|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:2052 | | | | | Datum uitspraak | : | 11-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | AWB 22/3974 22/3980 22/4014 22/4015 en 23/4204 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | De inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen IB/PVV opgelegd voor de jaren 2009 tot en met 2012. De inspecteur heeft voor alle jaren een verkapte dividenduitkering in aanmerking genomen vanwege de leningen die belanghebbende bij zijn vennootschap(pen) had en enkele rechtshandelingen die de vennootschap(pen) hebben verricht. Voor de jaren 2011 en 2012 heeft de inspecteur de leningen bij de vennootschap(pen) niet in aanmerking genomen als box 3 schuld, omdat de leningen fiscaal zijn geherkwalificeerd als winstuitkering. De rechtbank is van oordeel dat voor de jaren 2009 en 2011 de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard vanwege een onherroepelijke informatiebeschikking. Belanghebbende heeft onvoldoende gedaan om alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te overleggen en daardoor is deze bewijsrechtelijke sanctie ook proportioneel. De redelijke schatting van de inspecteur voor 2009 laat de rechtbank in stand. Voor 2011 is de rechtbank van oordeel dat geen sprake kan zijn van een verkapte dividenduitkering omdat geen sprake is van winst, winstreserves of te verwachte winst in de vennootschap(pen). Het in aanmerking nemen van een verkapte winstuitdeling is dan niet redelijk. De schatting van het box 3 inkomen blijft wel in stand. Voor 2012 is geen sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast omdat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij belanghebbende heeft uitgenodigd en aangemaand voor het doen van aangifte IB/PVV over dat jaar. Van een verkapte dividenduitkering is in 2012 geen sprake, omdat in dat jaar geen onttrekking heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft wel aannemelijk gemaakt dat het box 3 inkomen hoger moet worden vastgesteld. De beroepen betreffende de aanslagen IB/PVV 2011 en 2012 zijn gegrond. Het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2009 is ongegrond. Het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2010 is eveneens ongegrond. De inspecteur heeft het bezwaar tegen die aanslag niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij verschoonbaar te laat bezwaar heeft gemaakt. | | Trefwoorden | : | aanmerkelijk belang | | | belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang | | | belastbaar inkomen uit sparen en beleggen | | | belastbaar inkomen uit werk en woning | | | bevoordelingsbedoeling | | | box 3 | | | fiscale eenheid | | | heffingsrente | | | inkomstenbelasting | | | paarden | | | vennootschapsbelasting | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 22/3974, 22/3980, 22/4014, 22/4015 en 23/4204
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 11 maart 2026
in de zaken tussen
[curator] , curator in het faillissement van [belanghebbende] , kantoorhoudend in [plaats] , de curator
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Almelo, de inspecteur.
Inleiding
De inspecteur heeft aan [belanghebbende] (belanghebbende) de volgende aanslagen opgelegd:
Een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2009 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 331.477 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 64.050.000. Daarnaast is een bedrag van € 1.891.472 aan heffingsrente in rekening gebracht (22/3974).
Een voorlopige aanslag IB/PVV over het jaar 2010 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 332.000 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 45.940.453. Daarnaast is een bedrag van € 455.799 aan heffingsrente in rekening gebracht (22/3980).
Een aanslag IB/PVV over het jaar 2010 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 262.072, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 45.940.453 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 173.257 (23/4204).
Een aanslag IB/PVV over het jaar 2011 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 312.374, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 81.329.338 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 800.462. Daarnaast is een bedrag van € 976.038 aan heffingsrente in rekening gebracht (22/4014).
Een aanslag IB/PVV over het jaar 2012 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.063, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 56.412.810 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 173.257. Daarnaast is een bedrag van € 2.035.279 aan heffingsrente in rekening gebracht (22/4015).
Bij uitspraken op bezwaar van 28 juni 2022 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de voorlopige aanslag IB/PVV 2010 niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 2011 en 2012 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak op bezwaar van 12 juli 2022 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2009 gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang verminderd tot € 50.000.000. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is gehandhaafd.
