|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2025:11375 | | | | | Datum uitspraak | : | 29-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 02-01-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | AWB – 24 _ 143 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Weigering intrekking natuurvergunning kolen- en biomassacentrale Nijmegen. Belanghebbendheid Stichting MOB. De rechtbank oordeelt dat eisers geen procesbelang meer hebben omdat een nieuwe natuurvergunning is verleend die de oude natuurvergunning (waarvan om intrekking is verzocht) in het geheel vervangt. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. | | Trefwoorden | : | ammoniakemissie | | | bestemmingsplan | | | landbouw | | | perceel | | | stikstofdepositie | | | varkens | | | veeteelt | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/143
uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaak tussen
Coöperatie Mobilisation for the Environment, (hierna: Coöperatie MOB) enStichting Mobilisation for the Environment, (hierna: Stichting MOB)
beiden uit Nijmegen, eisers
(gemachtigde: mr. G.C.W. van der Feltz),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, het college
(gemachtigde: mr. S.J. van Winzum).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: ENGIE Energie Nederland B.V. uit Zwolle (hierna: ENGIE)
(gemachtigde: mr. B. de Haan).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de weigering van het college om de op 21 februari 2007 aan ENGIE verleende natuurvergunning voor een kolencentrale in [plaats] in te trekken.
De rechtbank gaat in de uitspraak eerst in op de belanghebbendheid van Stichting MOB. Omdat op 20 november 2023 een nieuwe natuurvergunning is verleend wordt vervolgens ingegaan op het procesbelang van eisers. De rechtbank komt tot de conclusie dat het procesbelang is komen te vervallen. De rechtbank behandelt daarom het beroep niet inhoudelijk.
Voorgeschiedenis en procesverloop
2. ENGIE exploiteerde aan de monding van het Maas-Waalkanaal in [plaats] op het perceel [locatie] een kolen- en biomassa gestookte elektriciteitscentrale. Het college heeft voor dit project op 21 februari 2007 aan de rechtsvoorganger van ENGIE een natuurvergunning verleend. In 2013 is het Nederlandse energieakkoord voor duurzame groei opgesteld. In dat kader heeft ENGIE eind 2015 de elektriciteitscentrale gesloten. De centrale is tussen 2017 en 2022 gesloopt. Aan de overzijde van het Maas-Waalkanaal, op een afstand van ongeveer 230 meter, ligt het Natura 2000-gebied “Rijntakken”.
2.1.
Op 13 mei 2022 heeft ENGIE een aanvraag ingediend voor een nieuwe natuurvergunning. Deze aanvraag ziet op de volgende activiteiten:
- een op gasgestookte laagimpact hybride energiecentrale met een nageschakelde techniek (deNOx-installatie) met een capaciteit van 500 MW, met de hieraan verbonden ondersteunende voorzieningen zoals een gasgestookte voorverwarmingsketel (preheater) voor de verwarming van het gas (zijnde de brandstof voor de elektriciteitscentrale) en de inname en lozing van koelwater;
- een gasgestookte warmteketel als back-up voor een warmtenet met een maximaal vermogen van 15 MWth;
- overige energiefuncties zoals opwek en opslag van duurzame energie, middels bijvoorbeeld batterijen en waterstof, vergroening van het transport over weg en water, het verduurzamen van de binnenstedelijke logistiek door onder meer elektrificatie en het leveren van warmte uit bijvoorbeeld aquathermie;
- watergebonden en waterverbonden bedrijvigheid (industrie en logistiek);
- bedrijvigheid in het kader van kennis en innovatie (bedrijfscampus).
2.2.
De ontwerp-natuurvergunning heeft vanaf 6 september 2022 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen.
2.3.
Bij brief van 26 oktober 2022 heeft Coöperatie MOB het college verzocht om de natuurvergunning van 21 februari 2007 in te trekken.
2.4.
Het college heeft op deze aanvraag de uitgebreide voorbereidingsprocedure toegepast. Op 7 augustus 2023 heeft het college een ontwerpbesluit genomen en daarin het intrekkingsverzoek geweigerd. Dit ontwerpbesluit heeft vanaf 10 augustus 2023 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen.
2.5.
