|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:3337 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 14-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | ARN 25/2515 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor het realiseren van twee paardenboxen. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een functionele binding en stelt vast dat het college heeft gemotiveerd waarom de omgevingsvergunning niet kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bedrijfswoning | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | geurhinder | | | omgevingsvergunning | | | paarden | | | perceel | | | wet milieubeheer | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2515
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
(gemachtigde: mr. J.M.M. Kroon),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld
(gemachtigden: K. van de Wateringen en H. Landewaard).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor het realiseren van twee paardenboxen op het adres [adres] [nummer 1] te [plaats 2] , (hierna: het perceel). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Op 10 april 2024 heeft het college een aanvraag van eiser ontvangen voor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit voor het realiseren van twee paardenboxen op het perceel. Op het perceel is het omgevingsplan van de gemeente Epe (waarvan het voormalige bestemmingsplan Buitengebied 2012 onderdeel uitmaakt) van toepassing. Volgens dit omgevingsplan rust op het perceel de bestemming ‘Sport’ met de functieaanduiding 'manege' en 'verblijfsrecreatie'.
3. Het perceel is ontstaan uit een groter complex aan de [adres] in [plaats 2] , waarvoor op 23 januari 2008 een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer is verleend voor een veehouderijbedrijf met recreatievoorziening. In 2020 is dat perceel gesplitst en is een deel daarvan aan (onder andere) eiser verkocht. Naast het bedrijf van eiser, [adres] [nummer 1] , is sindsdien sprake van een afzonderlijk bedrijf, gevestigd op nummer [nummer 2] , met een andere eigenaar. Ook bevindt zich op de locatie nog een woning, [adres] [nummer 3] .
Plattegrond ter illustratie.
3.1.
Bij besluit van 10 april 2024 heeft het college de aanvraag voor een omgevingsvergunning geweigerd. Ten eerste is de maximale totale bebouwde oppervlakte van gebouwen ten behoeve van een sportvoorziening al bereikt door de bestaande bebouwing. Omdat de manege al te dicht bij de woning aan de [adres] [nummer 3] is gelegen en de geurbelasting volgens de geldende geurwetgeving reeds te hoog is, is uitbreiding met twee paardenboxen niet toegestaan.
3.2.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 april 2024. Met het besluit van 29 april 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen dit besluit.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Wettelijk kader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Agrarisch Buitengebied Ede 2012’ van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Ede. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan.
4.1.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt onder meer een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl wordt de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.2.
In artikel 17.2.2, onder c, van de planregels van het bestemmingsplan ‘Agrarisch Buitengebied Ede 2012’ (hierna: het bestemmingsplan) is bepaald dat de totale bebouwde oppervlakte van gebouwen voor een sportvoorziening niet meer mag bedragen dan 900 m2.
4.3.
In artikel 22.101 van het Omgevingsplan, dat onderdeel vormt van de bruidsschat, is bepaald dat met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder bij het houden paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, de afstand tot een geurgevoelig object, niet kleiner is dan 50 meter. In artikel 22.102 van het Omgevingsplan is bepaald dat artikel 22.101 van het Omgevingsplan niet van toepassing is als op een locatie waarop onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstandseis van artikel 22.101 van het Omgevingsplan.
4.4.
Op grond van artikel 22.93 van het Omgevingsplan geldt de betreffende afstandseis niet als het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit. In de artikelsgewijze toelichting bij dit artikel wordt aangegeven dat aangesloten wordt bij artikel 5.95 van het Bkl. In de artikelsgewijze toelichting behorende bij artikel 5.95 van het Bkl wordt aangegeven dat aan de hand van een feitelijke constatering bepaald wordt of er sprake is van een functionele binding.
Standpunt van het college.
5. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van strijd met het omgevingsplan. Op het perceel is reeds meer dan 900 m2 bebouwing ten behoeve van de ter plaatse gevestigde manege aanwezig, zodat extra bebouwing in strijd is met artikel 17.2.2, onder c, van de planregels. Verder bedraagt de afstand tussen de paardenboxen en de woning aan de [adres] [nummer 3] minder dan 50 meter, zodat sprake is van strijd met de afstandseis van artikel 22.101 van het omgevingsplan. Volgens het college wordt niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 22.93 of 22.102 van het omgevingsplan om af te wijken van deze afstandseis. Het college is niet bereid om een omgevingsvergunning te verlenen voor het buitenplans afwijken van deze voorschriften omdat niet wordt voldaan aan de eis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college ziet in de overschrijding van het toegestane bebouwde oppervlak op zichzelf geen bezwaar, omdat het gaat om een minimale ruimtelijke wijziging binnen een bestaande manege, aansluitend op de bestaande bebouwing. Door de uitbreiding kunnen echter ook twee extra paarden worden gehuisvest, wat leidt tot een toename van de geurbelasting in een al overbelaste situatie. Dit acht het college niet vergunbaar.
Is sprake van strijd met de regels van het omgevingsplan?
6. Eiser betwist niet dat sprake is van strijd met het maximum aan bebouwd oppervlak op het perceel. Hij betwist ook niet dat de paardenboxen op minder dan 50 meter van een geurgevoelig object, de woning, worden gebouwd. Hij betoogt echter dat deze afstandseis niet geldt omdat sprake is van een functionele binding tussen het bedrijf van eiser en deze woning, zodat artikel 22.93 van toepassing is. Ook doet hij een beroep op de regeling voor bestaande situaties zoals opgenomen in artikel 22.102 van de planregels. Aangezien de afstandseis niet geldt is slechts sprake van overtreding van het maximum aan bebouwd oppervlak en daarvan heeft het college aangegeven dat een buitenplanse vergunning verleend kan worden.
Functionele binding
7. Eiser stelt dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een functionele binding tussen de aangevraagde activiteit en de woning aan de [adres] [nummer 3] . De functionele binding zou moeten worden bezien vanuit milieurechtelijk perspectief, in het bijzonder wat betreft geur. Voor de inrichting is in 2008 een revisievergunning verleend. De aangevraagde activiteit en de woning maakten destijds onderdeel uit van dezelfde inrichting. Binnen een inrichting zijn activiteiten en geurgevoelige objecten volgens eiser per definitie functioneel met elkaar verbonden. Eiser stelt dat, indien wordt aangenomen dat de woning aan de [adres] [nummer 3] privaatrechtelijk is afgesplitst, deze woning ten onrechte bescherming zou krijgen ten opzichte van de activiteit waartoe zij oorspronkelijk behoorde, namelijk de manege. Daarom is volgens eiser van belang dat bij de beoordeling van de geurbescherming niet wordt uitgegaan van de actuele eigendomssituatie of feitelijke bedrijfsvoering, maar uitsluitend van een milieujuridisch perspectief. Eiser stelt verder dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat het zaaksgebonden karakter van de revisievergunning uit 2008 niets zegt over het bestaan van een functionele binding. Volgens eiser is de vergunning destijds verleend voor de gehele inrichting en blijft deze ook na overdracht van delen van de inrichting gelden, ongeacht civielrechtelijke eigendomsverhoudingen.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een functionele binding. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 22.93 van het omgevingsplan staat dat wordt aangesloten bij artikel 5.95 van het Bkl, waaruit volgt dat aan de hand van een feitelijke constatering wordt bepaald of sprake is van een functionele binding. De feitelijke situatie is daarmee bepalend voor het antwoord op de vraag of sprake is van een functionele binding. De rechtbank acht in dit geval van belang dat de manege en de woning op verschillende percelen liggen, verschillende bestemmingen hebben, niet gezamenlijk worden geëxploiteerd en geen organisatorische of economische samenhang vertonen. De stelling dat sprake is van een functionele binding omdat in 2008 een revisievergunning is verleend waarin zowel de manege als de woning waren opgenomen, en dat die vergunning nog altijd geldt, maakt dat niet anders. Hiervoor bestaat namelijk geen steun in of krachtens de wet, noch in de toelichting bij de Omgevingswet of in de parlementaire geschiedenis. Het college stelt terecht dat de door eiser aangehaalde oudere jurisprudentie niet van toepassing is, omdat in dit geval geen sprake is van een afsplitsing van een bedrijfswoning van een nog actief bedrijf waartoe het behoorde. In dit geval is namelijk sprake van een splitsing in twee losstaande bedrijven, waarbij het bedrijf van eiser na de splitsing ook een eigen bedrijfswoning op het eigen perceel heeft gekregen, in een deel van de vroegere groepsaccommodatie. De woning waarop volgens het college de geurhinder ontstaat, wordt sindsdien deels als dienstwoning bij het andere bedrijf gebruikt en sinds enig moment ook deels als burgerwoning. Als sprake zou zijn van een voormalige functionele binding van die woning met een bedrijf, dan is dat met het andere bedrijf, niet met het bedrijf van eiser. Bovendien ziet die jurisprudentie op de beoordeling van een voormalige functionele binding, waarvoor inmiddels een specifieke regeling geldt (artikel 22.94 van het omgevingsplan). Eiser heeft niet betwist dat deze regeling in deze zaak geen toepassing vindt.
