|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:3345 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 04-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | ARN 24/6344 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Weigering omgevingsvergunning voor tijdelijke opslag van recreatieverblijven van zeven maanden. Einddatum van de aanvraag tot 1 mei 2024 is verstreken. Eiseres heeft nog procesbelang omdat over de periode waar de aanvraag op ziet een last onder dwangsom is opgelegd. Tijdelijke opslag van recreatieverblijven past niet binnen de agrarische bestemming, zodat een omgevingsvergunning is vereist. Het college heeft in redelijkheid de omgevingsvergunning kunnen weigeren. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | stallen | | | stikstofdepositie | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/6344
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. M. Gideonse),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren
(gemachtigde: mr. A. de Zeeuw).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen voor de tijdelijke opslag van recreatieverblijven voor de duur van zeven maanden. Eiseres is het niet eens met de weigering van de omgevingsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de geweigerde omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid kon weigeren. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 21 december 2023 heeft het college geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor de tijdelijke opslag van recreatieverblijven op het perceel [perceelnummer] in [plaats] voor zeven maanden. Met de beslissing op bezwaar van 31 juli 2024 is het college bij de weigering van de omgevingsvergunning gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft nadere stukken ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college. De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig op zitting behandeld met de procedures ARN 24/4667 en ARN 24/9185 (over de aan eiseres opgelegde lasten onder dwangsom).
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres heeft een seizoensgebonden omgevingsvergunning voor het plaatsen van recreatieverblijven op het recreatieterrein [naam terrein] aan de [locatie 1] [nummer 1] in [plaats]. Deze omgevingsvergunning geldt van maart tot en met oktober. Omdat eiseres in de overige maanden de recreatieverblijven elders moet stallen, heeft zij begin 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de duur van twee jaar voor tijdelijke opslag van recreatieverblijven op het perceel [perceelnummer], naast [locatie 1] [nummer 2], in [plaats]. Het college heeft deze omgevingsvergunning geweigerd. Met de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 14 november 2024 is het beroep van eiseres tegen de geweigerde omgevingsvergunning ongegrond verklaard.
3.1.
Op 18 oktober 2023 heeft eiseres wederom een omgevingsvergunning aangevraagd voor de tijdelijke opslag van de recreatieverblijven op het perceel [perceelnummer], naast [locatie 1] [nummer 2], in [plaats]. De omgevingsvergunning is aangevraagd voor de duur van zeven maanden, uiterlijk tot 1 mei 2024. De opslag ziet op 94 recreatieverblijven met een oppervlakte van ongeveer 54 m2 per verblijf. De aanvraag ziet op de activiteit “gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan”.
3.2.
Op het perceel is het bestemmingsplan “Buitengebied Buren 2008” van toepassing. Het perceel heeft hierin de bestemming “Agrarisch - Oeverwalgebied”. Deze gronden zijn bestemd voor onder andere grondgebonden agrarische productie en het weiden van dieren.
3.3.
Volgens het college past de betreffende opslag niet binnen de bestemmingsomschrijving. Er is met de opslag van recreatiewoningen geen sprake van grondgebonden agrarische productie of het weiden van dieren. Ook kan het beoogde gebruik niet gezien worden als de instandhouding, het herstel of de ontwikkeling van landschappelijke- en natuurwaarden die eigen zijn aan het agrarisch overwalgebied. Dat de recreatieverblijven jaarlijks van het perceel [locatie 1] [nummer 1] in [plaats] verwijderd moeten worden vanwege waterhuishoudkundige redenen op het perceel, maakt volgens het college ook niet dat het opslaan van de recreatieverblijven valt onder ‘een watergang of voorziening ten behoeve van de waterhuishouding’.
3.4.
Het college heeft op 21 december 2023 geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bestemmingsplan, omdat er volgens het college geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Met de beslissing op bezwaar van 31 juli 2024 is het college bij dat besluit gebleven.
Heeft eiseres nog procesbelang?
4. Eiseres heeft op 18 oktober 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de duur van zeven maanden, tot uiterlijk 1 mei 2024. Deze einddatum is inmiddels verstreken.
4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres geen procesbelang meer heeft, omdat de periode waar de aanvraag op ziet verstreken is. Er wordt volgens het college wel procesbelang aangenomen als een inhoudelijk oordeel kan worden betrokken bij toekomstige besluitvorming over soortgelijke verschillen. Volgens het college is dat hier niet aan de orde.
