|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:4244 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | 443864 | | Rechtsgebied | : | Goederenrecht | | Indicatie | : | Burengeschil. Diverse vorderingen over en weer. Inhoud en (minst bezwarende) wijze van uitoefening van erfdienstbaarheid van uitweg (artikel 5:73 BW); inbreuk op recht op privacy door gebruik camera’s?; verwijderen van beplanting (artikel 5:42 BW); verbod betreden perceel. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | perceel | | | stallen | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/443864 / HA ZA 24-565
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[naam eiser in conventie / gedaagde in reconventie]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
advocaat: mr. J.M.E. Hamming,
tegen
1 [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 1] ,
te [woonplaats] ,2. [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 2],
te [woonplaats] ,3. [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 3],
te [woonplaats] ,4. [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 4],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
advocaat: mr. M.R. Holthinrichs.
Eisende partij in conventie zal hierna [de eiser] worden genoemd. Gedaagde partijen 1 en 2 in conventie zullen gezamenlijk [de gedaagden sub 1 & 2] worden genoemd. Gedaagde partijen 3 en 4 zullen gezamenlijk [de gedaagden sub 3 & 4] worden genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 juli 2025,
- het verkort proces-verbaal van de plaatsopneming en de mondelinge behandeling van
12 november 2025, waarin een gedeeltelijke schikking is opgenomen,
- de akte uitlating verder procederen van [de eiser] van 18 februari 2026,
- de akte uitlating verder procederen van [de gedaagden sub 1 & 2] van 18 februari 2026,
- de akte uitlating camera van [de gedaagden sub 1 & 2] van 18 maart 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [de eiser] woont op, en is eigenaar van, het perceel aan de [woonstraat] nummer [huisnummer 1] te [woonplaats] (kadastrale aanduiding [kadasternummer 1] ), [de gedaagden sub 1 & 2] woont op en is eigenaar van nummer [huisnummer 2] (kadastrale aanduiding [kadasternummer 2] ) en [de gedaagden sub 3 & 4] woont op nummer [huisnummer 3] (kadastrale aanduiding [kadasternummer 3] ). (Alleen) [de gedaagde sub. 3] is eigenaar van laatstgenoemd perceel.
2.2.
Daarnaast heeft [de eiser] nog een perceel in eigendom met een agrarische bestemming (kadastrale aanduiding [kadasternummer 4] ). Vanaf de openbare weg gezien ligt dit agrarische perceel achter de woonpercelen van [de eiser] , [de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] . [de eiser] gebruikt een gedeelte van het agrarisch perceel dat grenst aan zijn eigen woonperceel en het woonperceel van [de gedaagden sub 1 & 2] als weiland. Dit weiland ploegt en maait [de eiser] circa één keer per jaar. Het overige gedeelte van het agrarisch perceel gebruikt [de eiser] als akker.
2.3.
Bij notariële akte van ruilverkaveling van 20 september 1971 is ten behoeve van het huidige agrarisch perceel van [de eiser] en ten laste van de huidige woonpercelen van [de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] een erfdienstbaarheid van uitweg gevestigd van en naar de openbare weg.
2.4.
[de gedaagden sub 1 & 2] gebruikt deze erfdienstbaarheid (onder andere) om hooibalen en/of kuilvoer naar het weilandgedeelte van het agrarisch perceel te brengen en aldaar op te slaan. Vanaf zijn woonperceel haalt hij hier af en toe hooi om de pony’s te voeren die hij (grotendeels) op zijn woonperceel houdt.
2.5.
De ligging van de percelen van partijen ten opzichte van elkaar en de (globale) ligging van (het tracé van) de erfdienstbaarheid zijn op onderstaande kaart weergegeven.
[Afbeelding verwijderd ter anonimisatie.]
2.6.
Op 25 juli 2023 heeft [de eiser] op het achtererf van zijn woonperceel drie leiplatanen geplant op circa 70 centimeter van de erfgrens met het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] . Op enig moment heeft [de eiser] op zijn achtererf ook drie camera’s geïnstalleerd. Eén camera hangt aan de gevel van de schuur, één camera bevindt zich in de stallen en de andere camera staat los op een balk in het gebouwtje tegenover de stallen. De camera in het gebouwtje tegenover de stallen filmt in de richting van het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] .