7.2.
De rechtbank stelt verder vast dat het zaaksgebonden karakter van de vergunning slechts inhoudt dat deze aan de locatie is verbonden. Dit houdt niet meer in dan dat voor het afgesplitste deel nog steeds een toestemming bestaat voor de vergunde exploitatie, voor zover de vergunning op dat betreffende deel ziet. Dit betekent echter niet dat alle gebouwen of functies blijvend onderdeel uitmaken van één inrichting.
Eerbiedigende werking voor afstand
8. Eiser stelt dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 22.102 van het omgevingsplan niet van toepassing is. Volgens eiser werd vlak vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtmatig niet voldaan aan de afstandseis, omdat de woning onderdeel zou zijn van dezelfde omgevingsplanactiviteit als de manege. Artikel 22.102 zou alleen zien op nieuwe activiteiten, terwijl hier sprake is van een bestaande, eerder vergunde situatie. Daarnaast voert eiser aan dat de paardenboxen uitsluitend gebruikt zouden worden voor het in quarantaine houden van paarden en niet voor het houden van extra paarden.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank merkt op dat ter zitting is gebleken dat er op dit moment onduidelijkheid bestaat over wat ter plaatse is toegestaan wat betreft het aantal paarden. De rechtbank stelt vast dat de stalcapaciteit door de aanvraag toeneemt. Of hiervan feitelijk gebruik zal worden gemaakt, is niet bepalend, omdat moet worden uitgegaan van hetgeen planologisch mogelijk wordt gemaakt. Artikel 22.102 biedt slechts bescherming aan bestaande situaties indien de afstand vóór 1 januari 2024 reeds kleiner was dan 50 meter, het aantal paarden niet toeneemt en de afstand niet verder afneemt. Hoewel aan de eerste voorwaarde is voldaan, maakt de aanvraag de bouw van twee extra paardenboxen mogelijk, waardoor ook het houden van twee extra paarden mogelijk wordt. De stalcapaciteit neemt daarmee feitelijk toe, ongeacht het door eiser gestelde gebruiksdoel. De rechtbank oordeelt dat artikel 22.102 ziet op de objectieve mogelijkheid om meer dieren te houden en niet op intenties of incidenteel gebruik.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
9. De rechtbank stelt vast dat het college heeft gemotiveerd waarom de omgevingsvergunning niet kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De manege ligt reeds te dicht bij de woning aan de [adres] [nummer 3] en de geurbelasting is volgens de geldende geurwetgeving al te hoog. Eiser heeft, los van de hiervoor al besproken stellingen over functionele samenhang en de bestaande situatie, geen gronden gericht tegen deze afweging. Het college heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uitbreiding met twee paardenboxen niet is toegestaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de aanvraag in redelijkheid heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. van Oosterhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 17.2.2, onder c, van de planregels.
Artikel 22.1 Omgevingswet en artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet.
ECLI:NL:RVS:2010:BK9887. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|