4.2.
Eiseres meent dat zij procesbelang heeft, vanwege de aan haar opgelegde last onder dwangsom en het daartegen aanhangige beroep met zaaknummer ARN 24/4667. De opslag van de recreatieverblijven op het betreffende perceel staat ook in die procedure ter discussie. In die procedure heeft het college ook een invorderingsbesluit genomen. Volgens eiseres had het verlenen van de omgevingsvergunning kunnen voorkomen dat eiseres een dwangsom verbeurde. Daarom heeft zij belang bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit.
4.3.
De rechtbank oordeelt dat eiseres nog procesbelang heeft bij de beoordeling van haar beroep. Het college heeft een last onder dwangsom opgelegd aan eiseres vanwege het stallen van de recreatieverblijven op het perceel in de periode waar de aanvraag om de omgevingsvergunning op ziet en vordert de daaraan verbonden dwangsom in. Het is daarom niet onaannemelijk dat eiseres schade heeft geleden. Dat de periode waar de aanvraag op ziet al is verstreken, maakt dat niet anders.
Is er een omgevingsvergunning vereist?
5. Eiseres betoogt dat er geen omgevingsvergunning vereist is voor het gebruik. Eisers wijst op het doel van de opslag in relatie tot de waterhuishouding en waterberging en de omstandigheid dat opslag in de openlucht lager dan 4 meter niet als strijdig gebruik wordt aangemerkt in de planregels.
5.1.
De rechtbank heeft in de uitspraak van 11 november 2024 hierover het volgende geoordeeld:
“5.2. Zoals de voorzieningenrechter bij uitspraak van 28 februari 2024 reeds eerder heeft geoordeeld, is de opslag van recreatieverblijven niet toegestaan binnen de bestemming Agrarisch-Oeverwalgebied. De opslag van recreatieverblijven past namelijk niet binnen het toegestane gebruik zoals dat in artikel 9, eerste lid, van de planregels is omschreven. Opslag is volgens artikel 9, eerst lid, onder a, b en c, van de planregels toegestaan als het gaat om opslag ten behoeve van grondgebonden agrarische productie of het weiden van dieren. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het beoogde gebruik kan ook niet worden gezien als de instandhouding/herstel/ontwikkeling van de landschappelijke waarden/natuurwaarden die eigen zijn aan een agrarisch oeverwalgebied (sub d) of als extensief dagrecreatief medegebruik (sub f). Voor zover eiseres betoogt dat het opslaan van recreatieverblijven past in het bestemmingsplan omdat dit onder water- en natuurbeheer valt, overweegt de voorzieningenrechter nog dat het enkele feit dat de recreatieverblijven jaarlijks van verblijfsrecreatieterrein [naam terrein] in [plaats] verwijderd moeten worden vanwege waterhuishoudkundige redenen op dat perceel, niet maakt dat het opslaan van recreatieverblijven op dit perceel als natuur- of waterbeheer aangemerkt wordt.”
5.2.
In dat wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om nu anders te oordelen dan in de hiervoor genoemde uitspraak. Er is daarom een omgevingsvergunning nodig voor het opslaan van de recreatieverblijven op het perceel. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college in redelijkheid de omgevingsvergunning kunnen weigeren?
