Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2025:11108 
 
Datum uitspraak:17-12-2025
Datum gepubliceerd:10-04-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:cl AWB 24_4705 en cl AWB2 cl AWB 24_4705 en cl AWB2
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Belanghebbende werkt in 2014, 2015 en 2016 als ‘direktor’ voor een Zwitserse AG. Voor zijn werkzaamheden is een managementvergoeding overeengekomen van € 8.000 per maand. Deze wordt in 2014 en een deel van 2015 in de rekening-courant van belanghebbende geboekt. Belanghebbende ontvangt in 2014, 2015 en 2016 betalingen op zijn privérekening afkomstig van de door de AG gebruikte bankrekening. Bij zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2014, 2015 en 2016 geeft belanghebbende enkel een inkomen uit vroegere dienstbetrekking aan van € 5.700 per jaar. De inspecteur legt navorderingsaanslagen op over alle drie de jaren. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard en dat de inspecteur terecht is uitgegaan van een ROW van € 96.000 per jaar.
Trefwoorden:aangifte inkomstenbelasting
box 1
burgerlijk wetboek
inkomstenbelasting
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/4705, 24/4707, 24/4710, 24/4711, 24/7646 en 24/7647


uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 17 december 2025

in de zaken tussen




[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en



de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur,

en


de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, deStaat.





Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 23 december 2023 en 30 juli 2024.

De inspecteur heeft voor de jaren 2014, 2015 en 2016 aan belanghebbende de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslagen heeft de inspecteur belanghebbende belastingrente in rekening gebracht.













Zaaknummer


Aanslag


Jaar


Inkomen box 1


Verzamel-inkomen


Bijdrage-inkomen


Belastingrente




24/4705


IB/PVV


2014


€ 75.546*


€ 101.700





€ 5.585




24/4707


Zvw


2014








€ 45.714


€ 446




24/4710


IB/PVV


2015


€ 101.700


€ 101.700





€ 7.491




24/4711


Zvw


2015








€ 51.976


€ 423




24/7646


IB/PVV


2016


€ 101.700


€ 101.700





€ 6.729




24/7647


Zvw


2016








€ 47.063


€ 395





* € 101.700 -/- € 26.154 (verlies uit voorgaande jaren)
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.

De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft de beroepen op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door [persoon A] en [persoon B] en namens de inspecteur [persoon C] en [persoon D].



Feiten

1. Belanghebbende was medio 2014 één van de vier ‘Direktoren’ van [naam bedrijf 1] ([naam bedrijf 1]).

2. [naam bedrijf 1] is betrokken geweest bij de oprichting van [naam bedrijf 2], [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 4].

3. [naam bedrijf 1] beschikte niet over een eigen bankrekening, maar gebruikte de bankrekening van Stichting [naam stichting].

4. [naam bedrijf 1] heeft bij brief van 30 juli 2014 aan belanghebbende onder meer het volgende bevestigd:
“(…)

Met deze brief bevestigt [naam bedrijf 1] (hierna: “[naam bedrijf 1]”) dat met ingang van 1 januari 2014 aan u cq. aan een door u in de toekomst aan te wijzen entiteit een maandelijkse management fee van bruto € 8.000 is toegekend, onder de volgende voorwaarden:




De management fee zal maandelijks in de boeken van [naam bedrijf 1] in Rekening Courant worden geboekt;




Tot een nader door [naam bedrijf 1] te bepalen tijdstip zult u nog geen daadwerkelijk beroep op uitbetaling van de management fee kunnen doen;




Indien de toekomst de financiële positie van [naam bedrijf 1] dit toelaat zal een door u aan te wijzen entiteit de “accrued management fees” aan [naam bedrijf 1] factureren met toevoeging van eventueel verschuldigde BTW/MwSt/Omzetbelasting of enig andere vergelijkbare heffing.



(…)”

5. Belanghebbende heeft een brief overgelegd gedateerd 2 januari 2014 waarin – voor zover van belang – het volgende staat:
“HALLO [persoon E],

NET VOOR KERST BESPRAKEN WE DE FINANCIELE SITUATIE VAN [naam bedrijf 1] EN INVESTEERDERS /LENINGVERSTREKKERS.

