|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2025:11246 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 02-01-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | AWB 25-869 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | De Dienst stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen recht heeft op compensatie op grond van vooringenomen handelen of hardheid van het wettelijk systeem. Het beroep is ongegrond. | | Trefwoorden | : | kinderopvangtoeslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/869
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. Y. Eryilmaz),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2010 tot en met 2012. Eiser is het niet eens met de uitkomst van de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de Dienst terecht geen compensatie heeft toegekend aan eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst zich terecht op het standpunt stelt dat eiser geen recht heeft op compensatie op grond van vooringenomen handelen of hardheid van het wettelijk systeem. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft verzocht om een herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2010 tot en met 2012. Met het besluit van 24 maart 2022 heeft de Dienst geen compensatie toegekend, omdat niet is gebleken dat de kinderopvangtoeslag over 2010 tot en met 2012 te laag is vastgelegd. Met het bestreden besluit van 15 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de Dienst bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van de Dienst deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande mededeling niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 29 september 2011 is aan eiser een voorschot kinderopvangtoeslag 2010 toegekend van € 2.814. Vervolgens is op 14 oktober 2011 de definitieve kinderopvangtoeslag 2010 van eiser vastgesteld op € 2.483. Eiser moet daarom een bedrag van € 331 terugbetalen.
3.1.
Op 4 mei 2011 is aan eiser een voorschot kinderopvangtoeslag 2011 toegekend van € 8.830. Op 15 februari 2012 is het voorschot gewijzigd naar € 8.379. Vervolgens is op 15 april 2014 de definitieve kinderopvangtoeslag 2011 van eiser vastgesteld op € 8.326. Eiser moet een bedrag van € 504 terugbetalen.
3.2.
Op 29 december 2011 is aan eiser een voorschot kinderopvangtoeslag 2012 toegekend van € 8.329. Vervolgens is op 21 januari 2012 de kinderopvangtoeslag 2012 van eiser vastgesteld op € 0. Eiser moet een bedrag van € 914 terugbetalen.
3.3.
Op 24 december 2019 verzoekt eiser om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2010 tot en met 2012. Met het besluit van 24 maart 2022 heeft de Dienst eiser geen compensatie toegekend omdat niet is gebleken dat de kinderopvangtoeslag over 2010 tot en met 2012 te laag is vastgelegd. Met het bestreden besluit van 15 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de Dienst bij dat besluit gebleven.Beoordelingskader
4. Op grond van artikel 2.1., eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) kent de Dienst op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is
geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
4.1.
Op grond van artikel 2.1., vierde lid, van de Wht komt een aanvrager van kinderopvangtoeslag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, niet in aanmerking voor compensatie van schade met betrekking tot een berekeningsjaar waarover minder dan € 1.500 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500 is verlaagd.
4.2.
Uit de Memorie van Toelichting bij de Wht volgt wanneer sprake is van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel. Van institutionele vooringenomenheid kan op twee niveaus sprake zijn geweest, te weten op groepsniveau en op individueel niveau. Er kan sprake zijn geweest van collectieve stopzetting van kinderopvangtoeslag zonder voorafgaande individuele beoordeling. Ook kan sprake zijn geweest van het opvragen bij belanghebbenden van grote hoeveelheden bewijsstukken over een of meerdere jaren, gevolgd door een zerotolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken met soms een tweede controle, wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing van de aanspraak op kinderopvangtoeslag was gevonden. Daarnaast kan sprake zijn geweest van het niet nader opvragen van informatie bij belanghebbenden bij een gebleken tekortkoming daarin en het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de stukken.
4.3.
Van hardheid van het stelsel is blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wht sprake als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.
Heeft de Dienst terecht geen compensatie toegekend aan eiser?
5. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden van eiser niet zijn gericht tegen de kinderopvangtoeslag over het toeslagjaar 2010. De rechtbank beoordeelt daarom alleen de kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2011 en 2012.
Toeslagjaar 2011
5.1.
Eiser stelt dat de Dienst ten onrechte geen compensatie heeft toegekend over het toeslagjaar 2011. Eiser heeft gebruik gemaakt van de diensten van het gastouderbureau Dadim. Van zijn gastouder is het nummer in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) ingetrokken en dat heeft geleid tot stopzetting van de kinderopvangtoeslag in 2011. Het intrekken van het LRK-nummer kan eiser niet worden verweten.
5.1.1.
De rechtbank is met de Dienst van oordeel dat over het toeslagjaar 2011 geen sprake is van vooringenomenheid. Eiser heeft zijn stelling dat de LRK-registratie is beëindigd doordat gebruik is gemaakt van het gastouderbureau Dadim, niet onderbouwd. Bovendien heeft de Dienst toegelicht dat zij via de GGD of de gemeente een melding krijgt van de beëindiging van de LRK-registratie. De LRK-registratie is dus niet door de Dienst zelf beëindigd. Dat de feitelijke verwerking van de melding over de beëindiging van de LRK-registratie heeft geleid tot de terugvordering, maakt niet dat sprake is van vooringenomen handelen. Omdat de terugvordering over 2011 een bedrag betreft van minder dan € 1.500 bestaat er ook geen aanleiding om compensatie toe te kennen op grond van de hardheid van de toepassing van het wettelijk systeem.
Toeslagjaar 2012
5.2.
Eiser stelt dat de Dienst ten onrechte geen compensatie heeft toegekend over het toeslagjaar 2012. Doordat de Dienst de kinderopvangtoeslag in 2011 heeft stopgezet is de kinderopvangtoeslag voor 2012 ook stopgezet. Anders dan de Dienst stelt, heeft eiser niet zelf de kinderopvangtoeslag voor 2012 stopgezet. De Dienst heeft ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat eiser de kinderopvangtoeslag zelf heeft stopgezet.
5.2.1.
De rechtbank is met de Dienst van oordeel dat over het toeslagjaar 2012 geen sprake is van vooringenomenheid. Uit de gedingstukken blijkt dat de Dienst de kinderopvangtoeslag voor 2012 stop heeft gezet na een melding door of namens eiser. In het dossier zit een XML-bestand (en de vertaling daarvan) waarvan de Dienst tijdens de zitting heeft toegelicht wat de genoemde code in het XML-bestand inhoudt. De code 009 ziet op het stopzetten door de burger zelf. Ook staat in het XML-bestand het identificatienummer van eiser vermeld en staat er dat een handtekening aanwezig is. Hieruit blijkt dat de toeslag door of namens eiser zelf is stopgezet. Dat naar aanleiding van deze melding de kinderopvangtoeslag is stopgezet en een terugvordering heeft plaatsgevonden, maakt dan ook niet dat vooringenomen is gehandeld. Omdat de terugvordering over 2012 een bedrag betreft van minder dan € 1.500 bestaat er ook geen aanleiding om compensatie toe te kennen op grond van de hardheid van de toepassing van het wettelijk systeem.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 70.
Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 71. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|