe ontwikkelingen kunnen worden meegenomen. In het geval waarin het bestuursorgaan een handhavingsverzoek bij nader inzien onterecht heeft afgewezen, dan moet het bestuursorgaan bij de heroverweging bekijken of de bevoegdheid om een herstelsanctie op te leggen nog steeds bestaat.
Vast staat dat de dieraantallen na het primaire besluit zijn verminderd. Ten tijde van de beslissing op bezwaar was nog sprake van 23 kippen, 2 eenden, 1 haan en 3 pony’s. Naar het oordeel van de rechtbank was gelet op deze dieraantallen ook ten tijde van de beslissing op bezwaar geen sprake van een inrichting.
Op de zitting is overigens gebleken dat inmiddels geen kippen en eenden meer worden gehouden en dat er nog slechts sprake is van tussen de 2 en 4 pony’s en een (kleine) hond.
Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een inrichting. Dit betekent dat tegen de overlast niet kan worden gehandhaafd op grond van de bepalingen uit het Activiteitenbesluit. De vervolgvraag is of er wel handhavend op kan worden getreden op grond van de restbepalingen uit het Bouwbesluit 2012. Daarop zal de rechtbank verderop in deze uitspraak ingaan.
Is het gebruik in strijd met het bestemmingsplan?
12. Eisers betogen dat er gelet op het aantal dieren dat op het perceel wordt gehouden sprake is van agrarisch grondgebruik. Dit agrarische grondgebruik is volgens eisers in strijd met de woonbestemming.
Eisers betogen daarnaast dat het gebruik binnen de agrarische bestemming niet valt onder het gebruiksovergangsrecht. Het gebruik is volgens eisers door de huidige eigenaar aangevangen, zodat er geen sprake is van het voortzetten van het gebruik.
12.1.
Het perceel van de derde-partij is in het bestemmingsplan “Wenum Wiesel en buitengebied”, dat is vastgesteld op 3 oktober 2013, bestemd als “Wonen - 2” met een bouwvlak en “Agrarisch” met de gebiedsaanduidingen “cultuurhistorisch gebied” en “open landschap”. De voor 'Wonen - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. wonen, waaronder begrepen begeleid wonen tot maximaal 2 woningen per bouwvlak;
(…)
k. nevenactiviteiten in de vorm van hobbymatig agrarisch gebruik (minder dan 20 NGE), Bed&Breakfast, recreatief rustpunt;
(…).
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. agrarische bedrijven, met dien verstande dat een gebruik als intensieve veehouderij uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij';
(…)
m. recreatief medegebruik in de vorm van paardrijden, wandelen en fietsen;
(…)
p. het trainen en berijden van paarden ten dienste van bestemmingsvlakken met de bestemmingen Bedrijf, Maatschappelijk of Wonen en in bestaande paardenbakken;
(…)
In artikel 1.8 is de volgende definitie opgenomen van “agrarisch bedrijf”:
“Een bedrijf, waaronder begrepen een productiegerichte paardenhouderij en pensionstal, dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, waarop een bedrijfsmatige, op de markt gerichte productie plaatsvindt, die een wezenlijke bijdrage aan de inkomensvorming levert.”
In artikel 3.4.1 is onder “Afwijken van de bouwregels” de volgende afwijkingsbevoegdheid opgenomen:
“Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het in lid 3.1 onder b en lid 3.2 bepaalde:
(…
d. voor het, zonder dat een bouwvlak aanwezig is, oprichten van een stalruimte voor hobbymatig agrarisch gebruik waarvan de oppervlakte niet meer dan 25 m² en de bouwhoogte niet meer dan 3 m bedraagt, met dien verstande dat bij de stalruimte ten minste 1 hectare aaneengesloten grond hoort, waarop de stalruimte wordt gebouwd en die grond ligt binnen een bestemmingsvlak met de bestemming Agrarisch.”
12.2.
In artikel 47 is het gebruiksovergangsrecht opgenomen:
“47.1 Overgangsrecht
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
47.2
Ander strijdig gebruik
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
47.3
Onderbreken gebruik onder overgangsrecht
Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
47.4
Overgangsrecht niet van toepassing
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.”
