|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2025:12070 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-05-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 14-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | ARN 25/1412 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | voorlopige voorziening, Omgevingswet, pre-mantelzorgwoning. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | aow | | | bedrijfswoning | | | bestemmingsplan | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1412
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten
(gemachtigde: B. Witjes).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van de gevraagde omgevingsvergunning voor het gebruiken van een bedrijfswoning als pre-mantelzorgwoning aan de [adres] in Aalten. Verzoekers zijn het hier niet mee eens en hebben bezwaar gemaakt. Zij verzoeken om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekers hebben op 3 september 2024 een aanvraag ingediend voor het gebruiken van een bestaande bedrijfswoning als pre-mantelzorgwoning aan [adres] in Aalten. Het gaat om een aanvraag met de activiteit afwijken van regels in het omgevingsplan. In de hoofdwoning op het perceel zijn de broer van verzoeker en zijn echtgenote woonachtig. Zij zijn bereid om in de toekomst de zorg voor verzoekers op zich te nemen.
2.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 januari 2025 afgewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 april 2025 op een online zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
3. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers een voldoende spoedeisend belang hebben bij het verzoek om een voorlopige voorziening, nu zij niet langer op de huidige woonplek mogen verblijven, zij de pre-mantelzorgwoning niet kunnen betrekken en zij onvoldoende financiële middelen hebben om in Nederland woonruimte te betrekken.
Juridisch kader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in
werking getreden. Nu de aanvraag voor een omgevingsvergunning na 1 januari 2024 is
ingediend, is op de aanvraag de Omgevingswet (Ow) van toepassing.
4.1.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
4.2.
Op het perceel is het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 2015” van toepassing. Volgens dit bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming “Agrarisch met waarden”. Daarnaast heeft het perceel de gebiedsaanduiding “Overige zone - groene ontwikkelingszone”.
4.3.
In artikel 4.1.1 van de planregels is opgenomen waarvoor de voor “Agrarisch met waarden” aangewezen gronden bestemd zijn. Gebruik als pre-mantelzorgwoning valt daar niet onder.
4.4.
In de “beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten over pre-mantelzorgwoningen” is opgenomen onder welke voorwaarden een pre-mantelzorgwoning kan worden gerealiseerd.
Kan de afwijzing van de vergunning door het college in stand blijven?
5. Niet in geschil is dat het gebruik van een bedrijfsgebouw als pre-mantelzorgwoning volgens de geldende planregels niet is toegestaan.
5.1.
Onder voorwaarden kan op het perceel alsnog een pre-mantelzorgwoning worden gerealiseerd. Het college heeft daartoe op 1 oktober 2024 voormelde beleidsregel voor pre-mantelzorgwoningen vastgesteld.
De pre-mantelzorgwoning is bestemd voor inwoners vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd die binnen het eigen sociale netwerk (vaak familie) lichte zorg ontvangen. Zij verklaren ook samen dat ze deze zorg onderling gaan verlenen als die aan de orde komt.
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat verzoekers voldoen aan de in het beleid opgenomen vereisten voor “bewoners”, maar dat niet wordt voldaan aan de vereisten voor “het gebouw”. De maximale oppervlakte van een pre-mantelzorgwoning mag namelijk maximaal 100 m² bedragen, met dien verstande dat bij permanente bebouwing de maximale oppervlakte zoals opgenomen in het Omgevingsplan Aalten niet overschreden mag worden. Daarnaast mag de maximale afstand tussen de hoofdwoning en de pre-mantelzorgwoning 25 meter bedragen. Tussen partijen is niet in geschil dat de oppervlakte van de pre-mantelzorgwoning meer dan 100 m² bedraagt en dat deze woning op meer dan 25 meter afstand van de hoofdwoning ligt.
Nu de aanvraag niet voldoet aan de vereisten die het beleid stelt voor het verlenen van een vergunning voor een pre-mantelzorgwoning heeft het college de aanvraag afgewezen.
5.3.
Verzoekers stellen zich op het standpunt dat zij een groot belang hebben bij het bewonen van de pre-mantelzorgwoning. Zij wijzen op hun medische en financiële problemen en ook op het feit dat zij eerder voor dezelfde woning een vergunning voor het gebruik als mantelzorgwoning hebben gehad. Het college kan afwijken van de in de beleidsregels gestelde maximale oppervlakte en afstand. Volgens verzoekers is het college in het verleden vaker van de beleidsregels afgeweken.
De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekers de stelling dat het college vaker af heeft geweken niet hebben onderbouwd. Het college betwist dit en stelt expliciet nooit te hebben afgeweken. Daarbij heeft het college te kennen gegeven in verband met precedentwerking niet van de beleidsregels af te willen wijken. Daarom wil het college de maximale oppervlakte en maximale afstand strikt toepassen. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in algemene zin geen onredelijk standpunt.
Wel acht de voorzieningenrechter de specifieke situatie van verzoekers van belang. Op de onderbouwde medische problemen van verzoekers is het college in het bestreden besluit niet ingegaan. Dat geldt ook voor de vraag of het eerdere gebruik als mantelzorgwoning aanleiding is om in dit specifieke geval toch van de beleidsregel af te wijken voor de maximale afstand en het maximale oppervlakte. Ook nu de beleidsregel geen hardheidsclausule (meer) bevat, moet het college bij de toepassing van het beleid, gelet op artikel 4:84 van de Awb, de evenredigheid in het concrete geval beoordelen en heeft het de verplichting om te beoordelen of sprake is van bijzondere omstandigheden die dwingen tot afwijking van de beleidsregel. Het college zal hier in het besluit op bezwaar nader op in moeten gaan. De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, nu dit mogelijk met een aanvullende motivering alsnog leidt tot weigering van de vergunning. Deze grond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De rechter en de griffier zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|