Bij uitspraak op bezwaar van 4 april 2023 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2010 niet-ontvankelijk verklaard.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 3 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de curator, bijgestaan door de gemachtigde, en namens de inspecteur [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] , [persoon D] en [persoon E] .
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen er onderling middels een compromis uit te komen.
Belanghebbende heeft, zonder tussenkomst van de curator, naar aanleiding van het voorgenomen compromis nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn door de rechtbank teruggestuurd, omdat hij geen procespartij bij deze zaak is en dus niet zonder tussenkomst van de curator stukken kan indienen.
De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 17 januari 2025 geen toestemming gegeven voor het compromis zoals door partijen werd beoogd. De gemachtigde heeft de rechtbank op 13 februari 2025 verzocht om het onderzoek ter zitting te heropenen.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend en de beroepen op 30 september 2025 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de curator, bijgestaan door de gemachtigde, en namens de inspecteur [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] .
Feiten
1. Belanghebbende is indirect eigenaar van 50% van de aandelen [naam bedrijf 1] ( [naam bedrijf 1] ). De overige aandelen zijn middellijk in eigendom van de twee kinderen van belanghebbende. Belanghebbende was tot en met 7 juni 2012 enig bestuurder van [naam bedrijf 1] .
2. [naam bedrijf 1] is de moedermaatschappij van een fiscale eenheid vennootschapsbelasting ( [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] ) waarvan [naam bedrijf 2] ( [naam bedrijf 2] ) en haar dochtermaatschappijen deel uitmaken. [naam bedrijf 2] werd vanaf 1 december 2008 bestuurd door [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 3] . Uit het onderzoek van de curator van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] is gebleken dat [naam bedrijf 3] feitelijk geen bemoeienis met het bestuur van [naam bedrijf 2] had.
3. De bezittingen en schulden (in euro’s) van belanghebbende zijn in de jaren 2008 tot en met 2012 als volgt:
Ultimo
2008
2009
2010
2011
2012
Bank en overig
1.800.855
1.198.410
3.644.951
3.896.732
77.416
[naam bank 1] effecten
30.300.556
37.024.719
36.816.389
25.864
0
[naam bank 2] effecten
0
43.113.264
32.492
34.141
0
Totaal bezittingen
32.101.411
81.336.393
40.493.832
3.956.737
77.416
[naam bedrijf 2] rc
0
-/- 1.337
18.643
8.722.583
2.822.406
[naam bedrijf 2] lening
0
0
0
4.500.000
4.500.000
[naam bedrijf 1] rc
21.469.804
41.938.169
17.557.181
19.571.802
19.571.802
[naam bedrijf 1] lening
0
28.383.272
28.383.272
29.518.603
29.518.603
Totaal schuld [fiscale eenheid vennootschapsbelasting]
21.469.804
70.320.104
45.959.096
62.312.988
56.412.811
[naam bank 1] krediet
60.000.000
30.000.000
19.969.286
0
0
Onbekend
1.535
0
404.728
0
0
Totaal schulden
81.471.339
100.320.104
66.333.110
62.312.988
56.412.811
Totaal vermogen box 3
-/- 49.369.928
-/-18.983.711
-/-25.839.278
-/- 58.356.251
-/- 56.335.395
Mutatie vermogen
30.386.217
-/- 6.855.567
-/- 32.516.973
2.020.856
4. Belanghebbende heeft in 2007 een bedrag van € 40 miljoen geleend van [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] en daarmee in privé een effectenportefeuille bij [naam bank 1] aangekocht, voornamelijk bestaande uit aandelen [naam bedrijf 4] , [naam bedrijf 5] , [naam bedrijf 6] en [naam bedrijf 7] . In het najaar 2008 heeft belanghebbende € 20 miljoen geleend van [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] en aandelen [naam bedrijf 6] en [naam bedrijf 5] bijgekocht. De waarde van de effectenportefeuille is per 31 oktober 2008 afgenomen naar € 24 miljoen.
