Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:2322 
 
Datum uitspraak:24-03-2026
Datum gepubliceerd:24-03-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:26/41 (verzoek) 26/270 (beroep) 26/463 (verzoek) 26/465 (beroep) 25/6614 (verzoek) en 25/
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Deze uitspraak gaat over de aan het COA verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een opvanglocatie voor minderjarige asielzoekers voor een periode van 10 jaar. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom het toestaan van het asielzoekerscentrum op deze locatie en in deze vorm voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ook is de voorzieningenrechter van oordeel dat, ondanks dat de verrichte participatie (weliswaar begrijpelijk) niet heeft voldaan aan de verwachtingen van eisers 1, dit aan de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning niet afdoet omdat er geen wettelijke verplichting was om in dit geval aan participatie te doen. Ook de andere beroepsgronden van eisers slagen niet. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.
Trefwoorden:agrarisch
fruitteelt
gewassen
lichthinder
omgevingsvergunning
perceel
tuinbouw
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: ARN 26/41 (verzoek), 26/270 (beroep), 26/463 (verzoek), 26/465 (beroep), 25/6614 (verzoek) en 25/6587 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van

op de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen



[persoon A], [persoon B], [persoon C], [persoon D], [persoon E], [persoon F], allen uit [plaats 1] (eisers in de zaken met zaaknummers 26/41 en 26/270), eisers 1
(gemachtigde: mr. L. Kooijman-Arends),



[eiser 2], uit [plaats 2], (eiser in de zaken met zaaknummers 26/463 en 26/465), eiser 2
(gemachtigde: mr. E.T. Stevens)



[eiser 3]
, uit [plaats 3], (eiser in de zaken met zaaknummers 25/6614 en 25/6587), eiser 3

hierna gezamenlijk te noemen: eisers

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst
(gemachtigde: mr. D. Robbertsen-Boon).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) uit Den Haag.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan het COA verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een opvanglocatie voor minderjarige asielzoekers aan de [locatie] in [plaats 1] voor een periode van 10 jaar.


1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom het toestaan van het asielzoekerscentrum op deze locatie en in deze vorm voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ook is de voorzieningenrechter van oordeel dat, ondanks dat de verrichte participatie (weliswaar begrijpelijk) niet heeft voldaan aan de verwachtingen van eisers 1, dit aan de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning niet afdoet omdat er geen wettelijke verplichting was om in dit geval aan participatie te doen. Ook de andere beroepsgronden van eisers slagen niet. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dan ook ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op de beroepen, wijst hij de verzoeken om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Bij besluit van 16 december 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Dit besluit is voorbereid met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpbesluit heeft van 24 oktober 2025 tot en met 4 december 2025 ter inzage gelegen. Alle eisende partijen hebben zienswijzen ingediend tegen het ontwerpbesluit. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend conform het ontwerpbesluit. De zienswijzen hebben dus niet tot aanpassingen van het plan geleid.


2.1.
Eisers hebben beroepen ingesteld tegen het bestreden en de voorzieningenrechter verzocht om de omgevingsvergunning bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.



2.2.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Namens eisers 1 hebben [persoon B], [persoon C], [persoon E], [persoon D] en de gemachtigde deelgenomen aan de zitting. Namens eiser 2 zijn [persoon G], [persoon H] en de gemachtigde verschenen. Eiser 3 is ook verschenen. Het college heeft zich op zitting laten vertegenwoordigen door [persoon I], [persoon J] en de gemachtigde. Namens de derde-partij zijn [persoon K], [persoon L] en [persoon M] verschenen.



2.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist hij ook op de beroepen van eisers daartegen.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar deze zaak over gaat en staat vervolgens stil bij het wettelijk kader. Daarna beoordeelt de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden van eisers.


Waar gaat deze zaak over?

4. Op 8 juli 2025 heeft het COA een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit aangevraagd voor het realiseren van een opvanglocatie voor asielzoekers aan de [locatie] in [plaats 1] (het perceel). Het plan is om in de opvanglocatie maximaal 80 minderjarige asielzoekers te huisvesten voor een periode van 10 jaar. Een omgevingsvergunning voor deze activiteit is vereist, omdat de opvang van asielzoekers op deze locatie niet was toegestaan op grond van (het tijdelijk deel) van het omgevingsplan. De gemeenteraad heeft op 16 oktober 2025 een positief bindend advies afgegeven voor het project. Vervolgens heeft het college van 24 oktober 2025 tot en met 4 december 2025 een ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Bij besluit van 16 december 2025 heeft het college de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend conform het ontwerpbesluit.