2.7.
Tussen [de eiser] enerzijds en [de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] anderzijds is op enig moment een geschil ontstaan over de uitoefening van de erfdienstbaarheid. Daarnaast zijn tussen [de eiser] en [de gedaagden sub 1 & 2] geschillen ontstaan over (onder andere) de door [de eiser] geplaatste leiplatanen en camera’s op zijn achtererf en over het maaien en het (al dan niet) betreden van het weiland van [de eiser] door [de gedaagden sub 1 & 2] .
3Het geschil
3.1.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling een gedeeltelijke schikking getroffen, die is vastgelegd in een proces-verbaal. Nadat zij nog een nadere (vergeefse) schikkingspoging hebben ondernomen met betrekking tot de resterende vorderingen in conventie en in reconventie hebben zij de rechtbank bij akte laten weten op welke vorderingen nog dient te worden beslist. De rechtbank vat deze akten (mede) op als verminderingen van eis in conventie en in reconventie met betrekking tot de vorderingen waarop volgens partijen niet meer hoeft te worden beslist. De overgebleven vorderingen, die de rechtbank heeft hernummerd, luiden als volgt:
in conventie
3.2.
[de eiser] vordert dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat het [de eiser] of door deze ingeschakelde derden is toegestaan om over het tracé van de erfdienstbaarheid over de percelen nummer [kadasternummer 2] (het huidige perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] ) en nummer [kadasternummer 3] (het huidige perceel van [de gedaagden sub 3 & 4] ) te mogen komen en gaan, met als doel om hooi- en of kuilvoer op het weilandperceel nummer [kadasternummer 4] (deel uitmakende van het heersend erf) te plaatsen,
[de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] hoofdelijk verbiedt om vanaf 10 dagen na betekening van dit vonnis het hiervoor onder 1 omschreven gebruik van de erfdienstbaarheid door [de eiser] of door deze in te schakelen derden te verhinderen of bemoeilijken, bijvoorbeeld door verbaal derden te verbieden daar langs te gaan of feitelijk blokkeren met objecten of met lijf en leden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per keer of per dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 100.000,00,
voor recht verklaart dat de door [de eiser] opgehangen camera aan de achterzijde van zijn woning geen inbreuk maakt op de privacy rechten van [de gedaagden sub 1 & 2] en derhalve daar mag blijven hangen,
voor recht verklaart dat de drie leiplatanen op het achtererf van [de eiser] op circa 70 centimeter van de erfgrens met het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] daar mogen blijven staan, hetzij omdat dit heesters en geen bomen zijn, hetzij omdat het recht van [de gedaagden sub 1 & 2] om verwijdering te vorderen is verjaard en er een recht van erfdienstbaarheid is ontstaan ten gunste van het huisperceel van [de eiser] en ten laste van het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] om binnen de verboden afstand bomen te mogen hebben en houden,
voor recht verklaart dat het door [de eiser] slechts één keer per jaar maaien van de randen van het agrarisch perceel, daar waar dit aan het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] grenst, geen onrechtmatige daad jegens [de gedaagden sub 1 & 2] oplevert,
[de gedaagden sub 1 & 2] hoofdelijk verbiedt om zich, behoudens in een noodgeval, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [de eiser] , op het agrarisch perceel van [de eiser] te begeven, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per keer, met een maximum van € 100.000,00,
met hoofdelijke veroordeling van [de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.3.