12.3.
Op de zitting hebben eisers aangegeven dat het hun niet (langer) gaat om het hobbymatige agrarische gebruik binnen de woonbestemming, maar enkel om het gebruik binnen de agrarische bestemming en het gebruiksovergangsrecht.
Gebouw A
12.4.
Uit de stukken blijkt dat in gebouw A pony’s worden gehouden. De rechtbank stelt vast dat binnen de bestemming “Agrarisch” op grond van artikel 3.1, onder a, van de planregels is samenhang met de definitie van “agrarisch bedrijf” alleen bedrijfsmatig agrarisch gebruik is toegestaan. Het stallen/houden van pony’s is dus in strijd met het bestemmingsplan als dit hobbymatig gebeurt.
Dat het in andere bestemmingsplannen voor het buitengebied van de gemeente Apeldoorn wel in algemene zin is toegestaan om hobbymatig vee te weiden, zoals het college heeft aangegeven, klopt. In die bestemmingsplannen staat dat recreatief medegebruik in de vorm van paardrijden, hobbymatig weiden van vee, wandelen en fietsen is toegestaan. In dit bestemmingsplan ontbreekt de onderstreepte bepaling echter en is enkel paardrijden toegestaan. Overigens ziet deze toevoeging enkel op het weiden van vee, en niet op het houden van vee in stallen.
Uit de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 3.4.1, onder d, kan niet worden afgeleid dat hobbymatig agrarisch gebruik is toegestaan. Het toegestane gebruik dient te volgen uit de bestemmingsomschrijving (artikel 3.1) of uit de specifieke gebruiksregels (artikel 3.5) en kan niet indirect uit een binnenplanse afwijkingsbepaling worden afgeleid.
De beroepsgrond slaagt.
12.5.
De vervolgvraag is of het gebruik van gebouw A voor het hobbymatig houden van pony’s is toegestaan op grond van het gebruiksovergangsrecht. Aan het gebruiksovergangsrecht kom je op grond van artikel 47.1 toe als het (hobbymatige agrarische) gebruik al bestond op het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Wenum Wiesel en buitengebied”. Het had gelet hierop op de weg van het college gelegen om in het besluit te onderbouwen dat bij de inwerkingtreding van het bestemmingsplan in 2013 al sprake was van hobbymatig agrarisch gebruik en dat geen sprake is van een van de uitzonderingen uit artikel 47.2 en 47.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college met de enkele stelling dat het gebruik al bestond op de peildatum onvoldoende heeft onderbouwd dat het gebruiksovergangsrecht van toepassing is.
De beroepsgrond slaagt.
Gebouw B
12.6.
In gebouw B worden hobbymatig kippen gehouden. Ook dit hobbymatige agrarische gebruik is, om dezelfde reden als de pony’s in stal A, in strijd met het bestemmingsplan.
De beroepsgrond slaagt.
12.7.
De vervolgvraag is of dit gebruik van gebouw B is toegestaan op grond van het gebruiksovergangsrecht. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen kom je aan het gebruiksovergangsrecht op grond van artikel 47.1 pas toe als het (hobbymatige agrarische) gebruik al bestond op het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Wenum Wiesel en buitengebied”. Het had op de weg van het college gelegen om in het besluit te onderbouwen dat bij de inwerkingtreding van het bestemmingsplan in 2013 al sprake was van hobbymatig agrarisch gebruik, en dat geen sprake is van een van de uitzonderingen uit artikel 47.2 en 47.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college met de enkele stelling dat het gebruik al bestond het beroep op het gebruiksovergangsrecht onvoldoende heeft onderbouwd, zeker nu eisers hebben aangegeven dat de derde-partij pas in 2015 kippen in gebouw A is gaan gehouden.
De beroepsgrond slaagt.
Rattenoverlast
13. Eisers geven aan dat de deskundige van Circulus-Berkel ook op 29 juli 2021 op het perceel is geweest. Hij heeft toen volgens eisers geconcludeerd dat er ratten aanwezig waren en dat bestrijding op het terrein van eisers geen zin had omdat het duidelijk was dat de ratten van het perceel van de derde-partij kwamen en er daar geen maatregelen werden genomen. De rapportage van 1 oktober 2021 is volgens eisers niet juist.
