|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:4048 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 25-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | 26/904 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | Voorlopige voorziening, beëindiging bijstand, geld waardeerbare werkzaamheden, inlichtingenplicht, recht niet schattenderwijs vast te stellen. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | bijstandsuitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/904
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede
(gemachtigden: mr. A. Klok, R. van Kooten en L. Salhi).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college om het recht op bijstand van verzoeker te beëindigen per 13 februari 2026. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het besluit van 1 januari 2025 ontving verzoeker bijstand per 4 november 2024 naar de gehuwdennorm op grond van de Participatiewet (Pw). In dat besluit heeft het college verzoeker ook aanvullende verplichtingen opgelegd op grond van artikel 55 van de Pw.
2.1.
Met het bestreden besluit van 13 februari 2026 heeft het college bepaald dat de bijstand aan verzoeker over de periode van 1 augustus 2025 tot en met 12 februari 2026 wordt herzien en ingetrokken en per 13 februari 2026 wordt beëindigd, omdat het recht niet kan worden vastgesteld. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Is er spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het spoedeisend belang. Het verzoek heeft betrekking op (beëindiging van de) algemene bijstand, een vangnetvoorziening. Een dergelijk verzoek is naar zijn aard spoedeisend, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Daarvan is, mede gelet op de overlegde bankafschriften, niet gebleken.
Toetsingskader
4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
4.1.
Beëindiging van bijstand is, net als intrekking van de bijstand, een voor verzoeker belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor beëindiging is voldaan in beginsel op het college. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat verzoeker gedurende de te beoordelen periode de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht over die periode niet kan worden vastgesteld. Het college is niet bevoegd om het recht op bijstand te beëindigen als uit alsnog verkregen inlichtingen blijkt dat het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld door de bijstand te herzien en bij het vaststellen van de hoogte van de bijstand rekening te houden met de inkomsten van verzoeker.
De beoordelingsperiode
5. De te beoordelen periode loopt vanaf 1 augustus 2025 tot en met 13 februari 2026.
Heeft het college de bijstand kunnen beëindigen?
6. Het college heeft het recht op bijstand beëindigd, omdat het recht niet vastgesteld kan worden. Uit onderzoek is volgens het college gebleken dat verzoeker op geld waardeerbare arbeid uitvoert. Het is onduidelijk wat de omvang van deze werkzaamheden is. Verzoeker heeft de inlichtingenplicht van artikel 17 van de Pw geschonden, omdat hij over de periode van 1 augustus 2025 tot en met 12 februari 2026 zijn inkomsten niet heeft doorgegeven. Het recht op bijstand wordt daarom ingetrokken en beëindigd op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw. Verder heeft verzoeker zich (ook) niet gehouden aan de aanvullende verplichtingen die het college op 1 januari 2025 op grond van artikel 55 van de Pw heeft opgelegd. Daarvoor krijgt hij een waarschuwing.
Heeft verzoeker de inlichtingenplicht geschonden?
7. De inlichtingenplicht staat in artikel 17, eerste lid, van de Pw en houdt in dat verzoeker onverwijld en uit eigen beweging opgave moet doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het gaat dan niet alleen om feitelijk ontvangen tegenprestaties, maar ook om het verricht van op geld waardeerbare werkzaamheden.
7.1.
Verzoeker betwist niet dat hij is vergeten om zijn werkuren en inkomsten door te geven. Hij stelt dat deze nalatigheid samenhangt met zijn medische problematiek. Verzoeker heeft namelijk MS. Verzoeker stelt dat hij niet goed kan functioneren in het dagelijks leven en dat het niet voldoen aan de informatieverplichting daar een van de gevolgen van is.
Normaal gesproken ondervangt de bewindvoerder het nakomen van de informatieplicht, maar deze heeft kennelijk niet goed gefunctioneerd. Dit maakt dat verzoeker niet verweten kan worden dat hij zich niet volledig heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen op grond van artikel 55 van de Pw. Schending van deze verplichtingen kan bovendien niet direct leiden tot beëindiging van de bijstandsuitkering. Het had op de weg van het college gelegen om verzoeker te herinneren aan de verplichtingen, maar dit heeft het college niet gedaan. Dit maakt dat het bestreden besluit buitenproportioneel is.
7.2.