5. Belanghebbende heeft in augustus 2008 [naam bank 1] gevraagd om een krediet van € 60 miljoen om hiermee de schuld aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] af te lossen tot ruim € 21 miljoen. Het kredietverzoek is, nadat het in eerste instantie is afgewezen, door [naam bank 1] op 19 december 2008 verstrekt tegen een effectieve rente van 4,674% per jaar. [naam bank 1] heeft daarbij de volgende zekerheden bedongen: a) verpanding van de effectenportefeuille van belanghebbende, en b) borgstelling door [naam bedrijf 2] (voor een bedrag van het verschil tussen de hoofdsom van het krediet en de waarde van de effectenportefeuille). Ook is afgesproken dat via een dividenduitkering uit [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] uiterlijk 15 januari 2009 € 20 miljoen afgelost moest worden en uiterlijk 1 oktober 2009 nogmaals € 10 miljoen.
6. Belanghebbende heeft in 2009 zeven leningsovereenkomsten afgesloten bij [naam bedrijf 1] voor een totaal bedrag van € 33.490.000. In de loop van 2009 is afgerond € 5,1 miljoen afgelost op de leningen, waardoor eind 2009 een schuld van € 28.383.272 resteerde. In 2011 heeft belanghebbende € 4,5 miljoen geleend van [naam bedrijf 2] .
7. Eind 2009 heeft [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] volgens de door haar namens de fiscale eenheid ingediende aangifte vennootschapsbelasting (vpb) een (fiscale) winstreserve van € 89.674.556.
8. Op 4 januari 2011 heeft [naam bedrijf 2] een bedrag van € 2.050.000 onverschuldigd betaald aan [naam bedrijf 8] ( [naam bedrijf 8] ). [persoon F] is directeur en enig aandeelhouder van [naam bedrijf 8] , zij is tevens de echtgenote van belanghebbende. Er is in een buitengewone vergadering van aandeelhouders afgesproken dat [naam bedrijf 8] dit bedrag niet aan [naam bedrijf 2] zal terugbetalen.
9. [naam bedrijf 2] is enig aandeelhouder van [naam bedrijf 9] ( [naam bedrijf 9] ). Op 1 december 2011 heeft [naam bedrijf 2] alle aandelen [naam bedrijf 9] voor € 7 miljoen verkocht aan [naam bedrijf 10] , waarvan de zoon van belanghebbende enig aandeelhouder is. Het vermogen van [naam bedrijf 9] bedroeg ten tijde van de overdracht bijna € 21 miljoen. Het vermogen kan worden gesplitst in bijna € 3,4 miljoen voor onroerende en roerende zaken en ruim € 17,5 miljoen voor 92 paarden.
10. [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] heeft in 2011 alle aandelen Hotel Restaurant “ [naam hotel/restaurant] ” B.V. ( [naam hotel/restaurant] ) verkocht aan de dochter van belanghebbende voor € 1.
11. Volgens de door [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] namens de fiscale eenheid ingediende aangifte vpb heeft zij eind 2011 een (fiscale) winstreserve van € 5.706.835. De (fiscale) winstreserve is grotendeels afgenomen door de dotatie aan de post ‘overige voorzieningen’ van € 87.443.829.
12. Op 22 mei 2012 zijn [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] in surseance van betaling geraakt. Zij zijn vervolgens op 13 juli 2012 failliet verklaard. Op 27 november 2012 is belanghebbende zelf failliet verklaard.
13. Belanghebbende heeft op 4 mei 2012 de aangifte IB/PVV 2010 ingediend. De inspecteur heeft een voorlopige aanslag IB/PVV 2010 opgelegd. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De aanslag IB/PVV 2010 is gedagtekend 18 november 2014 en geadresseerd aan het kantooradres van de curator. De curator heeft hiertegen op 17 februari 2023 bezwaar gemaakt.
14. Met dagtekening 1 maart 2017 heeft de inspecteur ambtshalve de aanslag IB/PVV 2012 opgelegd. De op 10 april 2017 ingediende aangifte is aangemerkt als bezwaar daartegen.