Eisers verwijzen daarnaast ter onderbouwing van hun standpunt dat er sprake is van rattenoverlast naar een groot aantal foto’s en filmpjes die zij van hun eigen terrein en dat van de derde-partij hebben gemaakt waarop ratten te zien zijn.
Op de zitting hebben eisers aangegeven dat zij op grond van artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld om te reageren op het deskundigenrapport voordat de beslissing op bezwaar werd genomen.
13.1.
Artikel 7:21 van het Bouwbesluit 2012 luidt als volgt:
“Een bouwwerk, open erf en terrein bevindt zich in een zodanig zindelijke staat, dat dit geen hinder voor personen en geen gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van personen oplevert.”
Artikel 7:22 Bouwbesluit 2012 luidt als volgt:
“Onverminderd het bij of krachtens dit besluit of de Wet milieubeheer bepaalde is het verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:
op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid;
overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein;
op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein, of
instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.”
13.2.
De rechtbank overweegt dat als een bestuursorgaan zich bij zijn besluitvorming laat adviseren door een deskundige, als algemeen uitgangspunt geldt dat het bestuursorgaan op het advies van de deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat de betrokkene over het advies heeft aangevoerd.
13.3.
Aan het bestreden besluit is het deskundigenrapport van [naam 3] van 1 oktober 2021 ten grondslag gelegd. Vast staat dat het college eisers niet in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op dit deskundigenrapport. Dit had wel moeten gebeuren.
Gelet op wat door eisers is aangevoerd over de rattenoverlast, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het college gelegen om de deskundige het beeldmateriaal van eisers voor te leggen en om hem hierop te laten reageren. Op de zitting heeft het college ook aangegeven dat het door eisers overlegde beeldmateriaal aanleiding vormt om te bekijken of het advies van de deskundige wel klopt.
De beroepsgrond slaagt.
Herhaalde bezwaargronden
14. Eisers hebben in het beroepschrift verzocht om de pleitaantekeningen bij de commissie bezwaarschriften als herhaald en ingelast te beschouwen. Daarover overweegt de rechtbank dat het op de weg van eisers ligt om in het beroepschrift aan te geven op welke punten de motivering in de het bestreden besluit onjuist of onvolledig is. Niet kan worden volstaan met enkel te verwijzen naar eerder ingediende bezwaargronden of pleitaantekeningen. In het advies van de commissie bezwaarschriften, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen voor de motivering, en in de nadere motivering in het bestreden besluit is ingegaan op de bezwaargronden. Eisers hebben in hun beroepschrift en ter zitting op andere punten dan hiervoor zijn besproken geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van hun bezwaargronden onjuist zou zijn.
Conclusie
15. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit van 7 oktober 2021 dient te worden vernietigd.
215024
16. Het college heeft in het primaire besluit van 12 februari 2021 met betrekking tot de bouwwerken overwogen dat gebouwen A en B voor wat betreft het gebruik vallen onder het overgangsrecht van artikel 47 van het bestemmingsplan. Gebouwen C t/m F zijn gebouwd met een omgevingsvergunning of konden vergunningsvrij worden gebouwd. Gebouw G is uitgebreid zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Dit bouwwerk is volgens het college echter onder voorwaarden te legaliseren en het college zal de derde-partij in de gelegenheid stellen om een omgevingsvergunning aan te vragen.
17. Eisers hebben tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
18. De commissie bezwaarschriften heeft in haar advies van 6 september 2021 voor wat betreft gebouw G overwogen dat niet is gebleken dat een aanvraag is ingediend en dat het besluit op dit punt nader moet worden gemotiveerd.
Voor wat betreft de houtopslag overweegt de commissie dat dit behoort tot een normaal gebruik bij een woonbestemming zodat er geen sprake is van een overtreding en het college hiertegen niet handhavend kan optreden.
