Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:4157 
 
Datum uitspraak:26-05-2026
Datum gepubliceerd:29-05-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:AWB 26/1813
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:Voorlopige voorziening, Ziektewet, geen spoedeisend belang.
Trefwoorden:levensonderhoud
uitkering
uitzendbureau
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1813


uitspraak van de voorzieningenrechter van


in de zaak tussen



[verzoeker], uit [plaats 1], verzoeker

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. M.S. Winkel).




Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het UWV dat hij per 21 januari 2026 geen recht heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet.


1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

2. Verzoeker was werkzaam via een uitzendbureau bij de Hogeschool [plaats 2] als onderwijsondersteuner/educatie ICT medewerker voor 25 uur per week. Per 22 april 2025 heeft hij zich ziek gemeld bij zijn werkgever. Het dienstverband is geëindigd per 5 oktober 2025. Het UWV verleent op voorschotbasis ziekengeld per 6 oktober 2026.



2.1.
Het UWV heeft verzoeker uitgenodigd voor een spreekuur bij de verzekeringsarts op 21 januari 2026. Verzoeker heeft op 6 januari 2026 verzocht het spreekuur te annuleren en hij is op 21 januari 2026 niet verschenen. Naar aanleiding hiervan schorst het UWV de betaling van het ziekengeld per 23 januari 2026. Verzoeker wordt opnieuw uitgenodigd voor een spreekuur op 12 februari 2026. Hij verschijnt niet.



2.2.
Het UWV neemt op 16 maart 2025 een beslissing dat verzoeker vanaf 22 april 2025 recht heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet, omdat voldaan wordt aan een no-riskpolis.



2.3.
Het UWV heeft met het besluit van 30 maart 2026 het recht op ziekengeld per 21 januari 2026 ingetrokken, omdat niet kan worden vastgesteld dat verzoeker arbeidsongeschikt is. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.



2.4.
Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

Beoordeling door de voorzieningenrechter


3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Het is aan verzoeker om aannemelijk te maken dat hij verkeert in acute financiële nood.



3.1.
Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat het UWV de betaling van het ziekengeld moet hervatten vanaf 22 januari 2026. Hij stelt een spoedeisend belang te hebben bij deze voorziening, omdat hij verkeert in acute financiële nood. Hij is niet in staat in zijn levensonderhoud te voorzien.



3.2.
De griffier van de rechtbank heeft verzoeker per brief van 16 mei 2026 verzocht om toe te lichten wat maakt dat hij in acute financiële nood verkeert. Verzoeker heeft op 16 mei 2026 gereageerd. Hij heeft aangegeven dat hij bijzondere bijstand heeft aangevraagd, maar dat zijn aanvraag is geweigerd omdat een uitkering van het UWV een voorliggende voorziening is. Die voorziening wordt echter niet uitbetaald.



3.3.
Het UWV betwist dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Op basis van de gegevens uit Suwinet is het waarschijnlijk dat verzoeker nog inwoont bij zijn ouders. Er is geen blijk van een gezinsinkomen beneden het sociaal minimum. Verzoeker heeft niet met stukken onderbouwd dat er sprake is van financiële nood. Het UWV wijst erop dat het recht op ziekengeld alsnog kan worden beoordeeld, als verzoeker een nieuwe afspraak maakt voor een spreekuur en daar verschijnt.



3.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Uit wat hij heeft aangevoerd blijkt niet dat er sprake is van dreigende onomkeerbare gevolgen, zoals uithuiszetting of afsluiting van nutsvoorzieningen. In de brief van 16 mei 2026 heeft de griffier verzoeker uitdrukkelijk gevraagd naar inzicht in zijn vaste lasten en eventuele betaalachterstanden, maar hij heeft verzuimd om hier inzicht in te geven. Het enkele gegeven dat verzoeker op dit moment geen of weinig inkomen heeft is onvoldoende om te spreken van financiële nood. Daarnaast mag van verzoeker verwacht worden dat hij zich inspant om alsnog een oplossing te vinden voor de huidige situatie. Het UWV heeft aangegeven dat het recht op ziekengeld alsnog beoordeeld kan worden als verzoeker een afspraak maakt voor een spreekuur en daar verschijnt. De voorzieningenrechter acht dit niet onredelijk. Dat verzoeker niet mee wil werken aan het spreekuur, omdat in augustus en september 2025 al beoordelingen hebben plaatsgevonden waar het UWV over beschikt, acht de voorzieningenrechter geen reden waarom van verzoeker niet verwacht mag worden om mee te werken aan een spreekuur bij het UWV. Door geen gehoor te geven aan deze oproep van het UWV, houdt verzoeker de huidige situatie zelf in stand.







Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is kennelijk ongegrond, omdat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.

Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.













griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Link naar deze uitspraak