4.1.
Eisers 1 wonen allen in de nabijheid van de opvanglocatie en zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning, omdat zij vrezen voor nadelige gevolgen die de opvang heeft voor hun directe leefomgeving. Eiser 2 is een agrarisch bedrijf dat in de nabijheid van het perceel grond heeft en vreest dat haar bedrijfsvoering nadeel ondervindt omdat zij beperkt wordt in haar mogelijkheden om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Eiser 3 woont 8,6 kilometer van de te realiseren opvanglocatie, maar is vooral ontevreden over dat de belangen van omwonenden onvoldoende betrokken worden door de gemeente Bronckhorst.


Wettelijk kader

5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de opvang gerealiseerd wordt, waren vóór 1 januari 2024 de bestemmingsplannen ‘Stedelijk gebied Bronckhorst’ en ‘Stedelijk gebied; Veegplan 2022-1B’ van kracht. Die bestemmingsplannen maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Bronckhorst. Volgens de bestemmingsplannen gelden op het perceel de enkelbestemmingen ‘Groen’ en ‘Maatschappelijk’. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting 3'. De opvang van de asielzoekers is in strijd met de bestemmingsplannen, omdat het langdurig bieden van dag- en nachtverblijf aan asielzoekers niet is toegestaan binnen de bestemmingen.



5.1.
Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.



5.2.
De voornaamste vraag die in het kader van deze procedure moet worden beantwoord, is dus of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toestaan van de opvang van de minderjarige asielzoekers op het perceel voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.





Beroepsgronden in de zaken met zaaknummers 26/41 en 26/270


Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

6. Eisers 1 voeren aan dat zij geen opvanglocatie willen op deze locatie. Zij wijzen op een aantal aangedragen alternatieve locaties die niet inhoudelijk zijn onderzocht door het college. Ook menen eisers 1 dat door de opvanglocatie het agrarisch karakter van de omgeving wordt aangetast. Zij maken zich zorgen over het verdwijnen van groen. Verder voeren eisers 1 aan dat zij licht- en geluidsoverlast zullen ervaren van de opvanglocatie. Uit het bestreden besluit volgt bijvoorbeeld niet hoe de avondstilte wordt gehandhaafd. Daarnaast voeren eisers 1 aan dat de ontsluiting over het parkeerterrein in het kader van externe veiligheid onwenselijk is, omdat buiten kantoortijden de parkeerplaats wordt gebruikt door bezoekers van de sportvelden. Bij calamiteiten is ontsluiting een groot probleem. Ook zijn de gevolgen voor flora en fauna volgens eisers niet voldoende duidelijk. Zij wijzen op mogelijke gevolgen van het plan voor verschillende soorten uilen, vleermuizen en andere diersoorten. Eisers 1 vrezen tevens voor onevenredig grote aantasting van hun privacy en hun woon- en leefklimaat en voeren verder aan dat als er op deze locatie een opvanglocatie zou mogen komen, er gekeken moet worden naar de voorwaarden van omwonenden. Zij willen dat er eerst gestart wordt met 19 jongeren en dat er dan geëvalueerd wordt en daarna pas verder gekeken wordt voor een eventuele uitbreiding van het aantal bewoners.


6.1.
De voorzieningenrechter bespreekt hieronder de verschillende argumenten die door eisers 1 zijn aangevoerd afzonderlijk van elkaar. De voorzieningenrechter wil vooraf nog wel benadrukken dat hij niet gaat over de beslissing om in Bronckhorst (minderjarige) asielzoekers op te vangen; dat is namelijk eerst en vooral een politiek-bestuurlijke keuze. Waar hij als bestuursrechter wel over gaat is het besluit om juist op deze plek een opvanglocatie te vestigen. De voorzieningenrechter heeft aan de hand van de onder 6 uiteengezette argumenten te beoordelen of het college zijn besluit om een omgevingsvergunning te verlenen goed heeft voorbereid en gemotiveerd en of het in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij alle betrokken belangen goed zijn afgewogen. Met andere woorden: het gaat in deze procedure niet over de vraag of er wel of niet in Bronckhorst asielzoekers moeten worden opgevangen maar of het college alle ruimtelijke gevolgen van de beoogde opvanglocatie goed heeft onderzocht en alle belangen, waaronder de belangen van omwonenden, goed heeft afgewogen.