15. De rechtbank heeft op 7 augustus 2013 en 5 maart 2014 voor recht verklaard dat respectievelijk de aandelenoverdracht van [naam hotel/restaurant] en [naam bedrijf 9] door de curatoren van [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] met een beroep op de actio pauliana buitengerechtelijk zijn vernietigd. Tegen deze uitspraken is geen hoger beroep ingesteld.
16. Gedurende de bezwaarfase is meermalen gecorrespondeerd tussen de inspecteur en de curator, dan wel de toenmalig adviseur van belanghebbende. In deze correspondentie heeft de inspecteur meerdere keren om informatie verzocht. Deze informatie is niet verkregen en daarom heeft de inspecteur met dagtekening 20 december 2017 een informatiebeschikking voor de belastingjaren 2009 – 2011 afgegeven. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:
“(…)
Ik concludeer dat ik de in mijn brief van 23 oktober 2017 gevraagde informatie tot op heden niet heb ontvangen. Concreet gaat het daarbij om de volgende punten inzake de rekening courant schuld van de heer [belanghebbende] aan [naam bedrijf 1] :
Een overzicht van het verloop van de rekening courant in de jaren 2009 tot en met 2011, waaruit blijkt welke mutaties er hebben plaatsgevonden.
Een afschrift van de rekening courant overeenkomst(en) waarin partijen afspraken hebben gemaakt over rente, aflossing en zekerheden.
Een overzicht van het verloop van het vermogen van de heer [belanghebbende] in de jaren 2009 tot en met 2011, alsmede een overzicht van de zekerheden die de heer [belanghebbende] had verstrekt aan derden, zodat duidelijk wordt welke vermogen er als zekerheid zou kunnen resteren voor [naam bedrijf 1] .
Meer in het bijzonder verzoek ik u een overzicht te geven van de samenstelling, de waarde en de mutaties van de aandelenportefeuilles die de heer [belanghebbende] in de jaren 2009 tot en met 2011 aanhield bij [naam bank 1] en [naam bank 2] .”
17. Het bezwaar tegen de informatiebeschikking is op 24 juni 2019 ongegrond verklaard. Er is geen beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar waardoor de informatiebeschikking onherroepelijk vast is komen te staan.
Beoordeling door de rechtbank
18. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen terecht en naar het juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
19. Ten eerste is in geschil of belanghebbende vanwege de leenverhouding met [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] in 2009 tot en met 2012 dusdanig is bevoordeeld dat sprake is van een verkapte winstuitdeling. Voor 2011 is daarnaast in geschil of belanghebbende door [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] is bevoordeeld bij de verkoop van de aandelen [naam bedrijf 9] en [naam hotel/restaurant] aan respectievelijk zijn zoon en dochter. Voor de jaren 2011 en 2012 is verder in geschil of de inspecteur bij het vaststellen van de grondslag sparen en beleggen terecht geen rekening heeft gehouden met de schulden van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting]
20. Voor 2010 is ook nog in geschil of de inspecteur de bezwaren tegen de (voorlopige) aanslag IB/PVV terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
21. De rechtbank verklaart de beroepen met betrekking tot de aanslagen IB/PVV 2011 en 2012 gegrond en de overige beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
(Voorlopige) aanslag IB/PVV 2010
22. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op artikel 9.5, derde lid, van de Wet IB 2001, het niet mogelijk is om tegen een voorlopige aanslag bezwaar te maken. De inspecteur heeft het bezwaar inzake de voorlopige aanslag IB/PVV 2010 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
23. De rechtbank is van oordeel dat ook het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2010 terecht niet-ontvankelijk is verklaard en overweegt daartoe als volgt.
24. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. Indien een uitspraak op bezwaar niet is bekendgemaakt op de in artikel 3:41 van de Awb voorgeschreven wijze, brengt die omstandigheid mee dat de termijn voor het instellen van beroep tegen die uitspraak niet aanvangt. Die termijn vangt dan aan op de dag van ontvangst door (de gemachtigde of vertegenwoordiger van) de belanghebbende van de uitspraak op bezwaar of een afschrift daarvan. Een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
25. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen op grond van 6:11 van de Awb anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Een bezwaarschrift is verschoonbaar te laat ingediend wanneer de te late indiening te wijten is aan een niet aan een belanghebbende toe te rekenen omstandigheid en onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet van hem kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen.