DAARUIT IS GEBLEKEN DAT [naam bedrijf 1] OF EEN ANDER DERDE OP KORTE TERMIJN NIET AAN DE BETALINGSVERPLICHTING VAN ZEG EN AANTAL LENINGVERSTREKKERS EN CREDITEUREN KAN VOLDOEN. IK BEVESTIG HIERBIJ DAT IK PRIVE AL EEN AANTAL VERPLICHTINGEN HEB EN ZAL OVERNEMEN EN DE BETALINGEN DIRECT AAN DE BETREFFENDE PERSONEN VAN [naam bedrijf 1] ZAL OVERMAKEN.

HET GAAT HIER VOORLOPIG OVER ONDERSTAANDE PERSONEN/BEDRIJVEN

(…)

TOTAAL 783.000
= = = = = =

WIJ HEBBEN GESPROKEN DAT HIERVOOR EEN VOORZIENING ALS EEN SOORT EXTRA REKENING-COURANT TEN GUNSTE VAN MIJ IN DE ADMINISTRATIE ZULT OPNEMEN, WAARDOOR BIJ GELEGENHEID, WANNEER DAT TOEGELATEN IS, BEDRAGEN UIT DEZE REKENING COURANT KAN OPNEMEN ZONDER DAT DEZE FINANCIEEL BELAST WORDT OF GAAT WORDEN, IN WELKE VORM DAN OOK.


[persoon E] IK NEEM AAN EN VERTROUW EROP HIERMEE EEN ANDER JUIST EN NAAR BEHOREN TE HEBBEN WEERGEGEVEN.

GROET [belanghebbende]”

6. Belanghebbende heeft voor de jaren 2014 tot en met 2016 aangiften ingediend. Daarbij heeft belanghebbende voor ieder jaar alleen een inkomen uit vroegere dienstbetrekking aangegeven van € 5.700. De aanslagen IB/PVV zijn conform de aangiften opgelegd.

7. Belanghebbende is als verdachte betrokken bij een onderzoek van de FIOD onder de naam ‘[naam onderzoek]’. Hij wordt verdacht van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften IB. Van de bevindingen van het onderzoek heeft de FIOD een proces-verbaal opgesteld. Een kopie hiervan is op verzoek van de inspecteur door het Openbaar Ministerie verstrekt.

8. De inspecteur heeft het met betrekking tot de inhoud van het proces-verbaal een verzoek gedaan tot beperkte kennisname op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit verzoek is bij beslissing van de rechtbank van 29 augustus 2025 toegewezen.

9. Bij het onderzoek is door de FIOD een uitdraai van een boekhouding aangetroffen voor Stichting [naam stichting], [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 1]. In deze boekhouding werd ook een rekening-courant op naam van belanghebbende bijgehouden.

10. Belanghebbende heeft in 2014 in totaal voor € 46.852, in 2015 voor € 56.120 en in 2016 voor € 71.410 betalingen ontvangen op zijn privé bankrekeningen afkomstig van de bankrekening van Stichting [naam stichting]. De betalingen zijn tot en met oktober 2015 in de rekening-courant van belanghebbende geboekt als privéopnamen.

11. Op 31 december 2014 is een bedrag van € 96.000 in de rekening-courant van belanghebbende geboekt en op 31 augustus 2015 nog eens € 64.000 ten titel van ‘payment mgmt fee’ ([nummer 1]).

12. Tot de stukken van het dossier behoort een verslag van een afgetapt telefoongesprek (nummer [nummer 2]) tussen belanghebbende en één van de mede ‘Direktoren’ van [naam bedrijf 1] waarin onder meer het volgende staat (H=belanghebbende):
“(…)

H: Wat [persoon F] geboekt heeft, laten we het daar maar niet over hebben [persoon E]. Echt niet normaal.


D: Maar waar gaat het over dan, over die btw kwestie?


H: Nee, mensen met fee [rechtbank: gezegd zal zijn ‘management fee’] die hij gewoon geboekt heeft via de S.A, wat ik. We hebben helemaal geen fee. We hebben helemaal niks. Wordt gewoon in mindering gebracht. Ajoh ik ben, ik word helemaal gek van hem echt.

D: Managementfee geboekt, is dat uitbetaald dan?


H: Ja. Nee maar hij boekt die gewoon in rekening courant dat kan helemaal niet. Zodat,


D: Nee.


H: Dan zouden we belasting over moeten betalen allemaal dat soort dingen.


D: Ja.


H: Nou, ik, ik heb met [persoon G] daarom een afspraak over gemaakt en uhu samen met [persoon H], dit, is uhu, dan maar ik uhu ik, ik zoek dit wel uit en uhu.