Alternatieve locaties

7. Eisers wijzen concreet op twee alternatieve locaties, recreatieterrein Hietmaat en de voormalige Welkoop en het daarbij behorende terrein. Volgens eisers zijn deze locaties meer geschikt om asielzoekers op te vangen.



7.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van vaste rechtspraak geldt dat als een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking dwingt, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eisers 1 geen gelijkwaardig alternatief hebben aangedragen waarvan op voorhand duidelijk is dat daar aanmerkelijk minder bezwaren tegen zullen bestaan. Het college heeft in dat kader namelijk toegelicht dat recreatieterrein [naam terrein] een terrein is waar ook evenementen worden gehouden. Deze evenementen vormen volgens het college een belangrijk onderdeel voor de gemeente en het college acht het niet wenselijk om op die plek, ten koste van het evenemententerrein, een asielzoekerscentrum te realiseren. Ten aanzien van de voormalige Welkoop en het daarbij behorende terrein heeft het college ook opgemerkt dat dit terrein niet in eigendom is van de gemeente en dat deze locatie in zicht was voor verschillende partijen om woningbouw en of zorg te ontwikkelen. Voor beide locaties geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat hiermee voldoende is gemotiveerd dat geen sprake is van een gelijkwaardige alternatieven waar aanmerkelijk minder bezwaren tegen zullen bestaan.


Aantasting agrarisch karakter

8. Eisers 1 hebben aangevoerd dat het agrarisch karakter onevenredig wordt aangetast als gevolg van de verleende omgevingsvergunning. Dat standpunt volgt de voorzieningenrechter niet. Daarvoor is allereerst van belang dat in de ruimtelijke onderbouwing, die onderdeel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning, is ingegaan op het aspect ‘landschappelijke inpassing’, ook voor wat betreft het behoud van groen: ‘De bestaande groenstructuur in het besluitgebied blijft zoveel mogelijk behouden en wordt robuuster gemaakt door de aanplant van extra bomen.’



8.1.
In het bestreden besluit is verder ook concreet geborgd met een vergunningvoorschrift dat er duurzaam landschappelijk wordt ingepast. Opgenomen is dat:

‘het COA voor een groene inpassing kiest met aandacht voor biodiversiteit, groenvoorzieningen en duurzame waterafvoer. Zo wordt voorzien in de aanplant van extra groen en beperkingen van verharding door onder meer aanleg van parkeervakken met half verharding, waarmee hittestress wordt voorkomen. De tijdelijke bebouwing voldoet aan de actuele duurzaamheidseisen die gelden voor nieuwbouw;’



8.2.
De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd hoe het asielzoekerscentrum zo goed mogelijk landschappelijk ingepast kan worden. De voorzieningenrechter heeft daarom geen reden om aan te nemen dat het agrarische karakter als gevolg van de verleende omgevingsvergunning onevenredig wordt aangetast.


Licht- en geluidsoverlast

9. Ten aanzien van de gestelde mogelijke licht- en geluidsoverlast merkt de voorzieningenrechter allereerst op dat ook aan deze aspecten aandacht is besteed in de ruimtelijke onderbouwing. In de ruimtelijke onderbouwing is opgenomen dat gebruik wordt gemaakt van armaturen die naar beneden zijn gericht om lichthinder te beperken. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding om aan te nemen dat desondanks lichthinder zal ontstaan die zodanig onevenredig is dat het college om die reden van vergunningverlening af had behoren te zien, juist ook omdat er maatregelen worden genomen om lichthinder te beperken.



9.1.
Voor wat betreft het aspect geluid overweegt de voorzieningenrechter dat er een akoestisch onderzoek is verricht door Aveco de Bondt van 28 mei 2025. De conclusie van dat onderzoek is – kort samengevat – dat het in gebruik zijn van de nieuwe locatie vanuit het oogpunt van geluid inpasbaar is. Eisers 1 hebben slechts in algemene zin gesteld dat zij geluidsoverlast verwachten, maar hebben de resultaten van het geluidsonderzoek niet concreet ter discussie gesteld. De voorzieningenrechter heeft daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat er onevenredige geluidsoverlast te verwachten is als gevolg van de verleende omgevingsvergunning.