26. Vaststaat dat de aanslag IB/PVV 2010 is verzonden naar het adres van de curator. Desgevraagd heeft de curator zitting erkend dat hij deze aanslag in het najaar van 2015 heeft ontvangen en verklaard dat hij deze aanslag niet aan belanghebbende heeft doorgezonden. Door de bekendmaking aan de curator is de voornoemde aanslag rechtsgeldig bekendgemaakt. Het is hierdoor dus niet relevant dat belanghebbende pas begin 2023 de aanslag heeft ontvangen. De verwijzing van de gemachtigde naar de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 13 december 2000 maakt dit niet anders, omdat die uitspraak op een geheel andere situatie dan de onderhavige ziet. Het voorgaande houdt in dat de bezwaartermijn in ieder geval in het najaar 2015 is gaan lopen.
27. De curator heeft, net zoals belanghebbende, in 2023 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2010. Dit is ruim buiten de bezwaartermijn. De te late indiening van het bezwaar acht de rechtbank niet verschoonbaar. Het betoog van de gemachtigde dat niet tijdig bezwaar kon worden gemaakt omdat de administratie in verband met het faillissement van de vorige adviseur in beslag was genomen, leidt niet tot een ander oordeel. De curator heeft namelijk voor de aanslag IB/PVV 2009 op 3 februari 2014 wel pro forma bezwaar gemaakt, terwijl hij ook toen geen toegang had tot de administratie. Van de curator, een professionele partij, had onder deze omstandigheden mogen worden verwacht dat hij in 2015 tegen de aanslag IB/PVV 2010 ook tijdig (pro forma) bezwaar had gemaakt.
27. Het beroep is in zoverre ongegrond. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de (voorlopige) aanslag IB/PVV 2010.
Omkering en verzwaring van de bewijslast aanslagen IB/PVV 2009 en 2011
29. De informatiebeschikkingen ter zake van belastingjaren 2009 en 2011 staan onherroepelijk vast. De rechtmatigheid hiervan kan dus niet meer ter discussie worden gesteld. Wel kan de vraag of een onherroepelijke informatiebeschikking tot omkering en verzwaring van de bewijslast dient te leiden aan de orde worden gesteld.
30. Belanghebbende heeft meermalen aangegeven niet over de gevraagde informatie te beschikken, omdat die informatie in beslag is genomen in het faillissement van zijn voormalig adviseur. De curator wijst ter onderbouwing van dit standpunt op een vonnis van de rechtbank van 9 september 2021, waarin hij via een kort geding heeft geprobeerd om de informatie uit de failliete boedel te krijgen. Ook stelt belanghebbende dat hij niet alle door de FIOD in beslag genomen stukken terug heeft ontvangen en dat bepaalde informatie, in het bijzonder de rekening-courantovereenkomsten, niet bestaan.
31. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoende heeft gedaan om de gevraagde informatie te verkrijgen. De enkele verwijzing naar het kort geding vonnis tegen de voormalige gemachtigde is hiervoor onvoldoende, omdat die procedure niet in de tijdlijn past. De informatiebeschikking is namelijk van 20 december 2017 en het bezwaar daartegen is op 24 juni 2019 ongegrond verklaard. Gelet op de uitspraakdatum van 9 september 2021 en het karakter van een kort geding, acht de rechtbank niet aannemelijk dat de dagvaarding voor het kort geding is betekend voordat de informatiebeschikkingen onherroepelijk zijn komen vast te staan. Ter zake van de overige standpunten heeft belanghebbende nog geen begin van bewijs geleverd.
Redelijke schatting 2009 en 2011
32. Ook wanneer de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard dienen de belastingaanslagen te berusten op een redelijke schatting. In dat kader rust op de inspecteur de taak om zijn schatting zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die de redelijkheidstoets kan doorstaan. Als de inspecteur daarin slaagt, ligt het op de weg van belanghebbende om, voor zover hij de juistheid van die feitelijke stellingen betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.