D: Maar hij heeft de managementfee geboekt van wie?


H: Van jou, en mij, van hem zelf.


D: Maar dan moet je toch belasting betalen?


H: Ja, dat zeg ik dus.

(…)”

13. De inspecteur heeft navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd voor de jaren 2014 tot en met 2016 en het inkomen voor ieder jaar gecorrigeerd met 12 x € 8.000 = € 96.000 als resultaat uit overige werkzaamheden (ROW). Daarnaast heeft de inspecteur navorderingsaanslagen Zvw opgelegd voor deze jaren.



Beoordeling door de rechtbank

14. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2014 tot en met 2016 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

15. De rechtbank is van oordeel dat de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2014 tot en met 2016 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Heeft de inspecteur enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur geschonden?

16. Belanghebbende meent dat er sprake is van een in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur uitgevoerde onrechtmatige fishing expedition, omdat de navorderingsaanslagen zijn gebaseerd op een (concept) grootboekhouding van de directie van [naam bedrijf 1] die onrechtmatig is verkregen. Ook zijn volgens belanghebbende het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel geschonden.

17. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat sprake is van schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur. Wat belanghebbende stelt is daarvoor onvoldoende. Het feit dat de inspecteur de navorderingsaanslagen mede heeft gebaseerd op stukken die van een derde zijn verkregen maakt dit niet anders. Het staat de inspecteur in beginsel vrij om gegevens die van belang zijn voor de belastingheffing bij derden op te vragen en deze te gebruiken. Dat geldt ook voor bewijsmateriaal dat in het kader van strafrechtelijk onderzoek is verkregen. Dat is slechts anders als het bewijs strafrechtelijk onrechtmatig is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend overheid verwacht mag worden dat het gebruik ervan onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Er zijn geen aanwijzingen dat het bewijs strafrechtelijk onrechtmatig is verkregen. Uit het dossier volgt dat de inspecteur de stukken waar het om gaat heeft verkregen op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De rechtbank ziet dan ook geen belemmering om deze te gebruiken.


Moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard?

18. Belanghebbende heeft wel aangifte gedaan. Daarom kan, in een geval als dit, alleen worden gezegd dat de vereiste aangifte niet is gedaan en dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, als de volgens de aangifte verschuldigde belasting als gevolg van een of meer gebreken absoluut en relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en de belastingplichtige zich ten tijde van het doen van aangifte daarvan bewust was of zich bewust moest zijn. Dat hiervan sprake is, moet aan de hand van de normale regels van de bewijslast worden vastgesteld. Dat betekent dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat een absoluut en relatief aanzienlijk bedrag aan belasting niet is betaald én dat belanghebbende zich daarvan ten tijde van het doen van de aangifte bewust was of zich bewust moest zijn.

19. De inspecteur voert aan dat belanghebbende in zijn aangiften ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een ROW van € 96.000 per jaar vanwege de management fee. Op 31 december 2014 is een bedrag van € 96.000 op de rekening-courant vordering van belanghebbende geboekt en op 31 augustus 2015 nog eens € 64.000. Ook tussentijds zijn er diverse mutaties geweest van de rekening-courant vordering waaruit volgt dat belanghebbende vrijelijk kon beschikken over het bedrag in de rekening-courant.

20. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de management fee niet tot zijn inkomen behoort, omdat de fee niet is betaald en dus niet door hem is genoten. Volgens belanghebbende is het kasstelsel van toepassing. Belanghebbende stelt verder dat hij voor € 783.000 betalingen heeft verricht aan en voor [naam bedrijf 1] en dat hij dus een vordering op [naam bedrijf 1] heeft. Belanghebbende heeft ter zitting een bewijsaanbod gedaan voor het bestaan van deze vordering.

21. De rechtbank overweegt als volgt. Zij gaat, gelet op het ter zitting gedane bewijsaanbod, veronderstellenderwijs uit van het bestaan van een vordering van € 783.000 van belanghebbende op [naam bedrijf 1]. Met betrekking tot deze vordering geldt dat belanghebbende op zitting heeft erkend deze vordering niet in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2016 te hebben aangegeven. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de vordering oninbaar was en dat hij de vordering daarom niet heeft aangegeven, maar belanghebbende heeft deze stelling niet onderbouwd met stukken. Op dit punt is dus reeds sprake van een gebrek in de aangifte.