Ontsluiting en externe veiligheid

10. Ten aanzien van de stelling van eisers 1 dat de ontsluiting over het parkeerterrein in het kader van externe veiligheid onwenselijk is en problemen oplevert bij calamiteiten, overweegt de voorzieningenrechter dat hij geen aanknopingspunt heeft om aan te nemen dat de ontsluiting tot problemen leidt. De Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland is om advies gevraagd en heeft aangegeven dat er geen knelpunten zijn met betrekking tot de bereikbaarheid. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daaruit valt af te leiden dat de locatie ook voldoende bereikbaar is voor hulpdiensten. Hetgeen eisers 1 in algemene zin hebben aangevoerd op dit punt geeft de voorzieningenrechter geen aanleiding om hieraan te twijfelen.


Flora en fauna

11. Sommige eisers wonen zodanig dicht bij de opvanglocatie dat het belang bij behoud van een goede kwaliteit van zijn directe woon- en leefomgeving verweven is met algemeen belang dat de Omgevingswet beoogt te beschermen ten aanzien van beschermde soorten. De voorzieningenrechter bespreekt deze beroepsgrond daarom inhoudelijk.



11.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het aan de aanvrager is om te bepalen wat wel en niet gelijktijdig met de buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd. De onlosmakelijkheid zoals die voorheen gold onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), is onder de Omgevingswet komen te vervallen. Het COA heeft de vergunning voor de flora- en fauna-activiteit inmiddels ook aangevraagd bij Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland. In principe valt deze activiteit buiten de reikwijdte van deze omgevingsvergunning en eisers hun zorgen over de effecten van de komst van de opvanglocatie voor de flora en fauna aankaarten bij Gedeputeerde Staten.



11.2.
Desondanks moet het college bij de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel motiveren waarom de activiteit niet op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maken. Dit betreft de uitvoerbaarheidstoets. In dit geval heeft het college het aspect soortenbescherming beoordeeld aan de hand van een Quickscan en een aanvullend onderzoek. Het college ziet op basis daarvan geen redenen dat de provincie de benodigde vergunning niet zou kunnen verlenen. In het kader van de uitvoerbaarheidstoets is een dergelijke beknopte beoordeling voldoende. De voorzieningenrechter is dan ook met het college van oordeel dat het aspect soortenbescherming de uitvoering van het project op voorhand niet onmogelijk maakt.


Privacy

12. Het college heeft het aspect privacy bij zijn besluitvorming betrokken, bijvoorbeeld in de zienswijzenota. Het college heeft bijvoorbeeld overwogen dat privacy niet een eeuwigdurend aspect is en dat er altijd een mogelijkheid is dat er een ontwikkeling plaatsvindt op een naastgelegen perceel. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college voldoende kenbaar en begrijpelijk heeft gemotiveerd dat de vermindering van privacy niet onevenredig is en dat een eventuele vermindering van het recht op privacy niet maakt dat de omgevingsvergunning niet verleend had kunnen worden.


Eisen aan de opvanglocatie

13. Eisers 1 willen dat er eerst gestart wordt met 19 jongeren en dat er dan geëvalueerd wordt en daarna eventueel verder gekeken wordt naar meer jongeren. Daarnaast stellen eisers 1 dat de locatie sowieso niet geschikt is voor zo’n grote groep en ze vinden de locatie niet kleinschalig.



13.1.
Hoewel de voorzieningenrechter begrip heeft voor de wens van eisers 1 om eerst kleinschaliger te starten, kan de voorzieningenrechter hier niet zelf een andere keuze in maken dan het college heeft gedaan. Zoals onder 6.1 is overwogen is het een politiek-bestuurlijke keuze van het college of en hoeveel asielzoekers er opgevangen worden. Het college moet daarnaast ook beslissen op de vergunning zoals die is aangevraagd door het COA. De voorzieningenrechter beoordeelt alleen de rechtmatigheid van het bestreden besluit en heeft niet de ruimte om zelf een andere politiek-bestuurlijke keuze te maken.



13.2.
De voorzieningenrechter kan wel een oordeel geven of de komst van 80 asielzoekers op deze locatie ruimtelijk aanvaardbaar is. De voorzieningenrechter is, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat het college een asielzoekerscentrum voor 80 minderjarige asielzoekers op deze locatie in redelijkheid ruimtelijk aanvaardbaar heeft kunnen achten. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de belangen van omwonenden onevenredig worden geschaad.


Tussenconclusie

14. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De beroepsgrond slaagt niet.


Heeft er voldoende participatie plaatsgevonden?