Coöperatie MOB heeft een zienswijze ingediend.
2.6.
Op 20 november 2023 heeft het college aan ENGIE een nieuwe natuurvergunning verleend. Dit besluit is op grond van paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening gecoördineerd voorbereid met het bestemmingsplan verbrede reikwijdte “ [naam bestemmingsplan] ”, dat door de gemeenteraad van [plaats] op 31 januari 2024 is vastgesteld. Het college heeft aangegeven dat door de gecoördineerde voorbereiding de nieuwe natuurvergunning op 14 februari 2024 in werking is getreden.
2.7.
Tegen zowel de nieuwe natuurvergunning als het bestemmingsplan is door eisers beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).
2.8.
In het bestreden besluit van 27 november 2023 heeft het college geweigerd om de natuurvergunning van 21 februari 2007 in te trekken. Het college heeft daarbij gewezen op de parallel aan deze besluitvorming lopende besluitvorming voor de herontwikkeling van het terrein en opgemerkt dat na het vergunnen van de nieuwe aanvraag er sprake is van een zeer substantieel lagere stikstofemissie en depositie dan de stikstofemissie en depositie in de referentiesituatie (de natuurvergunning van 21 februari 2007). Het college heeft aan de hand van het beoordelingskader uit de Logtsebaan-uitspraak - kort samengevat - overwogen dat een pakket aan maatregelen wordt genomen om te komen tot een stikstofreductie, zodat intrekking van deze natuurvergunning niet nodig is als passende maatregel.
2.9.
Coöperatie MOB en Stichting MOB hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.10.
Op 13 oktober 2025 heeft het college naar aanleiding van de rechtspraakwijziging in de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 een besluit genomen op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarmee de natuurvergunning van 20 november 2023 wordt gewijzigd. Aan dit wijzigingsbesluit is een aangepaste passende beoordeling ten grondslag gelegd.
2.11.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
Namens eisers [persoon A] , [persoon B] en mr. G.C.W. van der Feltz.
Namens het college mr. S.J. van Winzum en mr. C.F. Geerdes.
Namens vergunninghouder [persoon C] en mr. B. de Haan.
Beoordeling door de rechtbank
Belanghebbendheid Stichting MOB
3. De aanvraag is ingediend door Coöperatie MOB. De zienswijze tegen het ontwerpbesluit is ook alleen ingediend door Coöperatie MOB en niet door Stichting MOB.
3.1.
Als Stichting MOB belanghebbende is bij het besluit van 27 november 2023, heeft ook zij ten aanzien van dat besluit toegang tot de bestuursrechter. De omstandigheid dat zij geen zienswijze naar voren heeft gebracht naar aanleiding van het ontwerpbesluit staat daaraan niet in de weg, omdat sprake is van een omgevingsrechtelijk besluit dat is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Naar aanleiding van de Europese rechtspraak over de zaak Varkens in Nood wordt door de Nederlandse bestuursrechter aan belanghebbenden niet tegengeworpen – in afwijking van artikel 6:13 van de Awb – dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht.
3.2.
Als Stichting MOB géén belanghebbende is bij het besluit van 27 november 2023 ligt dit anders. Niet-belanghebbenden kunnen tegen een omgevingsrechtelijk besluit namelijk alleen beroep instellen als zij een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht of als hen niet kan worden verweten dat zij dat hebben nagelaten.
3.3.
Voor het antwoord op de vraag of de rechtbank het beroep van stichting MOB inhoudelijk kan beoordelen, is dus bepalend of zij belanghebbende is bij het besluit van 27 november 2023. Als Stichting MOB geen belanghebbende is en het kan haar worden verweten dat zij geen zienswijze heeft ingediend, dan is haar beroep niet-ontvankelijk en stopt de procedure voor de Stichting.
3.4.
In artikel 1:2 van de Awb staat wie belanghebbende is. Dat is degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Bij rechtspersonen worden als hun belangen ook beschouwd de algemene belangen die zij in het bijzonder behartigen. Daarvoor moet worden gekeken naar 1) hun doelstellingen en 2) naar hun feitelijke werkzaamheden.
3.5.