22. Verder volgt uit de stukken dat belanghebbende in de jaren 2014 tot en met 2016 betalingen heeft ontvangen op zijn privé bankrekeningen afkomstig van de bankrekening van Stichting [naam stichting] (zie 10.). De betalingen zijn tot en met oktober 2015 in de rekening-courant van belanghebbende geboekt als privéopnamen ([nummer 1]). Daarnaast is in december 2014 een bedrag van € 96.000 en in augustus 2015 een bedrag € 64.000 ten titel van ‘payment mgmt fee’ in de rekening-courant van belanghebbende als storting verwerkt. Gelet op de tussen partijen gemaakte afspraak met betrekking tot de management fee (zie 4.) kan naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie worden getrokken dan dat de stortingen de overeengekomen management fee betreffen. Omdat belanghebbende ook daadwerkelijk betalingen heeft ontvangen op zijn privé bankrekeningen vindt de rechtbank het aannemelijk dat belanghebbende vrijelijk over de rekening-courant, en dus ook over de daarin geboekte management fee, kon beschikken. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit valt af te leiden dat ook in 2016 boekingen ten titel van management fee in de rekening-courant zijn gedaan en dat in 2016 privéopnamen in de rekening-courant zijn geboekt. Uit de stukken ([nummer 3]) volgen wel betalingen aan belanghebbende in 2016, onder meer ten titel van voorschot. De rechtbank is van oordeel dat, gelet hierop en gelet op de gang van zaken in 2014 en 2015, redelijkerwijs het bewijsvermoeden kan worden ontleend dat in 2016 management fee is ontvangen, dan wel recht bestond op management fee. De enkele, niet onderbouwde, stelling van belanghebbende dat deze betalingen moeten worden opgevat als een aflossing van de rekening-courantvordering van € 783.000 is dan onvoldoende om dit vermoeden te weerleggen.

23. Niet in geschil is dat op de management fee het ROW-regime van toepassing is. Artikel 3.94 van de Wet inkomstenbelasting 2001 definieert het ROW als het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden behaald met een werkzaamheid. Artikel 3.95 van de Wet IB 2001 geeft regels hoe dat resultaat moet worden bepaald. Het verklaart onder meer artikel 3.25 van de Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing, wat betekent dat de regels van goed koopmansgebruik in acht moeten worden genomen. Volgens goed koopmansgebruik worden baten en lasten toegerekend aan het tijdvak waarop zij betrekking hebben. Het kasstelsel is dus niet van toepassing, in tegenstelling tot wat belanghebbende stelt. Ook artikel 3.146 van de Wet IB 2001, waarnaar belanghebbende verwijst, is niet van toepassing op ROW. Zelfs als de management fee niet (volledig) aan belanghebbende zou zijn betaald is dat voor het ROW-regime niet relevant. Op dat moment ontstaat immers een vordering. De bate die daarmee samenhangt, had als ROW moeten worden betrokken bij de aangifte inkomstenbelasting. Dat zou anders zijn als de vordering gedurende het belastingjaar als oninbaar moest worden gekwalificeerd. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd waaruit de conclusie kan worden getrokken dat dit het geval is.

24. De inspecteur is daarom terecht uitgegaan van een ROW van € 96.000 per jaar. Gelet hierop is de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende wist dat hij de management fee van € 96.000 jaarlijks had moeten aangeven en dat, door een veel lager bedrag aan inkomen aan te geven, een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de inhoud van het tapgesprek [nummer 2]. Daaruit volgt dat belanghebbende wist dat over de management fee belasting moest worden betaald. Er is dus ook geen sprake van een pleitbaar standpunt, zoals belanghebbende stelt. Belanghebbende stelt verder nog dat hij strafrechtelijk is vrijgesproken van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften IB en dat daarom fiscaal niet kan worden verondersteld dat wel bewust onjuist is gehandeld. Uit het door belanghebbende overgelegde vonnis leidt de rechtbank niet af dat belanghebbende strafrechtelijk is vrijgesproken van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften IB. Het overgelegde vonnis ziet enkel op de tenlastelegging valsheid in geschrifte. Dat de strafzaak voor wat betreft de fiscale tenlastelegging niet-ontvankelijk is verklaard, is van geen betekenis voor de heffingssfeer. Belanghebbende heeft verder nog een beroep gedaan op het ne bis in idem beginsel, maar daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake omdat de heffing van belasting in beginsel geen ‘criminal charge’ vormt en, als dit al het geval zou zijn, dubbele bestraffing niet aan de orde is.

