|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:2261 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | AWB - 25_548 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Beslag op ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Eiser is het daar niet mee eens. De beroepsgronden van eiser hebben betrekking op de rechtmatigheid van het gelegde beslag. Met deze gronden moet eiser zich evenwel tot de burgerlijke rechter wenden. Als bestuursrechter kan de rechtbank alleen beoordelen of de SVB met het bestreden besluit binnen de kaders van het gelegde beslag is gebleven. Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat de SVB buiten de kaders van het beslag is getreden, oordeelt de rechtbank dat dat niet het geval is. | | Trefwoorden | : | aow | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/548
uitspraak van de enkelvoudige kamer
in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
(gemachtigde: mr. O.F.M. Vonk).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de inhouding door de SVB van een bedrag op eisers ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), vanwege een beslaglegging. Eiser is het niet eens met deze inhouding op zijn AOW-pensioen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de SVB binnen de kaders van het gelegde beslag is gebleven en daarmee op correcte wijze uitvoering heeft gegeven aan het beslag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat dit het geval is. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 6 november 2024 is aan eiser meegedeeld dat het beslag van Marloes Levelink Gerechtsdeurwaarders & Incasso (Levelink Gerechtsdeurwaarders) is opgeheven. Vanaf november 2024 zal in het kader van een door de Belastingsamenwerking
Rivierenland (BSR) gelegd beslag een bedrag van € 514,03 worden ingehouden op zijn AOW-pensioen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 15 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de SVB bij dat besluit gebleven. Er mag beslag worden gelegd op eisers AOW-pensioen en de beslagleggingen op zijn AOW-pensioen zijn correct uitgevoerd.
2.2.
Eiser heeft bezwaar bij de SVB gemaakt tegen het bestreden besluit. De SVB heeft dit bezwaarschrift ter behandeling als beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank.
De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de SVB deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontvangt vanaf september 2009 een AOW-pensioen.
3.1.
Op 24 juni 2024 heeft Levelink Gerechtsdeurwaarders aan de SVB bericht dat er beslag is gelegd op eisers AOW-pensioen. De SVB heeft dit beslag verwerkt in de administratie. Bij besluit van 18 juni 2024 heeft de SVB eiser geïnformeerd over de maandelijkse inhouding op zijn AOW-pensioen ter hoogte van € 516,32.
3.2.
Op 8 oktober 2024 heeft de BSR aan de SVB bericht dat er beslag is gelegd op eisers AOW-pensioen. In de brief van 17 oktober 2024 heeft de SVB het beslag geregistreerd en de BSR naar de coördinerend deurwaarder, Levelink Gerechtsdeurwaarders, verwezen.
3.3.
Bij brief van 24 oktober 2024 heeft Levelink Gerechtsdeurwaarders de SVB bericht dat het beslag is opgeheven. In het primaire besluit van 6 november 2024 heeft de SVB eiser bericht dat het beslag van Levelink Gerechtsdeurwaarders is opgeheven. Ook heeft de SVB eiser bij ditzelfde primaire besluit geïnformeerd dat de SVB vanaf november 2024 maandelijks een bedrag van € 514,03 op zijn AOW-pensioen moet inhouden voor de BSR.
3.4.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij is in bezwaar gehoord door de SVB. Daarvan is een verslag opgemaakt.
3.5.
In het bestreden besluit stelt de SVB zich op het standpunt de beslaglegging door Levelink Gerechtsdeurwaarders eisers AOW-pensioen correct te hebben uitgevoerd. Levelink Gerechtsdeurwaarders was de enige beslaglegger die bij de SVB bekend was. De SVB was in deze situatie verplicht de beslaglegging uit te voeren. De SVB heeft van de beslaglegger doorgekregen dat de beslagvrije voet € 923,00 per maand is. Dit heeft de SVB correct verwerkt in het systeem. Inmiddels is de beslaglegging opgeheven.
Verder heeft de SVB overwogen ook de beslaglegging van BSR op eisers AOW-pensioen correct te hebben uitgevoerd. De BSR heeft op grond van artikel 19 van de Invorderingswet 1990 beslag gelegd op eisers AOW-pensioen. Op grond van de Invorderingswet 1990 moet de SVB de vordering meteen voldoen zonder een verificatie, rangregeling of rechterlijke uitspraak af te wachten. De SVB is alleen bevoegd om te kijken of de SVB het beslag juist uitvoert. De beslagvrije voet zoals doorgegeven door BSR bedraagt € 967,00. Deze beslagvrije voet heeft de SVB correct opgenomen in het systeem. De SVB is gestart met de uitvoering van de beslaglegging nadat de beslaglegging van Levelink Gerechtsdeurwaarders is opgeheven.
Standpunt eiser
4. Eiser betoogt dat er geen beslag mag worden gelegd op zijn AOW-pensioen. Ook voert eiser aan dat de BSR met de beslaglegging heeft voorgedrongen. Verder vindt eiser dat hij te weinig geld overhoudt om van te leven, met andere woorden, dat er tot een te hoog bedrag beslag is gelegd. Ten slotte betoogt eiser dat de beslagvrije voet niet klopt en de SVB deze beslagvrije voet had moeten toetsen.
Standpunt SVB
5. De SVB handhaaft het standpunt dat op juiste wijze uitvoerig is gegeven aan het onder de SVB gelegde beslag.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank stelt vast dat de onder 4. genoemde beroepsgronden van eiser betrekking hebben op de rechtmatigheid van het gelegde beslag. Met deze gronden gericht tegen de rechtmatigheid van het gelegde beslag moet eiser zich evenwel tot de burgerlijke rechter wenden. Dit volgt uit de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). De SVB is verplicht om volledige medewerking te verlenen aan een derdenbeslag, zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen. De rechtbank moet in deze zaak als bestuursrechter, bij de beoordeling van de betalingsbeslissing die de SVB heeft genomen ter uitvoering van het door de BSR gelegde beslag, de geldigheid van dat beslag als een gegeven beschouwen. De rechtbank kan in deze zaak van eiser daarom alleen beoordelen of de SVB met het bestreden besluit binnen de kaders van het beslag is gebleven.
6.1.
Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat de SVB buiten de kaders van het beslag is getreden, oordeelt de rechtbank dat dat niet het geval is. De SVB heeft rekening gehouden met de door de BSR opgegeven beslagvrije voet en heeft daar het bestreden besluit op gebaseerd. De rechtbank heeft daarin geen onjuistheden aangetroffen. Voor het overige is niet gebleken dat de SVB met het bestreden besluit buiten de kaders van het beslag is getreden of onzorgvuldig heeft gehandeld.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de SVB met het bestreden besluit binnen de kaders van het beslag is gebleven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. de Vries, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 11 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1817, 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1431 en 20 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2162. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|