[de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] vorderen dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [de eiser] verbiedt het tracé van de erfdienstbaarheid te gebruiken ten behoeve van enig ander erf dan het heersend erf, daaronder begrepen het vervoer van goederen of personen naar of van een perceel dat geen deel uitmaakt van het heersend perceel,
II. voor recht verklaart dat het gebruik van de erfdienstbaarheid door [de eiser] ten behoeve van het weilandperceel in strijd is met het doel en de aard van de erfdienstbaarheid althans een ongeoorloofde verzwaring oplevert van de erfdienstbaarheid,
III. [de eiser] verbiedt het tracé van de erfdienstbaarheid te gebruiken om goederen te vervoeren of personen naar het weilandperceel om aldaar te worden opgeslagen ten behoeve van het privé perceel,
[de gedaagden sub 1 & 2] vordert dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
IV. [de eiser] verbiedt gebruik te maken van camera’s die (mede) zijn gericht op andere gedeelten dan zijn eigen perceel, tenzij deze camera’s zodanig zijn afgesteld dat uitsluitend beelden van zijn eigen perceel worden vastgelegd,
V. [de eiser] gelast om alle beeldopnamen die met zijn camera’s zijn vervaardigd en waarop [de gedaagden sub 1 & 2] en/of diens perceel zichtbaar is, binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis te verwijderen dan wel te vernietigen, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat [de eiser] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,00,
VI. [de eiser] gelast de drie leiplatanen die binnen een afstand van minder dan twee meter van de erfgrens zijn geplant te verwijderen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat [de eiser] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,00,
VII. bepaalt dat de verboden genoemd onder I, III en IV telkens worden verstrekt met een dwangsom van € 500,00 per overtreding en voorts € 250,00 per dag dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 10.000,00 per afzonderlijk gevorderd verbod,
een en ander met veroordeling van [de eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.5.
[de eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling in conventie en in reconventie
4.1.
De vorderingen in conventie en in reconventie zullen gelet op het (grotendeels) spiegelbeeldige karakter daarvan gezamenlijk worden behandeld.
Erfdienstbaarheid van uitweg
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [de eiser] de gevestigde erfdienstbaarheid van uitweg (zie onder 2.3.) gebruikt om hooibalen en/of kuilvoer naar het weilandgedeelte van het agrarisch perceel te brengen en aldaar op te slaan en dat hij daar vanaf zijn woonperceel af en toe hooi haalt om de pony’s te voeren die hij (grotendeels) op zijn woonperceel houdt. Wel is in geschil of die wijze van uitoefening in overeenstemming is met de inhoud van de erfdienstbaarheid.
4.3.
[de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] stellen zich op het standpunt dat het gebruik van de erfdienstbaarheid voor het vervoeren van de hooibalen naar het agrarisch perceel in strijd is met de inhoud en strekking van de erfdienstbaarheid. De erfdienstbaarheid is uitsluitend gevestigd ten behoeve van het agrarisch perceel en niet ten behoeve van het woonperceel van [de eiser] . [de eiser] mag de erfdienstbaarheid daarom alleen aanwenden voor agrarische doeleinden en niet voor privédoeleinden, zoals het verplaatsen van de hooibalen of andere goederen die grotendeels met het woonperceel van [de eiser] verband houden. Nu [de eiser] de erfdienstbaarheid hiervoor toch aanwendt, gebruikt hij de erfdienstbaarheid volgens [de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] feitelijk (mede) ten behoeve van een ander perceel (zijn woonperceel) dan het heersend erf.
4.4.
[de eiser] betwist dat hij zijn woonperceel als heersend erf beschouwt en daarnaar ook handelt. Volgens [de eiser] gebruikt hij zijn woonperceel alleen dan als heersend erf als hij het tracé van de erfdienstbaarheid als alternatieve ingang tot zijn woonperceel zou gebruiken of als hij de hooibalen over het tracé van de erfdienstbaarheid en via het agrarisch perceel direct naar zijn woonperceel zou brengen. Dit doet hij echter niet. [de eiser] slaat de hooibalen op het weilandgedeelte van het agrarisch perceel op en hij zet sommige van die hooibalen op een later moment naast de paardenschuur op zijn woonperceel. Dit gebruik past binnen de omschrijving van de erfdienstbaarheid, aldus [de eiser] .
4.5.
De inhoud en wijze van uitoefening van een erfdienstbaarheid wordt, voor zover hier van belang, bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regels daarover ontbreken, door de plaatselijke gewoonte (artikel 5:73 BW). In dit geval verschaft de akte van vestiging naar het oordeel van de rechtbank voldoende regels omtrent de inhoud en wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid, zodat deze leidend is.
4.6.