15. Eisers 1 zijn van mening dat er onvoldoende participatie heeft plaatsgevonden, dan wel dat de gesprekken die wel hebben plaatsgevonden, niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Op zitting hebben eisers 1 uitgebreid toegelicht dat zij heel vaak op het gemeentehuis zijn geweest voor overleg en dat zij in eerste instantie wel het idee hadden dat er geluisterd werd. Eisers 1 wijzen er ook op dat er concrete afspraken zijn gemaakt over de exacte locatie van de opvang en alles er omheen, maar dat deze afspraken zonder aankondiging in het laatste overleg van tafel zijn geveegd.



15.1.
Het uitgangspunt onder de Omgevingswet is dat participatie door de initiatiefnemer bij omgevingsvergunningen vrijwillig is, maar de gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin participatie een verplicht aanvraagvereiste is. Participatie door vergunninghoudster is in dit geval niet verplicht gesteld door de gemeenteraad. Ook bevat de Omgevingswet geen verplichting voor het college om aan participatie te doen. Kortom; de wet bevat geen verplichting om omwonenden vooraf te betrekken bij dit project. Nu participatie voor dit project niet verplicht is, kan de gestelde omstandigheid dat de participatie gebrekkig was, ook als dat inderdaad zo is, dus niet tot het oordeel leiden dat de omgevingsvergunning om die reden niet verleend had mogen worden.



15.2.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog als volgt. In dit geval is er dus onverplicht aan participatie gedaan en eisers 1 zijn erg ontevreden over hoe dat traject plaatsvond. De voorzieningenrechter kan dit begrijpen. Het college heeft op zitting erkend dat omwonenden met een architect hebben gesproken en tot een concreet plan zijn gekomen. Achteraf bleek dat dit plan niet uitvoerbaar was, omdat de voorwaarden die het COA stelt aan een opvanglocatie door de architect niet waren betrokken in dat plan. Het college heeft hier meermaals zijn excuses voor aangeboden. De voorzieningenrechter merkt op dat hij de gevoelens van eisers 1 snapt en dat hij begrijpt dat het frustrerend is dat een concreet plan waarover uitgebreid is meegedacht – in de woorden van eisers 1 – abrupt van tafel is geveegd. Het college zal hier in toekomstige situaties zorgvuldiger mee om moeten gaan. Zoals onder 14.1 is overwogen, kan deze misser van het college echter niet tot gevolg hebben dat in dit concrete geval de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden.
De beroepsgrond slaagt niet.


Is voldoende geborgd dat de opvanglocatie tijdelijk is?

16. Eisers stellen dat de tijdelijkheid eigenlijk geen tijdelijkheid is. Het COA kan namelijk in overleg met de gemeente een verlenging van de vergunning aanvragen.

17. Wat er ook van zij van de mogelijkheid dat in de toekomst een nieuwe vergunning wordt aangevraagd, dat maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat deze vergunning niet tijdelijk is. De vergunning is expliciet verleend voor de duur van 10 jaar. De voorzieningenrechter kan alleen de rechtmatigheid van deze vergunning beoordelen en kan niet vooruit lopen op eventuele nieuwe aanvragen in de toekomst.
De beroepsgrond slaagt niet.





Beroepsgronden in de zaken met zaaknummers 26/463 en 26/465

18. Eiser 2 voert aan dat hij vreest dat zijn bedrijfsvoering beperkt wordt. Hij kan gewasbeschermingsmiddelen gebruiken en stelt dat hij daarin beperkt wordt als gevolg van de verleende omgevingsvergunning. Het college zal moeten zorgen voor voldoende afstand tussen de agrarische percelen en de te bouwen opvanglocatie. In dit geval wordt de opvanglocatie binnen een afstand van 50 meter van het perceel van eiser 2 gerealiseerd.


