|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:2292 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | ARN 22_2651 en 22_4638 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Geen procesbelang. Sleufsilo’s zijn vergund en inmiddels verwijderd. Omdat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen achteraf is verleend ter legalisering en de voorschriften geen zelfstandige betekenis hebben, is de vergunning op het moment van verlening daarvan meteen gebruikt en uitgewerkt.
College heeft de aanvraag voor een agrarische schuur terecht buiten behandeling gelaten wegens ontbrekende aanvullende gegevens. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bedrijfswoning | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | vaststellingsovereenkomst | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 22/2651 en ARN 22/4638
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaken tussen
[eiser 1], uit [plaats], eiser (zaaknummer ARN 22/2651)
(gemachtigde: mr. E.M. Oskam),
[eiser 2] en [eiseres 1], [eiser 3] en [eiseres 2], [eiser 4] en [eiseres 3], allen uit [plaats], eisers (zaaknummer ARN 22/4638)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo
(gemachtigde: mr. R.A. Oosterveer).
In de zaak met zaaknummer ARN 22/4638 neemt als derde-partij deel: [eiser 1], uit [plaats] (gemachtigde mr. E.M. Oskam).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over twee omgevingsvergunningen die zijn aangevraagd door eiser. De rechtbank moet oordelen over het besluit van het college om de aanvraag voor het bouwen van een schuur aan [locatie 1] [huisnummer 1] in [plaats] buiten behandeling te laten, en over de verleende omgevingsvergunning voor sleufsilo’s op het perceel kadastraal bekend onder nummer [nummer] nabij de [locatie 2] in [plaats]. Eiser is het niet eens met het buiten behandeling laten van zijn aanvraag voor het bouwen van een schuur. Eisers wonen in de omgeving van perceel [nummer] en zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning voor de sleufsilo’s. Eiser en eisers voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissingen op bezwaar.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag voor een agrarische schuur buiten behandeling heeft kunnen laten omdat de aanvraag niet voldoende gegevens bevat. Eiser krijgt dus geen gelijk en zijn beroep is ongegrond.
De rechtbank oordeelt daarnaast dat eisers weliswaar belanghebbend zijn bij de omgevingsvergunning voor sleufsilo’s maar geen procesbelang meer hebben omdat de vergunning inmiddels is uitgewerkt. Het beroep van eisers is dus niet-ontvankelijk.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaken. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen.
In de zaak met zaaknummer ARN 22/2651 (over de schuur):
- Zijn aanvullende gegevens nodig om de aanvraag te beoordelen?
In de zaak met zaaknummer ARN 22/4638 (over de sleufsilo’s):
Zijn eisers belanghebbend?
Hebben eisers procesbelang?
Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
In de zaak met zaaknummer ARN 22/2651 (over de schuur):
2. Eiser heeft op 17 september 2021 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een agrarische schuur.
2.1.
Bij primair besluit van 14 december 2021 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gelaten.
2.2.
Bij beslissing op bezwaar van 12 april 2022 heeft het college het primaire besluit in stand gelaten.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.4.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
In de zaak met zaaknummer ARN 22/4638 (over de sleufsilo’s):
3. Op 25 oktober 2021 heeft de derde-partij een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend ter legalisering van sleufsilo’s nabij het perceel aan de [locatie 2] in [plaats].
3.1.
Bij primair besluit van 20 januari 2022 heeft het college besloten de aanvraag buiten behandeling te laten.
3.2.
Bij beslissing op bezwaar van 10 augustus 2022 heeft het college het primaire besluit herroepen en alsnog een omgevingsvergunning verleend voor de sleufsilo’s.
3.3.
Bij brief van 14 september 2022 heeft het college het bezwaarschrift tegen de omgevingsvergunning vanwege rechtstreeks beroep doorgestuurd aan de rechtbank.
3.4.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
3.5.
Eisers hebben een nadere onderbouwing van hun beroep ingediend.
In beide zaken:
3.6.
Partijen zijn vervolgens een gezamenlijk mediationtraject gestart waardoor de rechtbank de zaken op verzoek heeft aangehouden. Hoewel het mediationtraject heeft geleid tot overeenstemming en partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, heeft dat niet geleid tot intrekking van de zaken.