De rechtbank stelt vast dat in de akte van vestiging in algemene bewoordingen en zonder nadere clausuleringen een erfdienstbaarheid van uitweg ten behoeve van het huidige agrarisch perceel van [de eiser] en ten laste van de huidige woonpercelen van [de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] is gevestigd om van en naar de openbare weg te gaan. De bewoordingen van de akte stellen geen beperkingen aan de wijze van het gebruik van de erfdienstbaarheid. Het standpunt van [de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] dat de erfdienstbaarheid slechts mag worden aangewend voor (bedrijfsmatige) agrarische doeleinden en niet voor privédoeleinden (zoals het hobbymatig houden van pony’s) kan naar het oordeel van de rechtbank dan niet als juist worden aanvaard. Voor een dergelijke beperkte uitleg van de erfdienstbaarheid van uitweg biedt de tekst van de akte geen steun. Weliswaar kán bij de uitleg van de erfdienstbaarheid ook rekening worden gehouden met de toestand (de bestemming) van de erven op het moment van vestiging van het recht van erfdienstbaarheid, maar niet gesteld of gebleken is dat het huidige agrarische perceel van [de eiser] destijds ook al een agrarische bestemming had. Dit nog daargelaten dat gesteld noch gebleken is dat het (buiten) opslaan van hooibalen ten behoeve van gebruik op een aangrenzend perceel niet past binnen een agrarische bestemming. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige erfdienstbaarheid niet in de weg staat aan het gebruik voor het vervoeren van hooibalen naar het agrarisch perceel om die hooibalen aldaar op te slaan, ook al zijn die hooibalen bedoeld voor de pony’s die [de eiser] (grotendeels) op zijn woonperceel houdt. Dat [de eiser] sommige van de hooibalen die op het weilandperceel zijn opgeslagen op een later moment naast de paardenschuur op zijn woonperceel zet, maakt dit niet anders en ook betekent dit niet dat [de eiser] de erfdienstbaarheid gebruikt ten behoeve van een ander perceel dan het heersend erf. [de eiser] gebruikt de erfdienstbaarheid immers niet als doorgang, in die zin dat hij de erfdienstbaarheid gebruikt om (rechtstreeks) vanaf de openbare weg via het agrarisch perceel zijn woonperceel (en omgekeerd) te bereiken.
4.7.
[de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] stellen zich verder op het standpunt dat [de eiser] de erfdienstbaarheid niet op de minst bezwarende wijze gebruikt, omdat zijn woonperceel beschikt over een directe toegang tot de openbare weg en hij de hooibalen dus ook over zijn woonperceel naar het agrarisch perceel kan brengen. De rechtbank volgt hen hierin niet. Nog daargelaten dat [de eiser] heeft betwist dat hij deze handeling gelet op de grootte van de hooibalen via zijn woonperceel kan verrichten, heeft de regel dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid op de minst bezwarende wijze dient te geschieden niet de algemene strekking dat de erfdienstbaarheid niet mag worden gebruikt als het heersend erf (het agrarisch perceel) ook via een andere weg kan worden bereikt.
4.8.
De enkele omstandigheid dat [de eiser] het (gebruik van het) agrarisch perceel heeft gesplitst in akker en weiland kan, anders dan [de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] stellen, ook niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een (ontoelaatbare) verzwaring van de erfdienstbaarheid. Die splitsing brengt namelijk op zichzelf niet mee dat sprake is van een afwijking van het oorspronkelijke patroon van het gebruik van de erfdienstbaarheid (waarover door [de gedaagden sub 3 & 4] en [de gedaagden sub 1 & 2] niets is gesteld) en is ook niet in strijd met de wijze waarop de erfdienstbaarheid volgens de akte van vestiging moet worden uitgeoefend.
4.9.