Het betoog van verzoeker slaagt niet. Anders dan verzoeker begrijpt de voorzieningenrechter het bestreden besluit zo dat het recht op bijstand wordt ingetrokken en beëindigd op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw, wegens schending van de inlichtingenplicht op grond van artikel 17 van de Pw. De intrekking en beëindiging van de bijstand is niet vanwege niet nakoming van de aanvullende verplichtingen die het college op 1 januari 2025 op grond van artikel 55 van de Pw heeft opgelegd. De schending van deze aanvullende verplichtingen heeft geleid tot een waarschuwing. De voorzieningenrechter laat de gronden van verzoeker ten aanzien van schending van de aanvullende verplichtingen daarom onbesproken.
7.3.
Voor zover verzoeker stelt dat hij zijn inlichtingenplicht op grond van artikel 17 van de Pw niet heeft kunnen nakomen wegens medische beperkingen of door het nalaten van zijn bewindvoerder, slaagt dat betoog niet. Dat verzoeker niet kon voldoen aan de inlichtingenplicht vanwege zijn medische situatie volgt niet uit de overgelegde brief van de neuroloog van 27 oktober 2025. Bovendien is de in artikel 17, eerste lid, van de Pw neergelegde verplichting een objectief geformuleerde verplichting, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. Wat betreft het handelen van de bewindvoerder oordeelt de voorzieningenrechter dat, nog daargelaten dat verzoeker in de gronden van het verzoekschrift stelt dat hij zelf nalatig is geweest met het doorgeven van zijn werkuren en inkomsten, volgens vaste rechtspraak eventuele nalatigheid van de bewindvoerder voor rekening en risico van verzoeker komt.
7.4.
Nu verzoeker verder niet betwist dat hij inkomen heeft genoten, dat dit relevant is voor het recht op bijstand en dat hij hier niet (tijdig) inlichtingen over heeft gegeven, is het voldoende aannemelijk dat verzoeker de inlichtingenplicht op grond van artikel 17 van de Pw heeft geschonden. De voorzieningenrechter merkt hierbij nog op, naar aanleiding van het betoog van verzoeker, dat het gegeven dat het college inkomstengegevens kan raadplegen via Suwinet niet betekent dat dit verzoeker ontslaat van zijn verplichting om het college tijdig en uit eigen beweging relevante inlichtingen te verstreken over zijn werkzaamheden en inkomsten.
Kon het college het recht op bijstand vaststellen?
8. Het college herziet op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
8.1.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Daarbij dienen ook de door de betrokkene in de fase van bezwaar alsnog verstrekte gegevens te worden betrokken.
8.2.
Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening.
8.3.
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter hierna met een voorlopig oordeel beoordelen of verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat, als hij wel aan de inlichtingenplicht had voldaan, recht op bijstand zou hebben gehad. Indien op grond van de feiten deze vaststelling niet precies kan plaatsvinden, dan moet worden beoordeeld of het college het recht op bijstand schattenderwijs kan vaststellen.
8.4.
Verzoeker betwist niet dat hij inkomen uit werk heeft gehad in de te beoordelen periode. In bezwaar heeft verzoeker (alsnog) loonstroken over de periode augustus 2025 tot en met februari 2026 overgelegd. Verzoeker stelt dat het college op grond van deze loonstroken zijn recht op bijstand kan vaststellen. Temeer omdat het college zijn inkomsten in Suwinet kan inzien. Verzoeker stelt dat hij niet meer op geld waardeerbare arbeid heeft verricht dan waarvoor hij loon heeft ontvangen. Het college heeft volgens hem onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hier wel sprake van is.
8.5.
Het college heeft in reactie op verzoeker gesteld dat het (aanvullend) recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De arbeidsovereenkomst van verzoeker, de loonstroken en zijn verklaringen dat hij door zijn gezondheid wisselend werkzaamheden verricht zijn niet op een lijn te brengen. Het is niet verifieerbaar wat de werkelijke omvang is van de werkzaamheden van verzoeker.
8.6.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat met het overleggen van de loonstroken in beginsel de inkomsten en daarmee het recht op bijstand kan worden vastgesteld. Temeer omdat het college, zoals tijdens de zitting is gebleken, tot 1 augustus 2025 ook op deze wijze het recht op bijstand heeft vastgesteld. Dat kan worden uitgegaan van de loonstroken is alleen anders als voldoende aannemelijk is dat de feitelijke situatie niet overeenkomt met wat op de loonstroken staat. Daarvan is in dit geval sprake. De voorzieningenrechter acht daartoe de volgende feiten en omstandigheden van belang.