3.7.
De rechtbank heeft de beroepen vervolgens op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. E.M. Oskam namens eiser in zaak ARN 22/2651 en derde-partij in zaak ARN 22/4638, eisers in zaak ARN 22/4638, en mr. I.E. van Duuren en mr. R.A. Oosterveer namens het college.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
4. Deze zaken gaan over de herontwikkeling van de locatie [locatie 1] [huisnummer 1]-[huisnummer 2] en het kadastrale perceel [nummer] in [plaats]. Eiser woont aan [locatie 1] [huisnummer 1] en is eigenaar geweest van perceel [nummer] waar hij sleufsilo’s had aangebracht. Inmiddels staat vast dat eiser het perceel [nummer] in 2024 heeft verkocht aan het Gelders landschap en dat de sleufsilo’s in 2025 zijn verwijderd. De plek van de sleufsilo’s is veranderd in grasland. Eisers in de zaak over de sleufsilo’s vrezen dat met de omgevingsvergunning opnieuw sleufsilo’s kunnen worden gebouwd en vechten de omgevingsvergunning om die reden aan. In de zaak over de schuur gaat het over de aanvraag van eiser om op het perceel [locatie 1] [huisnummer 1] een agrarische schuur te realiseren. Volgens het college past die aanvraag niet in het ter plaatse (destijds) geldende bestemmingsplan (hierna: het bestemmingsplan). Om de aanvraag toch te kunnen beoordelen heeft het college eiser daarom in de gelegenheid gesteld de aanvraag aan te vullen met een ruimtelijke onderbouwing. Omdat de gevraagde aanvulling niet is ingediend, heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld. Eiser is het daar niet mee eens, omdat hij van mening is dat de aanvraag niet in strijd is met het bestemmingsplan.
In de zaak met zaaknummer ARN 22/2651 (over de schuur):
5. De rechtbank beoordeelt de beslissing op bezwaar aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Zijn aanvullende gegevens nodig om de aanvraag te beoordelen?
5.1.
Eiser betoogt dat de aanvraag voor een agrarische schuur past binnen het bestemmingsplan en de agrarische bestemming met aanduiding ‘plattelandswoning’. Bij de totstandkoming van dit bestemmingsplan is ervoor gekozen om het bouwvlak van de agrarische bestemming in stand te laten. De functieaanduiding 'plattelandswoning' sluit daarom niet uit dat daarnaast ook agrarisch gebruik is toegestaan. De percelen [locatie 1] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] hebben een gezamenlijk bouwvlak waarop de uitoefening van meerdere agrarische bedrijven mogelijk is, ook al zijn de percelen kadastraal gesplitst. Het college geeft een te strenge uitleg aan de aanduiding ‘plattelandswoning’. De gemeenteraad heeft expliciet alleen de woning bestemd en niet de mogelijkheden van opstallen voor agrarische doeleinden willen beperken.
5.2.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Agrarische enclave en Speuld’. Het perceel [locatie 1] [huisnummer 1] – waar de schuur is gepland - heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ met dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie H’. Het perceel bevat vier functieaanduidingen: specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning, en drie specifieke vormen van waarde van natuurwaarden 1 en 3 en landschapswaarden 2.
Volgens artikel 4.1 van de planregels zijn de voor ‘Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden’ aangewezen gronden bestemd voor:
agrarische bedrijven met één bijbehorende bedrijfswoning;
ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning’: uitsluitend een plattelandswoning met bijbehorend bouwwerken.
Volgens artikel 1.44 van de planregels is een plattelandswoning een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een agrarisch bedrijf, die niet meer wordt bewoond door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is, en die voor de toepassing van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de daarop rustende bepalingen wordt beschouwd als onderdeel van dat agrarisch bedrijf.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat een agrarische schuur volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan omdat het perceel waarop de schuur moet worden gerealiseerd de aanduiding plattelandswoning heeft. Het bestemmingsplan schrijft namelijk specifiek voor dat bij deze aanduiding uitsluitend een plattelandswoning met bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan. Vast staat dat de door eiser beoogde agrarische schuur geen bijbehorend bouwwerk bij een plattelandswoning is. Anders dan eiser naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat het bestemmingsvlak en de daarbij behorende de functieaanduiding plattelandswoning bepalend zijn voor de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. De aanwezigheid van het gezamenlijke bouwvlak van de percelen [locatie 1] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] kan die mogelijkheden niet uitbreiden. Gelet hierop heeft het college terecht geconstateerd dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan en gevraagd om een aanvulling van de aanvraag. Nu die aanvulling niet is aangeleverd, heeft het college de aanvraag buiten behandeling kunnen stellen. De beroepsgrond slaagt niet.