De conclusie is dan dat het huidige gebruik van de erfdienstbaarheid van uitweg voor het verplaatsen en opslaan van hooi en kuilvoer door [de eiser] binnen het bestaande recht van de erfdienstbaarheid valt en geen (ongeoorloofde) verzwaring van de erfdienstbaarheid oplevert. Dit betekent dat de door [de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] (onder II) gevorderde verklaring voor recht niet zal worden gegeven en dat hun vordering die ertoe strekt het huidige gebruik van de erfdienstbaarheid door [de eiser] te staken (vordering onder III) en de daaraan (onder VII) gekoppelde dwangsom zullen worden afgewezen. Aangezien [de eiser] de erfdienstbaarheid, zoals hiervoor is overwogen, bovendien niet aanwendt ten behoeve van een ander erf dan het heersend erf, is een verbod om dit gebruik te staken naar het oordeel van de rechtbank niet gerechtvaardigd. De vordering van [de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] onder I en de daaraan (onder VII) gekoppelde dwangsom zullen daarom eveneens worden afgewezen.
4.10.
De vordering van [de eiser] die ertoe strekt dat voor recht wordt verklaart dat het hem of door hem ingeschakelde derden is toegestaan om via het tracé van de erfdienstbaarheid over de huidige percelen van [de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] te komen en gaan, met als doel om hooi- en of kuilvoer op het weilandperceel te plaatsen (vordering 1), is daarentegen toewijsbaar.
4.11.
[de eiser] vordert [de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] te verbieden om dit gebruik van de erfdienstbaarheid te verhinderen, op straffe van een dwangsom (vordering 2). Niet gesteld of gebleken is dat [de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] dit gebruik in het verleden hebben verhinderd. Wel heeft [de eiser] gesteld dat er eerder diverse verbale aanvaringen tussen hem en [de gedaagden sub 1 & 2] en [de gedaagden sub 3 & 4] zijn geweest, maar die aanvaringen zagen naar zijn zeggen op het gebruik van de erfdienstbaarheid met een rupsvoertuig. Over dat gebruik hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling afspraken gemaakt. Gelet op het voorgaande is niet voldoende gebleken dat [de gedaagden sub 1 & 2] het gebruik van de erfdienstbaarheid door [de eiser] (of door hem ingeschakelde derden) met als doel om hooi- en of kuilvoer op het weilandperceel te plaatsen (in de toekomst) zal verhinderen. Naar het oordeel van de rechtbank is toewijzing van het gevorderde verbod met bijbehorende dwangsom dan niet gerechtvaardigd. De vordering van [de eiser] onder 2 zal daarom worden afgewezen.
Camera’s
4.12.
Op het achtererf van het woonperceel van [de eiser] bevinden zich drie camera’s: een camera aan de gevel van de schuur, een camera in de stallen en een camera in het gebouwtje tegenover de stallen. Partijen verschillen van mening over de vraag of deze door [de eiser] geplaatste camera’s een onrechtmatige inbreuk op de privacy van [de gedaagden sub 1 & 2] opleveren. Volgens [de gedaagden sub 1 & 2] is dit het geval. Hij vordert daarom dat [de eiser] wordt verboden van de camera’s gebruik te maken, voor zover deze (mede) zijn gericht op zijn perceel. [de eiser] betwist dat de camera’s inbreuk maken op de privacy van [de gedaagden sub 1 & 2] . Hij vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat de door hem opgehangen camera aan de achterzijde van zijn woning geen inbreuk maakt op het recht op privacy van [de gedaagden sub 1 & 2] en derhalve daar mag blijven hangen. De rechtbank begrijpt uit de dagvaarding (randnummer 44) dat [de eiser] met ‘de door hem opgehangen camera aan de achterzijde van zijn woning’ de camera bedoelt die in het gebouwtje tegenover de stallen staat. De rechtbank zal de vorderingen van partijen met betrekking tot (de) camera’s hierna gezamenlijk beoordelen.
4.13.