Op deze manier heeft de wetgever het mogelijk gemaakt dat ideële organisaties – zoals Stichting MOB – zaken aan de bestuursrechter kunnen voorleggen om op te komen voor het algemene belang. Aan de andere kant is het niet de bedoeling van de wetgever geweest dat hierdoor iedereen zomaar toegang tot de bestuursrechter krijgt. De combinatie van doelstellingen en feitelijke werkzaamheden werpt daartegen een drempel op en om die reden moeten die feitelijke werkzaamheden er ook echt zijn. In de rechtspraak wordt dit zo uitgelegd, dat het niet voldoende is als een organisatie alleen maar rechtelijke procedures voert.
3.6.
De doelstellingen van Stichting MOB staan in haar statuten. In artikel 2 staat het volgende:
“De Stichting heeft als hoofddoel:
de bescherming van natuur en milieu inclusief klimaat, biodiversiteit en volksgezondheid, en
de bevordering van de democratische rechtsorde.
De hiervan afgeleide doelen zijn:
“Het in overeenstemming met het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 3, lid 3 "een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu" te bevorderen, én tevens de democratische rechtsorde te bevorderen door:
behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu,
bescherming leefklimaat en gezondheid, bevordering van gezonde voeding;
het nemen van maatregelen om lokale, regionale of mondiale milieuproblemen, aan te pakken waarbij de focus primair op Nederland is gericht;
het streven naar goede wettelijke regelingen met betrekking tot het leefmilieu
van de mens en de kwaliteit van de natuur, en het bevorderen van de naleving ervan;
het stoppen dan wel beperken van verdere teruggang van biodiversiteit in Europa, en in Nederland in het bijzonder;
het bevorderen van een tijdige en juiste implementatie van Europese richtlijnen, zoals de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, alsmede de richtlijnconforme naleving daarvan, waarbij de werkzaamheden van de stichting in Nederland focussen op met name het bevorderen van de verbetering van de staat van instandhouding van de natuur door o.a. (1) een systematische verlaging van stikstofdeposities afkomstig van industrie, landbouw en veeteelt op natuurgebieden in het gehele land, (2) verhoging van de grondwaterstrand, (3) bescherming tegen bestrijdingsmiddelen en (4) alle andere maatregelen die noodzakelijk zijn om de staat van instandhouding van alle Nederlandse natuur te verbeteren, en (5) klimaatverdragen en wetgeving;
het bevorderen van een tijdige en juiste implementatie van overige Europese richtlijnen zoals bijvoorbeeld de RIE, Kaderrichtlijn Water, Richtlijn Luchtkwaliteit, Europese Verordening Gewasbeschermingsmiddelen en andere relevante richtlijnen, evenals de relevante BREF's, alsmede de richtlijnconforme naleving daarvan;
bescherming van het leefklimaat en de gezondheid van de mens;
behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen;
het bevorderen van de toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden om bij te dragen aan de bescherming van het recht van elk persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn.”
Deze doelstellingen zijn gericht op het behartigen van algemene belangen zoals bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb. De Natura 2000-gebieden waarop de energiecentrale gevolgen heeft liggen ook binnen de territoriale begrenzing van de doelen van Stichting MOB en de belangen bij het intrekken van een natuurvergunning horen tot de belangen die de Stichting volgens haar statuten behartigt.
3.7.
De rechtbank heeft Stichting MOB gevraagd om schriftelijk inlichtingen te geven over haar feitelijke werkzaamheden. De rechtbank zag daar aanleiding toe omdat de belanghebbendheid van Stichting MOB, anders dan die van de Coöperatie MOB, voor zover de rechtbank bekend, nog niet eerder is beoordeeld. Omdat de Stichting MOB op 10 mei 2023 is opgericht en het bestreden besluit is genomen op 27 november 2023, is er sprake van een relatief korte termijn tussen de oprichting en het einde van de beroepstermijn waarin de feitelijke werkzaamheden kunnen zijn verricht.
3.8.
Stichting MOB heeft op 7 juli 2025 een reactie naar de rechtbank toegezonden. Naar aanleiding van een vervolgvraag van de rechtbank om specifieker in te gaan op de periode tussen de oprichting en het einde van de beroepstermijn heeft Stichting MOB vervolgens op 29 juli 2025 een nadere reactie met daarbij behorende stukken toegezonden.