25. Gelet op wat in 21. tot en met 24. is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.


Zijn de navorderingsaanslagen niet te hoog?

26. De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de inspecteur niet van zijn verplichting om de door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. Uit de brief van 30 juli 2014 (zie 4.) volgt dat de management fee € 96.000 per jaar bedroeg. De inspecteur heeft de correcties daarop gebaseerd. Daarom kan niet worden gezegd dat de navorderingsaanslagen willekeurig zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft geen tegenbewijs geleverd, laat staan overtuigend aangetoond dat de correcties onjuist zijn en dat de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2014 tot en met 2016 te hoog zijn.


Heeft belanghebbende recht op schadevergoeding?

27. In de zaken 24/7646 en 24/7647 heeft belanghebbende verzocht om een schadevergoeding vanwege onrechtmatig handelen van de inspecteur. Belanghebbende stelt dat hij veel schade heeft geleden zowel zakelijk als privé.

28. De rechtbank vat dit verzoek op als een verzoek tot schadevergoeding in de zin van artikel 8:73 (oud) van de Awb. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat bij de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en in welke omvang de belastingrechter zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. De schade kan bestaan uit vermogensschade en ander nadeel. Ander nadeel bestaat erin dat de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

29. Belanghebbende heeft niet onderbouwd waaruit zijn vermogensschade of ander nadeel bestaat. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding reeds daarom af.

30. Belanghebbende heeft in alle zaken verzocht om immateriële schadevergoeding (IMSV) wegens overschrijding van de redelijke termijn. Volgens vaste rechtspraak geldt voor een uitspraak in eerste aanleg dat deze niet binnen een redelijke termijn is gedaan als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt aan op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in het beroep. De IMSV bedraagt € 500 per half jaar overschrijding.

31. De inspecteur heeft het oudste bezwaar van belanghebbende ontvangen op 8 januari 2020. Tot de datum van deze uitspraak zijn er dus afgerond zes jaren verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met vier jaren is overschreden. Dit leidt tot een IMSV van € 4.000.

32. De zaken hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp en zijn in beroep gezamenlijk behandeld, zodat naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de IMSV sprake is van samenhang. Dit brengt mee dat de IMSV van € 4.000 eenmaal, voor alle zaken samen, wordt toegekend. De overschrijding in de bezwaarfase bedraagt afgerond 42 maanden en de overschrijding in de beroepsfase zes maanden. Dat betekent dat € 3.500 voor rekening komt van de inspecteur en € 500 voor rekening van de Staat. De rechtbank zal de vergoeding toewijzen in de zaak met zaaknummer 24/4705 en in de overige zaken volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.

33. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.



Conclusie en gevolgen

34. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2014 tot en met 2016 in stand blijven.

35. Omdat de beroepen ongegrond zijn, krijgt belanghebbende geen vergoeding van zijn proceskosten. Nu wel IMSV wordt toegekend en het verzoek daartoe is gedaan vóór 31 mei 2024 krijgt belanghebbende wel het betaalde griffierecht (€ 51) terug. De inspecteur en de Staat moeten ieder daarvan de helft betalen.




Beslissing

De rechtbank:


In de zaak met zaaknummer 24/4705:

- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 3.500;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
- draagt de inspecteur op € 25,50 griffierecht aan belanghebbende te vergoeden;
- draagt de Staat op € 25,50 griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.


In de zaken met zaaknummers 24/4707, 24/4710, 24/4711, 24/7646 en 24/7647:

- verklaart de beroepen ongegrond;
- stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, voorzitter, en mr. L.L. van Benthem en mr. D. Liem, leden, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken op 17 december 2025, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.





















griffier


voorzitter









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:154.


In de zin van artikel 27e, eerste lid, van de AWR.


Hoge Raad 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2665.



Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 188.


Rechtbank Overijssel 10 juli 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:4691.


Vgl. Hoge Raad 29 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH8552.



Kamerstukken II 1992/93, 22 495, nr. 6, p. 56.


Artikel 6:95, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).


Artikel 6:106, aanhef en onder b., van het BW.


Zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.


8 x € 500.


Zie Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.


Zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Link naar deze uitspraak