33. De rechtbank stelt voorop dat een geldlening van een vennootschap aan haar aandeelhouder een onttrekking vormt als vast komt te staan of zo goed als zeker is dat de aandeelhouder deze geldlening niet kan of zal aflossen. Indien en voor zover zo’n onttrekking kon plaatsvinden uit winst, winstreserves of te verwachten winst is sprake van een verkapte winstuitdeling aan de aandeelhouder, mits een vermogensverschuiving naar de aandeelhouder heeft plaatsgevonden met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen en zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van de vermogensverschuiving en de bevoordelingsbedoeling.
34. De rechtbank overweegt dat in beginsel op de inspecteur de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat voldaan wordt aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor de (verkapte) winstuitdeling. Echter, in dit geval moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard en kan de inspecteur volstaan met een redelijke schatting. De rechtbank zal daarom marginaal toetsen of de door de inspecteur gestelde feiten de gevolgtrekking kunnen dragen dat sprake is van een verkapte winstuitdeling.
Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (2009)
35. De inspecteur heeft (na bezwaar) een verkapte winstuitdeling van € 50 miljoen in aanmerking genomen. De rechtbank is van oordeel dat de schatting van het inkomen uit aanmerkelijk belang, vanwege de gestelde verkapte winstuitkering van € 50 miljoen redelijk is. Uit de kredietverstrekking van 19 december 2008 volgt dat [naam bank 1] vanwege de financiële positie van belanghebbende alleen bereid was om eind 2008 de verzochte lening te verstrekken als in het daaropvolgende jaar al € 30 miljoen zou worden afgelost via een dividenduitkering van [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] Hierbij heeft de accountmanager van [naam bank 1] de leden van de Krediet Commissie in een brief van 31 oktober 2008 er bovendien in niet mis te verstane bewoordingen erop gewezen dat belanghebbende in privé geen rentebetalingen en aflossingen kan opbrengen. Belanghebbende heeft er echter voor gekozen om dit bedrag op te nemen middels de rekening-courant. Daarnaast heeft hij nog een vergelijkbaar bedrag geleend, terwijl op dat moment al duidelijk was dat hij deze bedragen zo goed als zeker niet uit zijn eigen vermogen kon terugbetalen. De oplopende schuldverhouding vormt daarmee dus een onttrekking die uit de winstreserve van bijna € 90 miljoen kon plaatsvinden. Omdat belanghebbende de lening aan [naam bedrijf 1] in privé niet kon aflossen, is sprake van een vermogensverschuiving van [naam bedrijf 1] naar belanghebbende met als doel belanghebbende te bevoordelen. Belanghebbende kon hierdoor namelijk in privé leningen aflossen zonder dat daarvoor een dividenduitkering moest plaatsvinden of hij andere schulden met een aflossingsverplichting aan moest gaan. Van zowel de vermogensverschuiving als de bevoordelingsbedoeling moesten hij en [naam bedrijf 1] zich bewust zijn, nu belanghebbende enig bestuurder van deze vennootschap was.
36. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de schatting van de inspecteur niet juist is. Zijn enkele stelling dat tegenover de geldopnames ter dekking een schuldenvrije eigen woning en een effectenportefeuille staan, is hiervoor onvoldoende. De aanslag IB/PVV 2009 is dan ook niet te hoog vastgesteld en het beroep hiertegen is ongegrond.
Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen (2011)
37. De inspecteur heeft het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang vastgesteld op € 81.329.338. Hierbij heeft hij vier verschillende verkapte dividenduitkeringen in aanmerking genomen. Ten eerste een bedrag van € 62.312.988, zijnde de schuld van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] Subsidiair stelt de inspecteur dat deze verkapte winstuitdeling € 16.353.892 dient te bedragen, zijnde de toename van de schuld. Ten tweede een bedrag van € 13.966.350 vanwege de overdracht van de aandelen [naam bedrijf 9] . Ten derde een bedrag van € 3 miljoen vanwege de overdracht van de aandelen [naam hotel/restaurant] . Beide bedragen zijn vastgesteld aan de hand van de geschatte waarde van de aandelen, zoals berekend door de FIOD, verminderd met de verkoopprijs. Tot slot ten vierde een bedrag van € 2.050.000, bestaande uit de onverschuldigde betaling aan [naam bedrijf 8] . Nu belanghebbende via [naam bedrijf 1] zeggenschap had over [naam bedrijf 2] stelt de inspecteur zich op het standpunt dat het voordeel belanghebbende is toegekomen en dat hij en de vennootschappen zich daarvan bewust waren.