Dit zijn de volgende stukken:
publicatie in “de Boerderij” van 23 augustus 2023;
Deense publicatie door en over MOB van 20 oktober 2023;
Akte van compromis over ammoniakemissie van 6 juli 2023;
Brandbrief internationale bosgroepen van 30 november 2023;
Brief aan programmamakers Energieman en Vroege vogels van 15 november 2023;
Paper voor radioprogramma Argos van 19 augustus 2023;
Verslag in “de Boerderij” van rondetafelgesprek in de Tweede Kamer van 14 september 2023;
Brief aan [persoon D] (Tweede kamerlid Christenunie) inzage zorg voor de schepping van 5 november 2023;
Brief aan voorzitter Raad voor de leefomgeving inzake uitnodiging voor overleg van 17 augustus 2023;
programma “Medicijn voor de natuur”(Pakhuis de Zwijger, 18 december 2023);
Verzoek deelname MOB aan podcast van 5 oktober 2023;
mailverkeer inzake correspondentie met LTO van 5 december 2023;
toezending rapportage over extern salderen van de Universiteit van Amsterdam van 30 juni 2023.
Stichting MOB heeft hierbij aangegeven dat MOB zich sinds de oprichting van de Stichting MOB systematisch presenteert als de Coöperatie MOB en de stichting MOB. Alle publicaties en activiteiten betreffen daarom (ook) de stichting MOB.
3.9.
Het gaat hier om uiteenlopende werkzaamheden die Stichting MOB verricht. Deze werkzaamheden zijn in ieder geval ook gericht op het beperken van stikstofdepositie en op de maatschappelijke discussie over de noodzaak daartoe. De feitelijke werkzaamheden houden dan ook verband met het algemene belang waarvoor Stichting MOB in deze procedure opkomt. Uit de lijst van stukken blijkt bovendien dat de werkzaamheden doorlopend worden verricht en actueel zijn.
Tussenconclusie
3.10.
De Stichting MOB is gelet op de doelstellingen en de feitelijke werkzaamheden naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.
Hebben eisers procesbelang?
4. Procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat diegene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft degene die opkomt tegen een besluit procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of (hoger) beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
4.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat door de inwerkingtreding van de nieuwe natuurvergunning het procesbelang van eisers bij de intrekking van de oude natuurvergunning is komen te vervallen. Volgens het college worden de activiteiten die op het ENGIE-terrein mogen plaatsvinden inmiddels geheel gereguleerd door de nieuwe natuurvergunning en niet meer door de oude natuurvergunning. De uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 laten zien dat een natuurvergunning betrekking heeft op het volledige project zoals dat na wijziging zal plaatsvinden en dat een dergelijke (nieuwe) natuurvergunning de nieuwe referentiesituatie vormt. Aan de oude natuurvergunning komt daardoor in het geheel geen betekenis meer toe. Daarmee kan niet meer gesproken worden van een situatie waarin eisers nog een actueel en reëel belang hebben bij de behandeling van hun beroep tegen het weigeringsbesluit, aldus het college. Ter onderbouwing van hun standpunt verwijst het college naar een uitspraak van de Afdeling, een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland en een uitspraak van de rechtbank Gelderland.
4.2.
Eisers stellen dat zij belang houden bij hun intrekkingsverzoek omdat de oude natuurvergunning dient als basis voor de interne saldering in de passende beoordeling bij het herstelbesluit. Daarnaast is het volgens eisers mogelijk dat de nieuwe natuurvergunning door de Afdeling zal worden vernietigd. Eisers hebben verder nog gewezen op pagina 9 van het herstelbesluit van 24 september 2025, waarin staat dat in de nieuwe natuurvergunning ook toepassing is gegeven aan artikel 5.4 van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb).
4.3.