18.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat in het tijdelijk deel van het omgevingsplan een verbodsbepaling is opgenomen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen een afstand van 50 meter van gevoelige locaties. Deze verbodsbepaling ziet uitsluitend op gevallen waarin het gaat om tuinbouw met open grondteelt, fruitteelt of boomkwekerijen. Uit het omgevingsplan vloeit dus al een beperking voort. Omdat rondom het perceel van eiser 2 al gevoelige objecten aanwezig zijn, zoals de woningen van eisers in de andere zaak, kan hij ook nu slechts op een klein deel van zijn perceel gewasbeschermingsmiddelen gebruiken bij de drie genoemde teeltsoorten. Dat gebruik wordt door de komst van de asielzoekers nog verder beperkt, hetgeen door het college erkend wordt. De voorzieningenrechter is evenwel met het college van oordeel dat het nadeel van eiser 2 voor deze teeltsoorten beperkt is. Als gevolg van de reeds op grond van het omgevingsplan aanwezige beperking kan hij op verreweg het grootste deel van zijn perceel ook zonder de komst van de opvanglocatie al geen gewasbeschermingsmiddelen gebruiken voor de drie genoemde teeltsoorten. De verdere inperking als gevolg van de komst van de opvanglocatie is daarom relatief beperkt. Eiser 2 heeft op zitting nog toegelicht dat hij mogelijk ook beperkt wordt als hij eventueel andere gewassen zou telen (zoals maïs of gras), maar hij heeft slechts in algemene zin gesteld dat de komst van het asielzoekerscentrum zou kunnen leiden tot een beperking. Waar eiser 2 precies in beperkt wordt, heeft hij echter niet voldoende onderbouwd. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat uit het omgevingsplan geen verdere beperkingen volgen bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor andere gewassen dan de drie hiervoor genoemde teelten.



18.2.
Het college heeft het beperkte nadeel dat eiser 2 mogelijk ondervindt betrokken in de belangenafweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter is, gelet op hetgeen onder 18.1 is overwogen, van oordeel dat het college voldoende kenbaar en begrijpelijk heeft gemotiveerd dat eiser 2 weliswaar enig nadeel ondervindt, maar dat dit nadeel niet opweegt tegen het toestaan van de huisvestingslocatie voor minderjarige asielzoekers. De beroepsgrond slaagt niet.



18.3.
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op dat, zoals het college ook heeft benoemd, eiser 2 onder omstandigheden om nadeelcompensatie zou kunnen verzoeken.





Beroepsgronden in de zaken met zaaknummers 25/6614 en 25/6587

19. Eiser 3 woont op 8,6 kilometer van de te realiseren opvanglocatie en het is de voorzieningenrechter, ook na dit meermaals gevraagd te hebben op zitting, nog enigszins onduidelijk waarom hij opkomt tegen deze omgevingsvergunning. Eiser 3 heeft wel meerdere stukken ingediend bij de rechtbank, maar daarin uit hij vooral in algemene zin zijn ongenoegen over de gemeente Bronckhorst en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uit de meeste stukken volgen geen concrete beroepsgronden over waarom het college de omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen. Met enige goede wil zou de voorzieningenrechter uit de stukken een beroepsgrond kunnen halen over de verrichte participatie. Eiser 3 stelt namelijk dat de belangen van omwonenden onvoldoende betrokken zijn door de gemeente. De voorzieningenrechter is op dit punt reeds ingegaan en de voorzieningenrechter verwijst daarom kortheidshalve naar rechtsoverweging 15 en verder.


19.1.
Op zitting heeft eiser 1 nog aangevoerd dat er op grond van de ‘Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen’ (ook wel de Spreidingswet genoemd) en het daarop gebaseerde verdeelbesluit slechts 19 alleenstaande minderjarige asielzoekers opgevangen hoeven te worden in de gemeente Bronckhorst. Zoals onder het wettelijk kader uiteen is gezet, kan een omgevingsvergunning op basis van de Omgevingswet alleen geweigerd worden als er geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De Spreidingwet en de daarop gebaseerde verdeling met betrekking tot het aantal opvangplekken per gemeente vormt in de Omgevingswet geen weigeringsgrond voor een omgevingsvergunning. Ook als de gemeente Bronckhorst besluit om meer minderjarige asielzoekers op te vangen dan op grond van de Spreidingswet is vereist, staat dat niet in de weg aan verlening van deze vergunning.
De beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

20. De beroepen zijn ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter op de beroepen beslist, wijst hij de verzoeken om een voorlopige voorziening af.


20.1.
Voor proceskostenveroordelingen of vergoedingen van het griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding.






Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.














griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.



Het college heeft hiertoe de mogelijkheid op grond van artikel 16.65, vierde lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet.


Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.


Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.


ABRvS 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2058. Deze uitspraak is weliswaar gebaseerd op de Wabo (en dus op het oude recht), maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat deze rechtspraak ook onverkort toegepast kan worden onder de Omgevingswet.


Zie artikel 5.7 van de Omgevingswet, waaruit volgt dat een omgevingsvergunning voor verschillende activiteiten zowel los als gelijktijdig kan worden aangevraagd.


Vergelijk bijvoorbeeld Rb. Gelderland 9 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3574.


De gemeenteraad heeft deze bevoegdheid op grond van artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet.
Link naar deze uitspraak