Voor wat betreft de mestopslag en het hobbymatige agrarische gebruik overweegt de commissie dat het voorgaande bestemmingsplan ontbreekt zodat het beroep op het overgangsrecht niet kan worden beoordeeld. Het college dient in de beslissing op bezwaar nader te motiveren dat het gebruik en het bouwen onder het overgangsrecht valt.
Ook voor gebouw B kan de commissie niet beoordelen of deze onder het overgangsrecht valt.
Voor wat betreft gebouw C mist de commissie een duidelijke berekening van het bebouwingsgebied waaruit blijkt dat het gebouw past binnen de regels van het vergunningvrij bouwen uit artikel 2 van bijlage II bij het Bor.
Voor wat betreft de gaas- en bouwhekwerken voor het laten lopen van ganzen, eenden en kippen overweegt de commissie dat dit geen vergunningplichtige bouwwerken betreft zodat er geen sprake is van een overtreding.
19. Het college heeft in het bestreden besluit van 16 februari 2022 voor de motivering verwezen naar het advies van de commissie bezwaarschriften en met betrekking tot gebouwen B, C, G en de mestopslag een aanvullende motivering opgenomen.
Voor wat betreft gebouw G heeft het college overwogen dat op 30 juli 2021 een omgevingsvergunning is verleend, zodat er niet langer sprake is van een overtreding.
Voor wat betreft de mestopslag heeft het college op basis van de luchtfoto in 2009 overwogen dat deze bestaat uit de vloer van een gebouw dat is gesloopt. Er zijn schotten geplaatst als afscheiding waartegen de mest gelegd kan worden. Het plaatsen van de schotten is vergunningvrij. Met betrekking tot het gebruik heeft het college overwogen dat dit valt onder het gebruiksovergangsrecht.
Voor wat betreft gebouw C heeft het college overwogen dat het bebouwingsgebied een oppervlak heeft van 711 m², zodat op grond van artikel 2, derde lid, onder f, van bijlage II Bor een oppervlakte van 131,1 m² aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken mag worden gebouwd. Binnen het bebouwingsgebied is een oppervlakte van 66,4 m² aanwezig, zodat het bouwwerk vergunningvrij is op grond van artikel 2, derde lid, van bijlage II Bor en het college niet bevoegd is om handhavend op te treden.
Houtopslag
20. Eisers betogen dat het voor wat betreft de houtopslag niet slechts gaat over het stapelen van hout tegen een gebouw, maar dat het gaat om een stellage die tegen gebouw G is gebouwd en die wordt benut voor de opslag van hout. Voor het bouwen van de stellage is geen omgevingsvergunning verleend, zodat het handhavingsverzoek op dit punt ten onrechte niet is ingewilligd.
20.1.
Voor het bouwen van een bouwwerk is op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo een omgevingsvergunning vereist. Het begrip bouwwerk is in de Wabo niet omschreven. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 12 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX7117) kan voor de uitleg van het begrip bouwwerk aansluiting worden gezocht bij de omschrijving van dit begrip in de modelbouwverordening. Deze luidt: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”.
20.2.
Uit de stukken blijkt dat de houtopslag is bevestigd aan gebouw G en bestaat uit een constructie van palen waaraan rechtopstaande pallets zijn bevestigd. Op de palen aan de linkerzijde van gebouw G is een houten lat gemaakt waaraan een metalen plaat is bevestigd die als dak functioneert. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van een constructie die direct met de grond is verbonden en die is bedoeld om ter plaatse te functioneren (als houtopslag). Dit betekent dat sprake is van een bouwwerk.
Omdat het bouwwerk door de ligging in het voorerfgebied niet vergunningvrij is, is voor het bouwen van het bouwwerk een omgevingsvergunning vereist. Omdat geen omgevingsvergunning is verleend, is er sprake van een overtreding.
De beroepsgrond slaagt.
Mestopslag
21. Eisers betogen dat dit bouwwerk niet valt onder het bouwovergangsrecht omdat het gebouw dat voorheen op deze plek stond geheel is gesloopt en alleen de vloer is blijven liggen. De schotten zijn pas na 2015 geplaatst. Deze bouwwerkzaamheden zijn volgens eisers niet vergunningvrij omdat het gebruik in strijd is met de agrarische bestemming.