In de eerder genoemde uitspraken van 18 december 2024 heeft de Afdeling overwogen dat de aanvraag voor een natuurvergunning betrekking heeft op het gehele project na wijziging, dus inclusief de ongewijzigde onderdelen van een project die worden voortgezet. Bij een geheel nieuw project ziet de aanvraag op dat nieuwe project. De rechtbank leidt hieruit af dat een nieuwe natuurvergunning ziet op het gehele project en dat het dus niet mogelijk is om met toepassing van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb een wijzigings-natuurvergunning te verlenen. De nieuwe natuurvergunning vervangt de oude natuurvergunning immers in zijn geheel.
Voor zover eisers hebben betoogd dat uit de nieuwe natuurvergunning van 20 november 2023 volgt dat de oude natuurvergunning van 21 februari 2007 niet is vervangen, overweegt de rechtbank dat uit de nieuwe natuurvergunning, en het herstelbesluit van 24 september 2025, inderdaad lijkt te volgen dat het college zich in die natuurvergunning op het standpunt stelt dat de oude natuurvergunning zijn werking behoudt. Het college heeft namelijk gelijktijdig toepassing gegeven aan artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb én artikel 5.4, eerste lid, van de Wnb en in de conclusie op pagina 19 staat het volgende: “Wij hebben op grond van het vorenstaande en een passende beoordeling de zekerheid verkregen dat het project geen significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden. Wij verlenen de vergunning op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. Op grond van artikel 5.4 Wet natuurbescherming wijzigen wij met dit besluit de vergunning van 21 februari 2007, met kenmerk 2006-019684.”
In voorschrift 16 van de nieuwe vergunning staat verder het volgende: “Dit besluit wijzigt het besluit van 21 februari 2007 met zaaknummer 2006-019684. Het is niet toegestaan de eerder vergunde kolen en biomassa gestookte installatie wederom in werking te stellen.”
De juistheid van de nieuwe natuurvergunning en de daarin opgenomen voorschriften liggen in deze procedure echter niet voor. Het is aan de Afdeling om daarop in het beroep tegen de nieuwe natuurvergunning in te gaan. Deze natuurvergunning kan bovendien niets afdoen aan de omstandigheid dat de werking van een vergunning volgt uit de wet, en niet uit een vergunning.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is de oude natuurvergunning vervangen door de nieuwe natuurvergunning. Als de rechtbank het bestreden besluit zou vernietigen, en het college dus een nieuw besluit op de aanvraag zou moeten nemen, dan zou het college de aanvraag slechts kunnen weigeren. De natuurvergunning waarvan om intrekking is verzocht bestaat immers niet meer. Voor zover eisers op de zitting naar voren hebben gebracht dat de oude natuurvergunning met terugwerkende kracht moet worden ingetrokken, overweegt de rechtbank dat dit een uitbreiding van het aan dit geschil ten grondslag liggende verzoek tot intrekking van de vergunning is.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat eisers hun doel, intrekking van de oude natuurvergunning, niet langer kunnen bereiken. Een eventuele vernietiging van de nieuwe natuurvergunning voor een nieuw project betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis, die niet maakt dat op dit moment procesbelang bestaat.
Verzoek om schadevergoeding redelijke termijn
5. Eisers hebben in de reactie van 16 oktober 2025 verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat van een overschrijding van de redelijke termijn in dit geval geen sprake is. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. In deze zaak maakt een bezwaarprocedure geen deel uit van de procedure, omdat het besluit is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. De redelijke termijn voor de procedure bij de rechtbank bedraagt in dergelijke procedures twee jaar en begint te lopen bij het instellen van het beroep. De rechtbank heeft het beroep ontvangen op 6 januari 2024. De rechtbank heeft binnen twee jaar na die datum uitspraak gedaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van hun proceskosten. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af omdat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, voorzitter, en mr. G.A. van der Straaten en mr. S.E.M. Lichtenberg, leden, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71.
ECLI:NL:RVS:2024:4909 en ECLI:NL:RVS:2024:4923.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, overweging 4.8.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, overweging 4.7.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:957, overweging 4.2.
Dat kan de rechtbank in de fase van het vooronderzoek doen op grond van artikel 8:45, eerste lid, van de Awb.
Zie ter vergelijking de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 juni 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:3813.
ECLI:NL:RVS:2025:5310
ECLI:NL:RBNHO:2025:8382.
ECLI:NL:RBGEL:2025:8973.
De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling van 7 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM0213 en 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1759 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|