Uitgangspunt is dat het [de eiser] in beginsel is toegestaan om (zichtbaar) camera’s op zijn achtererf te plaatsen ten behoeve van de beveiliging van zijn erf en woning. Het recht van [de eiser] om zijn eigendommen te beveiligen is echter niet onbegrensd. Onder omstandigheden kan de wijze van afstelling en gebruik van de camera's onrechtmatig zijn jegens [de gedaagden sub 1 & 2] . Dit kan het geval zijn indien [de eiser] met de camera's inbreuk maakt op de privacy van [de gedaagden sub 1 & 2] . Als een partij een verbod op een bepaalde wijze van gebruik van camera’s vordert, of een bepaalde wijze van afstelling van camera’s, op grond van de stelling dat die camera’s inbreuk maken op zijn recht op privacy ligt het op de weg van de partij die het verbod vordert, in dit geval [de gedaagden sub 1 & 2] , om met feiten te onderbouwen dat de wederpartij (hier [de eiser] ) met de camera’s daadwerkelijk inbreuk maakt op zijn privacy. In dit geval vordert [de eiser] echter ten aanzien van één van de drie camera’s een verklaring voor recht dat die géén inbreuk maakt op de privacy van [de gedaagden sub 1 & 2] (en dus mag blijven hangen). Wat betreft deze (als het ware “spiegelbeeldige”) vordering rust de stelplicht met betrekking tot deze ene camera (ook) op [de eiser] : [de eiser] zal zijn stelling dat die camera geen inbreuk maakt dus voldoende moeten onderbouwen.
4.14.
De rechtbank heeft tijdens de plaatsopneming op basis van livebeelden van de camera’s vastgesteld dat zowel de camera die aan de gevel van de schuur hangt als de camera die in de stallen staat het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] niet in beeld brengt. Met deze camera’s maakt [de eiser] dan ook geen inbreuk op de privacy van [de gedaagden sub 1 & 2] , zodat de vordering van [de gedaagden sub 1 & 2] met betrekking tot die camera’s en de daaraan gekoppelde dwangsom zullen worden afgewezen.
4.15.
Met betrekking tot de camera die in het gebouwtje tegenover de stallen staat (hierna: camera 3), heeft de rechtbank tijdens de plaatsopneming vastgesteld dat de camera (op dat moment) een stukje van het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] filmde. [de eiser] heeft bij akte uitlating verder procederen aangevoerd dat hij het blikveld van deze camera inmiddels heeft ingeperkt. In dit verband heeft hij een foto overgelegd waarop te zien is dat langs de zijkant van de camera een dunne plank is aangebracht die voorbij de camera steekt. Ook heeft [de eiser] een foto overgelegd van het huidige blikveld van de camera. Op die foto is te zien dat het zicht van de camera naar links (vanuit de camera gezien) wordt afgeschermd door de uitstekende plank en dat het stukje van het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] dat tijdens de plaatsopneming nog in beeld was daardoor nu niet meer in beeld is. [de gedaagden sub 1 & 2] heeft naar aanleiding van deze akte van [de eiser] niet gesteld dat [de eiser] met deze camera in de huidige situatie nog inbreuk op zijn privacy maakt. Hij heeft enkel gesteld dat de plank die langs de zijkant van de camera is aangebracht geen consistente en betrouwbare oplossing biedt.
4.16.
De rechtbank is van oordeel dat camera 3, met de bouwkundige aanpassing zoals die na de mondelinge behandeling door [de eiser] is aangebracht, geen inbreuk (meer) maakt op de privacy van [de gedaagden sub 1 & 2] . Daaruit volgt echter niet dat [de gedaagden sub 1 & 2] geen enkel rechtens te respecteren belang meer heeft bij het door hem onder IV gevorderde verbod. [de gedaagden sub 1 & 2] heeft er immers belang bij dat de situatie door [de eiser] in de toekomst niet meer zo wordt veranderd dat het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] opnieuw door deze camera wordt gefilmd. De rechtbank zal daarom een minder vergaande variant van vordering IV van [de gedaagden sub 1 & 2] toewijzen. De rechtbank zal daartoe het verbod anders formuleren, in die zin dat de rechtbank [de eiser] zal verbieden om gebruik te maken van camera’s die (mede) zijn gericht op het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] , tenzij deze camera’s zodanig zijn afgesteld of bij die camera’s dusdanige bouwkundige aanpassingen, zoals de bij akte uitlating verder procederen van [de eiser] van 18 februari 2026 gedocumenteerde aanpassing, zijn aangebracht dat het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] niet in beeld is. Omdat [de eiser] de enige camera die het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] in beeld bracht, camera 3, hangende deze procedure al eigener beweging heeft aangepast in bovenbedoelde zin is er onvoldoende aanleiding om te vrezen dat [de eiser] het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] opnieuw met zijn camera(s) in beeld zal brengen om aan bovengenoemd verbod een dwangsom te verbinden. Dit betekent dat de door [de gedaagden sub 1 & 2] gevorderde dwangsom die hierop ziet, zal worden afgewezen.