21.1.
In artikel 46.1 staat het bouwovergangsrecht:
“46.1 Overgangsrecht
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.”
(…)
46.3
Afwijken bij bijgebouwen
Indien lid 46.1 van toepassing is op bijgebouwen als bedoeld in artikel 1 lid 1.26, kunnen burgemeester en wethouders eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van het in lid 46.1 bepaalde ten behoeve van het geheel vernieuwen van een gedeelte van die bijgebouwen. Afwijken is alleen mogelijk wanneer gelijktijdig voor elke m2 waarvoor bij omgevingsvergunning wordt afgeweken 2 m2 aan bestaande bijgebouwen wordt afgebroken, met het doel om te komen tot een sanering van de aanwezige bebouwing.
46.4
Overgangsrecht niet van toepassing
Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.”
21.2.
Uit de stukken blijkt dat het gebouw dat op de plaats van de mestopslag stond is gesloopt, met uitzondering van de vloer. Later zijn op de vloer keerwanden geplaatst zodat ter plaatse mest kon worden opgeslagen.
Bouwen
21.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is de mestopslag gelet op de constructie aan te merken als een bouwwerk. Dat betekent dat voor het bouwen van het bouwwerk een omgevingsvergunning is vereist, tenzij het bouwwerk vergunningvrij is op grond van artikel 2 of 3 van bijlage II bij het Bor. Het college heeft niet nader onderbouwd op grond van welk artikel dit bouwwerk vergunningvrij zou zijn. Voor zover het college heeft beoogd te verwijzen naar artikel 2, lid 21, of artikel 3, lid 6, van bijlage II Bor merkt de rechtbank op dat het bouwwerk door de ligging binnen de bestemming “Agrarisch” niet in het achtererfgebied van de woning ligt, zodat aan de voorwaarden van deze artikelen niet wordt voldaan.
Om een beroep te kunnen doen op het bouwovergangsrecht moet het bouwwerk aanwezig of in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Niet is gebleken dat het bouwwerk voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan is gebouwd. Ook is niet onderbouwd of is voldaan aan het bepaalde in artikel 46.4. Het bouwovergangsrecht is namelijk niet van toepassing op bouwwerken die zonder omgevingsvergunning zijn gebouwd.
De beroepsgrond slaagt.
Gebruik
21.4.
In artikel 3.5.8 van de planregels staat dat het niet is toegestaan om de gronden buiten het agrarische bouwvlak te gebruiken ten behoeve van opslag. Het gebruik als mestopslag is daarom in strijd met het bestemmingsplan.
Voor wat betreft het beroep op het gebruiksovergangsrecht overweegt de rechtbank dat het op de weg van het college had gelegen om in het besluit te onderbouwen dat in 2013 al sprake was van een gebruik als mestopslag. Dat is immers de peildatum voor het gebruiksovergangsrecht. Als de mestopslag pas in 2015 is begonnen, zoals eisers aangeven, dan kan dit gebruik niet onder het gebruiksovergangsrecht vallen.
De beroepsgrond slaagt.
Gebouw C
22. Eisers betogen dat op het perceel 250 m² aan bijbehorende bouwwerken aanwezig is zodat er geen sprake kan zijn van een vergunningsvrij bouwwerk.
22.1.
Bij het vergunningvrij bouwen op grond van artikel 2, derde lid, van bijlage II Bor gaat het op grond van onderdeel f om de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied, en dus niet om de totale oppervlakte aan bouwwerken op het perceel zoals eisers hebben aangegeven.
De beroepsgrond slaagt niet.
Gebouw G
23. Eisers betogen dat voor dit gebouw geen omgevingsvergunning kon worden verleend omdat het gebouw dat is vergund afwijkt van het gebouw dat er nu staat.
23.1.
Op de zitting is vast komen te staan dat de verleende omgevingsvergunning afwijkt van het bouwwerk dat is gebouwd. Daardoor is er geen sprake van een legaliserende omgevingsvergunning en is er nog steeds sprake van een overtreding.
