|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2025:5554 | | | | | Datum uitspraak | : | 14-07-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 27-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | AWB- 25_979 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | Beroep tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag voor aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade in het kader van de herstelregeling kinderopvangtoeslag. Het beroep is gegrond omdat de Dienst Toeslagen niet binnen de beslistermijn heeft beslist. De rechtbank stelt de nadere beslistermijn vast op zes weken na het verzenden van deze uitspraak en legt een rechterlijke dwangsom op. | | Trefwoorden | : | kinderopvangtoeslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/979
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres] uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. O.E. Usma),
en
de Dienst Toeslagen.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat de dienst volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek van 1 augustus 2023 om aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) in het kader van de herstelregeling kinderopvangtoeslag.
1.1.
Met het formulier van 14 augustus 2024 heeft eiseres de dienst in gebreke gesteld. De rechtbank heeft op 21 februari 2025 het beroep van eiseres tegen het niet op tijd nemen van een besluit ontvangen. Eiseres stelt dat de dienst niet binnen de beslistermijn en ook niet binnen twee weken na de ingebrekestelling op haar verzoek om aanvullende schadevergoeding heeft beslist.
1.2.
De dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Het is niet nodig dat partijen op een zitting worden gehoord. Het beroep is namelijk kennelijk ontvankelijk en gegrond. Daarom gaat de rechtbank voorbij aan het verzoek van eiseres om een zitting. De rechtbank sluit dus het onderzoek en doet zonder zitting uitspraak. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaarschrift (de zogenoemde ingebrekestelling). Als het bestuursorgaan na die twee weken nog steeds geen besluit heeft genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. De dienst moet binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek een beslissing hierop nemen. De dienst mag deze termijn één keer – zonder overleg met of toestemming van eiseres – verlengen met zes maanden. Uit de brief van 29 januari 2024 blijkt dat de dienst van deze verlengingsmogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Uit die brief volgt ook dat de dienst het verzoek van eiseres om aanvullende schadevergoeding op 1 augustus 2023 heeft ontvangen. Dit betekent dat de beslistermijn eindigt op 1 augustus 2024.
3.1.
Partijen zijn het erover eens dat de dienst niet binnen de beslistermijn heeft beslist. Na afloop van de beslistermijn heeft eiseres de dienst in gebreke gesteld. Het beroepschrift heeft de rechtbank meer dan twee weken daarna ontvangen. Omdat de dienst niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op 19 augustus 2024 op het verzoek om aanvullende schadevergoeding heeft beslist, en nog altijd niet heeft beslist, is het beroep ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn moet aan de dienst worden opgelegd?
4. Als het beroep gegrond is en het bestuursorgaan nog geen besluit bekendgemaakt heeft, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.
4.1.
De dienst heeft nog (steeds) geen besluit genomen. De dienst moet dit alsnog doen. De dienst heeft in het verweerschrift aangevoerd dat sprake is van een bijzonder geval en daarom om een langere beslistermijn verzocht. De dienst verzoekt daarbij de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2024 te volgen.
4.2.
De rechtbank legt in beroepen tegen het niet tijdig nemen van besluiten op aanvragen als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht nadere beslistermijnen op die overeenstemmen met de uitgangspunten geformuleerd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2023.
4.3.
In die uitspraak van 23 augustus 2023 splitst de Afdeling de beslistermijn voor aanvragen als bedoeld onder 4.1 op in twee termijnen vanwege de verplichting van de dienst tot het toezenden van een vooraankondiging bij besluiten die zien op de integrale beoordeling. Hierbij bepaalt de Afdeling een termijn van twaalf weken na de datum van het verweerschrift voor het toezenden van een vooraankondiging en daarna nog twee weken voor het nemen van het definitieve besluit. Bij besluiten die zien op aanvullende schadevergoeding hoeft de dienst echter geen vooraankondiging aan de ouder toe te zenden. Bij dergelijke verzoeken hoeft de beslistermijn dan ook niet te worden opgesplitst.
4.4.
De dienst heeft op 3 maart 2025 een verweerschrift ingediend. In beginsel geldt een termijn van veertien weken na de datum van het verweerschrift om een besluit op het verzoek om aanvullende schadevergoeding aan eiseres toe te zenden. Omdat van deze termijn op de dag van verzending van deze uitspraak meer dan acht weken zijn verstreken, bepaalt de rechtbank dat de dienst binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op het verzoek om aanvullende schadevergoeding aan eiseres moet toezenden.
Welke dwangsom legt de rechtbank op aan de dienst?
5. Bij een gegrond beroep bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Hierover hebben de rechtbanken landelijk beleid vastgesteld. Het landelijk beleid biedt enkel ruimte om in bijzondere gevallen af te wijken, bijvoorbeeld bij een zeer groot belang.
5.1.
De dienst heeft in het verweerschrift om een lagere dwangsom verzocht. De dienst verzoekt daarbij de eerder genoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam te volgen. Eiseres heeft in het beroepschrift primair verzocht om een hogere dwangsom vast te stellen en subsidiair verzocht om twee weken na deze uitspraak een voorlopig voorschot van € 15.000 toe te kennen.
5.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het landelijk beleid. Dit omdat de dienst in de meerderheid van de gevallen wel alsnog een besluit neemt op aanvragen binnen de opgelegde nadere beslistermijn. De rechtbank ziet in wat eiseres en de dienst in deze zaak hebben aangevoerd geen grond om tot een ander oordeel te komen. Dit betekent dat de dienst een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nog wordt overschreden door de dienst. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de dienst de onder 4.4 genoemde termijnen krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de dienst de onder 5.2 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, moet de dienst het griffierecht aan eiseres vergoeden. Daarbij krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten. De dienst moet die vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de dienst de beslistermijn heeft overschreden. De rechtbank ziet geen grond voor een lager bedrag voor deze vergoeding, zoals door de dienst voorgesteld. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de dienst op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het verzoek om aanvullende schadevergoeding aan eiseres bekend te maken;
bepaalt dat de dienst aan eiseres een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee de dienst de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
bepaalt dat de dienst het griffierecht van € 53 aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt de dienst tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van J.E. Heuven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Dit staat in artikel 6.2, eerste lid, van de Wht.
Dit volgt uit artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
Rechtbank Rotterdam 15 juli 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6560.
ABRvS 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3209.
Dit volgt uit artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie [website] | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|