4.17.
Op grond van het voorgaande is de door [de eiser] onder 3 in conventie gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot camera 3 deels toewijsbaar, in die zin dat de rechtbank zal verklaren voor recht dat camera 3 geen inbreuk maakt op het recht op privacy van [de gedaagden sub 1 & 2] , voor zover deze zodanig is afgesteld of daarbij dusdanige bouwkundige aanpassingen zijn aangebracht dat het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] niet in beeld is. De rechtbank zal daarnaast voor recht verklaren dat camera 3 met de in de akte uitlating verder procederen van [de eiser] van 18 februari 2026 gedocumenteerde aanpassing aan die voorwaarde voldoet en derhalve niet hoeft te worden verwijderd.
4.18.
Met betrekking tot de camera’s heeft [de gedaagden sub 1 & 2] verder nog een vordering ingesteld die ertoe strekt dat [de eiser] alle beeldopnamen die met de camera’s zijn vervaardigd en waarop [de gedaagden sub 1 & 2] en/of diens perceel zichtbaar is moet verwijderen, op straffe van een dwangsom (vordering onder V). Deze vordering zal worden afgewezen. [de eiser] heeft tijdens de zitting namelijk desgevraagd bevestigd dat de camera’s geen beelden opslaan en dit heeft [de gedaagden sub 1 & 2] niet weersproken. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat geen beelden worden opgeslagen. Dit betekent dat [de eiser] ook geen camerabeelden kan, en hoeft te, verwijderen.
Leiplatanen
4.19.
Vast staat dat [de eiser] op 25 juli 2023 drie leiplatanen op zijn achtererf heeft geplant op circa 70 centimeter van de erfgrens met het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] . [de gedaagden sub 1 & 2] vordert dat de rechtbank [de eiser] gelast om deze leiplatanen te verwijderen. Aan deze vordering legt hij ten grondslag dat de leiplatanen dichter op de erfgrens zijn geplaatst dan op grond van artikel 5:42 BW is toegestaan. [de eiser] betwist op meerdere gronden dat [de gedaagden sub 1 & 2] een vordering tot verwijdering van de leiplatanen toekomt. Voor zover [de gedaagden sub 1 & 2] al een vordering tot verwijdering van de leiplatanen toekomt, stelt [de eiser] zich op het standpunt dat [de gedaagden sub 1 & 2] met het instellen van die vordering misbruik van recht maakt, omdat hij bij die vordering geen belang heeft.
4.20.
De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid om in rechte verwijdering van de leiplatanen te vorderen [de gedaagden sub 1 & 2] niet toekomt als hij daarmee misbruik van bevoegdheid maakt. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend (artikel 3:13 BW). Het doel van het in artikel 5:42 BW opgenomen verbod op het hebben van bomen, heesters of heggen binnen een bepaalde afstand van de erfgrens is vooral het voorkomen dat de nabuur licht, lucht of uitzicht wordt ontnomen. Dat licht, lucht of uitzicht van [de gedaagden sub 1 & 2] door de leiplatanen wordt weggenomen heeft [de gedaagden sub 1 & 2] niet gesteld. Ook heeft [de gedaagden sub 1 & 2] de stelling van [de eiser] dat de aanwezigheid van de leiplatanen totaal geen overlast voor [de gedaagden sub 1 & 2] oplevert omdat de percelen van partijen groot zijn, niet weersproken. Dat [de gedaagden sub 1 & 2] toch verwijdering van de leiplatanen vordert lijkt daarom niet te zijn ingegeven door de wens om vrij zijn eigendomsrecht uit te kunnen oefenen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [de gedaagden sub 1 & 2] zijn bevoegdheid op grond van artikel 5:42 BW gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die hem is verleend. Het beroep van [de eiser] op misbruik van recht slaagt daarom. Dit betekent dat de vordering van [de gedaagden sub 1 & 2] tot verwijdering van de leiplatanen en de daaraan gekoppelde dwangsom (vordering onder VI) zal worden afgewezen.