De beroepsgrond slaagt.
Kippenren en hekwerken
24. Eisers betogen dat de kippenren en hekwerken vanwege de agrarische bestemming van de gronden niet zijn toegestaan.
24.1.
De kippenren en de hekwerken zijn aan te merken als bouwwerken. Voor het bouwen van een bouwwerk is een omgevingsvergunning vereist, tenzij het bouwwerk vergunningvrij is op grond van artikel 2 of 3 van bijlage II bij het Bor. Het college heeft niet nader onderbouwd op grond van welk artikel deze bouwwerken vergunningsvrij zijn. Voor zover het college heeft beoogd te verwijzen naar artikel 2, lid 21, of artikel 3, lid 6, van bijlage II Bor merkt de rechtbank op dat de bouwwerken door de ligging binnen de bestemming “Agrarisch” niet in het achtererfgebied van de woning liggen, zodat aan de voorwaarden van deze artikelen niet wordt voldaan.
De beroepsgrond slaagt.
Herhaalde bezwaargronden
25. Eisers hebben in het beroepschrift verzocht om de pleitaantekeningen bij de commissie bezwaarschriften als herhaald en ingelast te beschouwen. Daarover overweegt de rechtbank dat het op de weg van eisers ligt om in het beroepschrift aan te geven op welke punten de motivering in het bestreden besluit onjuist of onvolledig is. Niet kan worden volstaan met enkel te verwijzen naar eerder ingediende bezwaargronden of pleitaantekeningen. In het advies van de commissie bezwaarschriften, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen voor de motivering, en in de nadere motivering in het bestreden besluit is ingegaan op de bezwaargronden. Eisers hebben in hun beroepschrift en ter zitting op andere punten dan hiervoor zijn besproken geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van hun bezwaargronden onjuist zou zijn.
Conclusie
26. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit van 7 oktober 2021 dient te worden vernietigd.
223114
27. De derde-partij heeft op 30 maart 2021 een aanvraag ingediend voor het legaliseren van de uitbreiding van bijgebouw G. Deze uitbreiding is gebouwd aan de zijde van het perceel van eisers en heeft een bouwhoogte van ongeveer 2,60 meter en een oppervlakte van ongeveer 40 m².
28. Het perceel is ter plaatse van dit bijgebouw bestemd als “Wonen - 2” met een bouwvlak. Op grond van artikel 18.2.1 mogen bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen niet voor de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan worden opgericht en mag de oppervlakte aan bijgebouwen maximaal 75 m² bedragen.
Op beide punten is het bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan.
29. Het college heeft in het primaire besluit van 30 juli 2021 aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “bouwen” en “gebruik in strijd met het bestemmingsplan”.
Het college heeft in het bestreden besluit van 27 juni 2022 het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en de volgende aanvullende motivering in het besluit opgenomen.
“Het college is van oordeel dat zij terecht en op goede gronden medewerking heeft verleend aan het afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2 van de Wabo juncto artikel 4, eerste lid, van bijlage II Bor. Er is geen sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het hoofdgebouw staat op ruime afstand van de openbare weg en is met de achterzijde naar die openbare weg gekeerd. Dat komt in de omgeving van Apeldoorn vaker voor en is gevolg van de vroeger gangbare bedrijfsvoering. Formeel wordt de naar de openbare weg gerichte gevel als voorgevel gezien en eventuele bijgebouwen zouden achter deze voorgevel moeten liggen. Vanwege de historische situatie is de afwijking in de positie van de bijgebouwen aanvaardbaar. Het perceel heeft in het verleden een agrarische bestemming gehad. Op dit soort erven is vaak meer oppervlakte aanwezig aan bijgebouwen dan volgens het vigerende bestemmingsplan bij de woonbestemming is toegestaan. Een groot deel van de huidige bijgebouwen is al jaren aanwezig en zal (deels) voortkomen uit de agrarische functie (boerderijwoning met deel) die het erf ooit had. De overschrijding van het maximale vierkante meters is daarom ruimtelijk gezien aanvaardbaar.