38. De inspecteur heeft daarnaast het belastbare inkomen uit sparen en beleggen vastgesteld op € 800.462, omdat volgens hem ten onrechte rekening is gehouden met bijna € 46 miljoen aan schulden die fiscaal als verkapte winstuitdeling in aanmerking zijn genomen.
39. De rechtbank is van oordeel dat de schatting van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang te hoog is. De schatting van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is niet te hoog. Zij overweegt daartoe als volgt.
40. Voor een (verkapte) winstuitdeling is vereist dat sprake is van een onttrekking die plaatsvindt uit de winst van het lopende jaar, de winstreserves of de te verwachten winst. In 2011 heeft [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] een verlies geleden, waardoor vanuit de resultaten van dat jaar geen onttrekking kon worden gedaan. Ook de winstreserves zijn onvoldoende om een onttrekking uit te laten plaatsvinden. Gelet op de oordelen over 2009 en 2010 is een bedrag van € 95.940.453 al belast als verkapte winstuitdeling. Bij het bepalen van de omvang van de winstreserve dient fiscaal rekening te worden gehouden met deze verkapte winstuitdelingen. Nu de winstreserve niet meer dan € 93.150.664 kan bedragen, is fiscaal geen sprake meer van een (positieve) winstreserve. Daarnaast heeft het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden in de strafzaak tegen belanghebbende, waarbij een zwaardere bewijslast geldt, vastgesteld dat voor belanghebbende vanaf ten minste 1 oktober 2010 een aanmerkelijke kans op een faillissement van [naam bedrijf 2] en zichzelf voorzienbaar was. Van een te verwachten winst in de toekomst is dan ook geen sprake. Ook om deze reden kan geen sprake zijn van een verkapte winstuitdeling.
41. De rechtbank is verder van oordeel dat als gevolg van de (verkapte) dividenduitkeringen de schulden van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] (in fiscale zin en daarmee afwijkend van de civielrechtelijke werkelijkheid) zijn afgenomen. De inspecteur heeft in zijn schatting van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen dan ook terecht geen rekening gehouden met deze schulden. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de schatting niet te hoog is. De enkele verwijzing van de gemachtigde naar de Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap maakt dit niet anders. Deze wet is namelijk pas op 1 januari 2023 in werking getreden. Bovendien blijft de bestaande jurisprudentie, waar de inspecteur zich op heeft beroepen, over verkapte winstuitdeling onverminderd van kracht.
42. De aanslag IB/PVV 2011 is met betrekking tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang te hoog vastgesteld. Het beroep hiertegen is daarom gegrond. Het inkomen uit aanmerkelijk belang dient te worden verminderd tot nihil. Het inkomen uit sparen en beleggen blijft gelijk.
Omkering en verzwaring van de bewijslast aanslag IB/PVV 2012
43. De inspecteur heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij belanghebbende heeft uitgenodigd om aangifte IB/PVV 2012 te doen, wat belanghebbende heeft betwist. Van het niet doen van de vereiste aangifte kan daarom geen sprake zijn. Dit betekent dat er geen grond is om de bewijslast om te keren en verzwaren. Op de inspecteur rust daarom de bewijslast om zijn correcties aannemelijk te maken.
Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen (2012)
44. De inspecteur stelt dat belanghebbende een verkapte dividenduitkering van € 56.412.810 heeft genoten die bestaat uit de schuld van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] Daarnaast stelt hij dat in de grondslag sparen en beleggen geen rekening moet worden gehouden met de schulden aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] die als verkapte winstuitkering in aanmerking zijn genomen in eerdere jaren. Wel is ten onrechte geen rekening gehouden met het heffingsvrij vermogen van belanghebbende en zijn partner van gezamenlijk € 41.570. De grondslag sparen en beleggen moet daarom worden vastgesteld op € 4.289.874, wat leidt tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 171.594.
45. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet redelijk om uit te gaan van een verkapte winstuitdeling in 2012. De schuld aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] is in de voorgaande jaren al gekwalificeerd als verkapt dividend en als zodanig belast in de eerdere aanslagen IB/PVV. De rekening-courant schuld is niet verder opgelopen en belanghebbende is in 2012 geen nieuwe schulden aangegaan bij [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] Er heeft in dat jaar dan ook geen onttrekking plaatsgevonden, waardoor evenmin sprake kan zijn van een (verkapte) winstuitdeling. Het beroep is in zoverre gegrond.
46. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht geen rekening heeft gehouden met de schulden van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] die als verkapte winstuitdeling in aanmerking zijn genomen, zie overweging 41. Nu in de aanslag ten onrechte geen rekening is gehouden met het heffingsvrij vermogen, moet het belastbare inkomen uit sparen en beleggen worden verminderd tot € 171.594.
47. Gelet op het voorgaande is het beroep met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2012 gegrond.
Heffingsrente
48. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. Het beroep ter zake van het belastingjaar 2009 is dan ook in zoverre ongegrond. Ter zake van de belastingjaren 2011 en 2012 moet de in rekening gebrachte heffingsrente worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de belastingaanslagen en zijn de beroepen dus in zoverre gegrond.
Conclusie en gevolgen
49. De beroepen met betrekking tot de belastingaanslagen IB/PVV 2009 en 2010 zijn ongegrond en die met betrekking tot de aanslagen IB/PVV 2011 en 2012 zijn gegrond. Het inkomen uit aanmerkelijk belang moet voor 2011 en 2012 worden verminderd tot nihil. Daarnaast moet voor 2012 het belastbare inkomen uit sparen en beleggen worden verminderd tot € 171.594. Omdat de beroepen voor de jaren 2011 en 2012 gegrond zijn, krijgt belanghebbende het griffierecht terug.
50. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen die zien op de belastingjaren 2011 en 2012 redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten die voor de behandeling van de bezwaren redelijkerwijs zijn gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat daarom tijdens de bezwaarfase niet is verzocht. De kosten voor de behandeling van de beroepen voor belastingjaren 2011 en 2012 zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.335 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Voor de beroepen wordt wegens samenhang eenmaal proceskosten toegekend. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen met zaaknummers 22/3974, 22/3980 en 23/4204 ongegrond;
verklaart de beroepen inzake de aanslagen IB/PVV 2011 (22/4014) en IB/PVV 2012 (22/4015) gegrond;
vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de aanslagen IB/PVV 2011 en 2012;
vermindert de aanslag IB/PVV 2011 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 312.374, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 800.462;
vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;
vermindert de aanslag IB/PVV 2012 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.063, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 171.594;
vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.335;
gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, voorzitter, mr. M. Wevers en mr. J. Kluft, leden, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem , Postbus 9030, 6800 EM Arnhem .
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBGEL:2013:2303.
ECLI:NL:RBGEL:2014:1383.
Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625.
Hoge Raad 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5555.
ECLI:NL:GHAMS:2000:AV6659.
Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.6.
Hoge Raad 29 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5466.
Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401.
Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.
Hoge Raad 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26.
€ 50 miljoen over 2009 en € 45.940.453 over 2010, zie punten 27, 28 en 35.
€ 5.706.835 volgens jaarrekening vermeerderd met € 87.443.829, de dotatie in 2011 aan de post ‘overige voorzieningen’. De rechtbank heeft deze dotatie niet op haar fiscale merites beoordeeld, omdat ongeacht of deze dotatie fiscaal kan plaatsvinden het oordeel over de verkapte winstuitdeling hetzelfde blijft.
Gerechtshof Arnhem -Leeuwarden 2 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10319.
Stb. 2022/531.
Kamerstukken II 35 496, nr. 3, p. 6 en p. 19.
Hoge Raad 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1268.
Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|