8.6.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker bij [naam bedrijf] in dienst was voor 20 uur per maand (5 dagen in de week voor 1 uur per dag). Tijdens de zitting heeft verzoeker toegelicht dat toen dit bedrijf is overgegaan in [naam onderneming] er geen wijziging heeft plaatsgevonden met betrekking tot zijn arbeidsovereenkomst. Verzoeker heeft toegelicht dat hij feitelijk slechts 8,67 uur per maand werkte op basis van een nulurencontract. Uit de overgelegde loonstroken blijkt echter dat verzoeker niet als oproepkracht in dienst is. Omdat geen van de partijen de arbeidsovereenkomst heeft overgelegd en verzoeker tijdens de zitting en in het gesprek over de rechtmatigheid van de (nieuwe) aanvraag bijstand op 17 maart 2026 heeft verklaard dat hij een nulurencontract heeft, gaat de voorzieningenrechter er vanuit dat verzoeker feitelijk op oproepbasis werkte.
8.6.2.
Uit de overlegde loonstroken volgt dat verzoeker over de periode van augustus 2025 tot en met februari 2026 € 130,- (bruto) per maand heeft verdiend, met in november een extra uitbetaling van vakantiegeld. Iedere maand zijn er 8,67 loonuren, over 4,33 loondagen. De voorzieningenrechter maakt uit het onderzoeksrapport van 11 februari 2026 op dat de loongegevens overeenkomen met de gegevens in Suwinet. Uit het gespreksverslag van 17 maart 2026 volgt dat verzoeker heeft verklaard dat hij met zijn zoon overlegt wanneer hij werkt. Ook op zitting heeft verzoeker aangegeven dat hij in overleg met zijn werkgever (zijn zoon) bepaald wanneer hij werkt. Verder volgt uit voornoemd verslag dat verzoeker heeft verklaard dat zijn werkdagen en -tijden wisselend zijn, afhankelijk van zijn gezondheid. Ook tijdens de zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij wisselende dagen werkt en dat hij op verschillende locaties werkt.
8.6.3.
De voorzieningenrechter overweegt op grond van het voorgaande dat het beeld dat verzoeker geeft over zijn werkzaamheden te diffuus is om aan te nemen dat het aanvullende recht op bijstand alsnog kan worden vastgesteld of geschat. Dat verzoeker elke maand precies 8,67 uur verdeeld over 4,33 dagen zou werken past niet bij zijn eigen verklaring dat hij op grond van een nulurencontract wisselende dagen en tijden werkt in verband met zijn gezondheid. Daarnaast is het niet aannemelijk dat hij elke maand precies hetzelfde aantal uren en dagen werkt, gelet op de aard van zijn werkzaamheden als chauffeur, waarover hij zelf heeft aangegeven dat hij op verschillende locaties werkt. Daarmee is er sprake van verschillende reistijden en ligt het ook voor de hand dat de arbeidstijden verschillend zijn, afhankelijk van de arbeidslocatie. Daar komt nog bij dat in afwijking van de loonstroken verzoeker een arbeidsovereenkomst heeft voor 20 uur per maand, terwijl hij in het gesprek van 17 maart 2026 heeft aangegeven een nulurencontract te hebben.
8.6.4.
Verzoeker heeft op zitting aangegeven dat hij een administratie heeft bijgehouden in de zin dat hij zijn gewerkte uren heeft bijgehouden. Hij heeft deze administratie echter niet ingebracht in deze procedure. De voorzieningenrechter overweegt dat met deze administratie mogelijk duidelijkheid gegeven kan worden over het feitelijk gewerkte aantal uren in relatie tot de loonstroken. Deze registraties zijn dan ook mogelijk relevant voor het vaststellen of schatten van het aanvullende recht op bijstand. Nu verzoeker deze administratie echter niet in het geding heeft gebracht, kan de voorzieningenrechter dit niet meenemen in zijn beoordeling.
8.7.
De voorzieningenrechter concludeert dat op basis van de huidige gegevens niet kan worden bepaald in welke mate verzoeker op geld waardeerbare arbeid verricht en daarmee in welke mate hij recht heeft op (aanvullende) bijstand. Het bezwaar heeft dan ook geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom afwijzen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 25 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1729.
Zie bijvoorbeeld uitspraak van de CRvB 6 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1845.
Vergelijk de uitspraak van de CRvB van 29 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2710.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 9 augustus 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1844. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|