Het college is van oordeel dat de positie van de uitbreiding van het bijgebouw voor de voorgevel en de overschrijding van de toegestane vierkante meters ruimtelijk aanvaardbaar is, mits aan de voorzijde een landschappelijk inpassende beplanting wordt aangebracht. Op de situatietekening is een hederahaag ingetekend. Dit is als voorschrift aan de activiteit planologisch strijdig gebruik verbonden en dient binnen een jaar na inwerkingtreding van de omgevingsvergunning te zijn geplant.”
Goede ruimtelijke ordening
30. Eisers betogen dat de essentie van een goede ruimtelijke ordening is dat vóór de voorgevel van een woning geen bebouwing aanwezig is. Dit is ook de reden dat deze regel in het bestemmingsplan is opgenomen. De uitbreiding van een bijgebouw voor de voorgevel van de woning is daarom in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
Het is volgens eisers daarnaast geen goede ruimtelijke ordening om op een perceel waar al meer bijgebouwen staan dan het bestemmingsplan toestaat, nog meer bijgebouwen te vergunnen en de strijdigheid met het bestemmingsplan op dit punt nog verder te vergroten.
Wat is het toetsingskader?
30.1.
Uit artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo volgt dat de gevraagde omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verder geldt dat het college beleidsruimte heeft bij de beslissing of het gebruik maakt van zijn bevoegdheid om voor afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. Dat betekent dat het college, als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De bestuursrechter toetst of het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
30.2.
Eén van de stedenbouwkundige uitgangspunten in het bestemmingsplan is dat bijgebouwen achter de voorgevel moeten worden gebouwd. Dit stedenbouwkundige uitgangspunt wordt ook bij vergunningvrij bouwen gehanteerd, door het onderscheid dat wordt gemaakt in voorerfgebied en achtererfgebied. Dat bouwen achter de voorgevel het uitgangspunt is, maakt anders dan eisers betogen niet dat geen omgevingsvergunning kan worden verleend voor het bouwen van een bijgebouw vóór de voorgevel. In bijzondere stedenbouwkundige gevallen kan er aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. Het is daarom niet zo dat elke aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bijgebouw voor de voorgevel moet worden geweigerd wegens strijd met de goede ruimtelijke ordening.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in dit geval echter onvoldoende gemotiveerd waarom het uitbreiden van een bijgebouw uit stedenbouwkundig oogpunt in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Dat het perceel in het verleden een agrarische bestemming heeft gehad verklaart de aanwezigheid van de bestaande bijgebouwen. Dit maakt echter niet dat het uit ruimtelijk oogpunt gewenst is om een bestaand bijgebouw voor de voorgevel verder uit te breiden, in plaats van te bouwen in het achtererfgebied. Op de zitting heeft het college desgevraagd ook geen andere voorbeelden kunnen benoemen van situaties waarin een bijgebouw voor de voorgevel is toegestaan. Aan het besluit ligt ook geen advies van een stedenbouwkundige ten grondslag.
Ook voor de oppervlakte aan bijgebouwen acht de rechtbank het uit stedenbouwkundig oogpunt in beginsel niet onredelijk om in het buitengebied – gelet op de ruime percelen – een grotere oppervlakte aan bijgebouwen te kunnen vergunnen dan 75 m². Zeker als een perceel in het verleden een agrarische functie heeft gehad. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet wat de bestaande oppervlakte aan bijgebouwen is, welke oppervlakte wordt vergund en tot welke oppervlakte uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een omgevingsvergunning kan worden verleend.