6. Eiseres betoogt dat het college de belangen niet goed heeft afgewogen gelet op het incidentele en eenmalige karakter van de omgevingsvergunning. De opslag is voor een korte termijn aangevraagd. Op 1 april 2024 zouden de recreatieverblijven weer op het recreatieterrein staan. Een verplaatsing voor die tijd is volgens eiseres onredelijk bezwarend. Niet alleen financieel, maar ook omdat zij geen alternatieve locatie voorhanden heeft. Verder wijst eiseres op het gesprek met het college van 17 oktober 2023. In dat gesprek is nadrukkelijk gesproken over de incidentele en eenmalige oplossing, om aan de opgelegde last onder dwangsom te kunnen voldoen.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat hij de tijdelijkheid en het incidentele karakter heeft meegewogen. Dit is ook opgenomen in de overwegingen op pagina 7 en 8 van het weigeringsbesluit. Het gaat om de opslag van de recreatieverblijven voor ongeveer een half jaar. De totale oppervlakte beslaat meer dan 5.000 m2, met een volume van 16.750 m3. Ook voor een tijdelijke afwijking vindt het college de ruimtelijke impact te groot. Vanaf de dijk bestaat vol zicht op de recreatieverblijven. In de aanvraag is ook geen concreet voorstel overgelegd voor landschappelijke inpassing. Dat de (inmiddels voormalige) loods op het adres [locatie 1] [nummer 2] in [plaats] die aanvankelijk als opslaglocatie zou worden gebruikt niet geschikt was voor de recreatieverblijven, is geen omstandigheid die aan het college te wijten is. Het college heeft bij de aanvraag om de omgevingsvergunning voor het recreatiepark aan de [locatie 1] [nummer 1] ook gevraagd waar de recreatieverblijven in de winterperiode worden opgeslagen. Eiseres heeft daarop zelf geantwoord dat de opslag plaatsvindt in de loodsen en op een locatie elders. Het komt volgens het college voor risico van eiseres dat deze loods uiteindelijk niet geschikt bleek.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en het de betrokken belangen moet afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende gemotiveerd heeft dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In het primaire besluit heeft het college een uitgebreide opsomming gegeven van redenen waarom er volgens het college sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Zo heeft het college er bijvoorbeeld op gewezen dat het (tijdelijk) opslaan van recreatieverblijven op een agrarisch perceel zonder bouwvlak niet wenselijk is. De rechtbank acht het niet onredelijk dat het college in principe wil vasthouden aan agrarische activiteiten in het buitengebied. Verder heeft het college gemotiveerd dat volgens de “Omgevingsvisie gemeente Buren” de noordzijde van het dorp (tussen de [locatie 2], de [locatie 3] en de [locatie 1]) aangewezen is als waardevolle dorpsrand, om zo voldoende openheid en groen te behouden. Ook heeft het college gemotiveerd dat het open en groene karakter van het perceel niet behouden blijft met de opslag van de recreatieverblijven, terwijl dat wel noodzakelijk is om de groene kwaliteiten van het buitengebied te behouden. De rechtbank acht het, gelet op de motivering van het college, voldoende begrijpelijk dat het college de omgevingsvergunning heeft geweigerd wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.
6.4.
Over de belangenafweging overweegt de rechtbank dat het college de belangen van eiseres wel uitdrukkelijk betrokken heeft bij de weigering van de omgevingsvergunning. Hieraan heeft het college geen doorslaggevende betekenis toegekend. Eiseres zal kosten moeten maken als zij een andere locatie moet vinden om de recreatieverblijven op te slaan, maar dit komt voor rekening en risico van eiseres. Het is geen reden om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bestemmingsplan, terwijl er geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ook volgt uit het besluit dat het college zich rekenschap heeft gegeven van de tijdelijke aard van de aanvraag. Omdat het gaat om de opslag van 94 recreatieverblijven met een grootte van ongeveer 54 m2 per verblijf is de ruimtelijke impact volgens het college te groot, ook voor een tijdelijke periode. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren.
Stikstof, flora en fauna
7. Eiseres betoogt dat de extra verplaatsing van de recreatieverblijven zorgt voor extra stikstofdepositie. Dat heeft onevenredige gevolgen voor ecologie. Verder meent eiseres dat het college zich niet op het standpunt kon stellen dat de Quickscan flora en fauna onvoldoende toelichting zou bevatten. In de aanvullende notitie bij de aanvraag worden de eerdere uitkomsten van de Quickscan bevestigd.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat stikstof, flora- en fauna geen onderdeel uitmaken van het weigeringsbesluit. Het college heeft de omgevingsvergunning op andere gronden geweigerd. Omdat uit het voorgaande volgt dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning kon weigeren, doet de eventuele gevolgen van stikstofdepositie en de Quickscan flora en fauna aan het voorgaande niet af. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de weigering van de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaaknummers ARN 24/7316 en ARN 24/7831, niet gepubliceerd.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Artikel 9, eerste lid, onder e, van het bestemmingsplan.
Artikel 2.12, eerste lid, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, elfde onderdeel, van bijlage II bij het Besluit Omgevingsrecht.
Het college verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:853.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1136. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|