In de zaak met zaaknummer ARN 22/4638 (over de sleufsilo’s):
Zijn eisers belanghebbend?
6. Voorafgaand aan de vraag of een partij procesbelang heeft zal de rechtbank beoordelen of een partij belanghebbende is. De derde-partij heeft daar twijfels over. Alleen een belanghebbende kan bezwaar maken dan wel beroep instellen tegen een besluit. Een belanghebbende is degene van wie het belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Volgens vaste rechtspraak is degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Die persoon onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis zijn, kijkt de rechtbank naar de factoren afstand, zicht, planologische uitstraling en milieugevolgen (zoals onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie) tot het besluit. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. De rechtbank beoordeelt de belanghebbendheid op het moment van indiening van het beroepschrift.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat eisers alle drie als belanghebbenden zijn aan te merken. Eiser [eiser 2] woont op 60 meter, eiser [eiser 3] op 100 meter en eiser [eiser 4] op 160 meter van de sleufsilo’s en zij hadden vanaf hun percelen alle drie zicht op de sleufsilo’s. Bovendien grenst het perceel van eiser [eiser 3] direct aan het perceel van de sleufsilo’s.
Hebben eisers procesbelang?
7. Vervolgens is de vraag of eisers nog procesbelang hebben. Eisers voeren aan dat zij procesbelang hebben omdat zij intrekking van de vergunning nodig vinden om te voorkomen dat de nieuwe eigenaar van het perceel opnieuw op grond van die vergunning sleufsilo’s realiseert. Het college stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning is uitgewerkt en dat eisers geen belang meer hebben bij een oordeel over de vergunning.
7.1.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) hoeft de bestuursrechter een bij hem ingediend beroep alleen inhoudelijk te beoordelen als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is. Met andere woorden, de indiener dient een actueel en reëel belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Als een besluit geen werking meer heeft of is komen te vervallen, bestaat in beginsel geen procesbelang meer.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het procesbelang van eisers vervallen doordat de omgevingsvergunning voor de sleufsilo’s is uitgewerkt. In dit geval gaat het om een vergunning die alleen is verleend voor de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Aan deze vergunning zijn twee voorschriften verbonden die inhouden dat voorafgaand aan een overdracht van de vergunning een verzoek moet worden gedaan bij het college en dat de werkzaamheden moeten voldoen aan de Wet natuurbescherming zodat mogelijk een ontheffing van gedeputeerde staten nodig is. Omdat de vergunning achteraf is verleend ter legalisering van de reeds gebouwde sleufsilo’s en de voorschriften geen zelfstandige betekenis hebben, is de vergunning op het moment van verlening daarvan meteen gebruikt en uitgewerkt. De nieuwe eigenaar van het perceel kan dus geen gebruik meer maken van de vergunning. Daarmee is bereikt wat eisers willen, namelijk dat niet opnieuw op grond van deze vergunning sleufsilo’s op het perceel kunnen worden gebouwd. Er zijn verder geen andere punten die in deze procedure leiden tot een betere uitkomst voor eisers, zodat hun procesbelang ontbreekt. Hun overige beroepsgronden worden daarom niet meer besproken.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep in zaak ARN 22/2651 is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van het college om de aanvraag van eiser buiten behandeling te laten in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
9. Het beroep in zaak ARN 22/4638 is niet-ontvankelijk, omdat eisers geen procesbelang meer hebben. Eisers krijgen hun griffierecht niet terug. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep in zaak ARN 22/2651 ongegrond;
verklaart het beroep in zaak ARN 22/4638 niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 1:2 eerste lid van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:284.
Zoals onder meer volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2770.
Zoals onder meer volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ6419.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL1822. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|