Wel staat vast dat op het woonperceel en het daarachter gelegen agrarische perceel al een fors grotere oppervlakte dan 75 m² aan bestaande bijgebouwen aanwezig is, die volgens het college onder het overgangsrecht kan worden gebracht. Daarnaast staat vast dat in het verleden bijgebouwen moesten worden gesloopt op basis van de “rood voor rood-regeling” om een bouwvergunning te kunnen verlenen voor gebouw G. Het is de rechtbank onduidelijk waarom – ondanks dat de oppervlakte van 75 m² nog steeds wordt overschreden en bestaande bijgebouwen onder het overgangsrecht zijn gebracht – de uitbreiding van het maximale aantal vierkante meters aan bijgebouwen nu wél ruimtelijk aanvaardbaar is. Zeker nu onduidelijk is wat de oppervlakte aan bijgebouwen gaat worden en gelet op het bepaalde in artikel 46.3 van de planregels, waarin staat dat in overgangsrechtelijke situaties voor elke m² waarvoor bij omgevingsvergunning wordt afgeweken 2 m² aan bestaande bijgebouwen moet worden afgebroken.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie
31. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit van 27 juni 2022 dient te worden vernietigd. De rechtbank laat wat door eisers is aangevoerd over de afwijking van wat is aangevraagd en wat is gebouwd buiten beschouwing. Het is mogelijk om hangende de bezwaarprocedure de aanvraag te wijzigen zodat de feitelijke situatie overeenkomt met de aanvraag voor de omgevingsvergunning. Dit punt kan in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar worden hersteld.
Finale geschilbeslechting?
32. De rechtbank ziet in geen van de zaken mogelijkheden om over te gaan tot finale geschilbeslechting. Het college dient nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank en daarin te beoordelen of, en zo ja op welke wijze, zij tegen de overtredingen handhavend wil gaan optreden.
Voor wat betreft de rattenoverlast merkt de rechtbank met betrekking tot de vraag wanneer er sprake is van een overtreding van artikel 7:21 en 7:22 van het Bouwbesluit 2012 nog op dat daarvoor op grond van jurisprudentie van de Afdeling sprake dient te zijn van overmatige hinder. Het college dient op basis van de bevindingen van de deskundige een oordeel te geven over de vraag of er sprake is van een zodanig ernstig geval van overlast dat er sprake is van overmatige hinder. Daarbij dient het uit te gaan van de situatie zoals deze is ten tijde van de nieuwe beslissing op bezwaar. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eisers en de derde-partij voor het nemen van het nieuwe besluit in de gelegenheid moeten worden gesteld om te kunnen reageren op het nieuwe deskundigenadvies.
In de nieuwe beslissing op bezwaar dient ook wat eisers hebben aangevoerd over het gebruik van gebouw G door anderen dan de derde-partij te worden meegenomen, omdat dit in het handhavingsverzoek is genoemd en daarop in de bestreden besluiten niet is ingegaan.
Zoals op de zitting is besproken geeft de rechtbank partijen tot slot mee dat het de voorkeur heeft om er samen, bijvoorbeeld met de hulp van een mediator, uit te komen. Niet alle geschilpunten tussen partijen kunnen immers door de gemeente worden opgelost.
Proceskosten en griffierecht
33. De rechtbank veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor ieder van de drie zaken vast op € 1.674,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op een zitting, met een waarde van € 837,- per punt en wegingsfactor 1). Van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake omdat het werk van de rechtsbijstandverlener niet in elk van de zaken nagenoeg identiek is.
Tot slot bepaalt de rechtbank dat het college aan eisers het betaalde griffierecht vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de bestreden besluiten;
bepaalt dat het college in zaaknummer 21/5019 het griffierecht van € 181,- aan eisers moet vergoeden;
bepaalt dat het college in zaaknummer 21/5024 het griffierecht van € 181,- aan eisers moet vergoeden;
bepaalt dat het college in zaaknummer 22/3114 het griffierecht van € 184,- aan eisers moet vergoeden;
veroordeelt het college in zaaknummer 21/5019 tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eisers;
veroordeelt het college in zaaknummer 21/5024 tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eisers;
veroordeelt het college in zaaknummer 22/3114 tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
de rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo.
ECLI:NL:RVS:2000:AL2894 (AB 2000/126).
ECLI:NL:RVS:2005:AU3361.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2571).
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo en artikel 4, eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).
Zie ter vergelijking de uitspraak van 28 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:934) voor wat betreft artikel 7:21 Bouwbesluit 2012 (overweging 3.1) en de uitspraak van 5 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2917) voor wat betreft artikel 7:22 Bouwbesluit 2012 (overweging 3.2) | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|