4.21.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de leiplatanen mogen blijven staan. Voor zover de door [de eiser] gevorderde verklaring voor recht (vordering onder 4) hierop ziet zal die verklaring voor recht dan ook worden gegeven. Voor het overige (dus voor zover het gaat om de reden waarom de platanen mogen blijven staan) zal de door [de eiser] gevorderde verklaring voor recht niet worden gegeven, omdat [de eiser] daarbij geen rechtens te respecteren belang heeft. Omdat het beroep van [de eiser] op misbruik van recht slaagt, hoeft de rechtbank niet meer inhoudelijk in te gaan op de overige standpunten die partijen met betrekking tot de leiplatanen hebben ingenomen. Of de leiplatanen als ‘bomen’ of ‘heesters’ in de zin van artikel 5:42 BW kwalificeren kan dus in het midden blijven. Datzelfde geldt voor het antwoord op de vraag of de vordering van [de gedaagden sub 1 & 2] tot verwijdering van de leiplatanen is verjaard, of door verjaring een recht van erfdienstbaarheid is ontstaan op grond waarvan [de gedaagden sub 1 & 2] de huidige positie van de leiplatanen moet dulden of dat [de gedaagden sub 1 & 2] met het instellen van die vordering in strijd handelt met de redelijkheid en billijkheid, zoals [de eiser] verder nog heeft aangevoerd.
Maaien weiland
4.22.
[de eiser] vordert een verklaring voor recht dat het slechts één keer per jaar maaien van de randen van het agrarisch perceel, daar waar dit aan het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] grenst, geen onrechtmatige daad jegens [de gedaagden sub 1 & 2] oplevert (vordering onder 5). [de eiser] heeft naar aanleiding van vragen van de rechtbank ter zitting toegelicht dat hij deze vordering heeft ingesteld, voor het geval [de gedaagden sub 1 & 2] zich in deze procedure op het standpunt zou stellen dat [de eiser] onrechtmatig handelt door het agrarisch perceel niet vaak genoeg te maaien en er daardoor schade (onkruid) aan zijn perceel optreedt. Dit standpunt heeft [de gedaagden sub 1 & 2] echter niet ingenomen en ook heeft [de gedaagden sub 1 & 2] geen vordering tegen [de eiser] ingesteld die hierop ziet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de eiser] bij die stand van zaken geen duidelijk belang bij deze ruim geformuleerde verklaring voor recht (artikel 3:303 BW).
Die verklaring voor recht zal daarom niet worden gegeven.
Betreden agrarisch perceel
4.23.
[de eiser] vordert dat het [de gedaagden sub 1 & 2] verboden wordt het agrarisch perceel zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van hem te betreden, behoudens in een noodgeval. Een dergelijk verbod kan worden uitgesproken als sprake is van een concrete en reële dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen door [de gedaagden sub 1 & 2] . Dat die dreiging zich in dit geval voordoet, is niet (voldoende) gebleken. Weliswaar heeft [de eiser] gesteld dat hij [de gedaagden sub 1 & 2] meerdere keren schriftelijk heeft verboden op het agrarisch perceel te komen en dat [de gedaagden sub 1 & 2] zich daarna desondanks weer op het perceel heeft begeven, maar die stelling heeft hij – mede in het licht van de betwisting van [de gedaagden sub 1 & 2] dat hij het perceel nog heeft betreden – onvoldoende onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank kon [de eiser] niet volstaan met de door hem in het geding gebrachte ongedateerde screenshot, zoals hij heeft gedaan. Nog daargelaten de betrouwbaarheid van de screenshot (die volgens [de gedaagden sub 1 & 2] is bewerkt), is die screenshot immers zo onscherp dat geen link kan worden gelegd met het agrarisch perceel en dat niet te zien is of de persoon die daarop is afgebeeld [de gedaagden sub 1 & 2] is. Die screenshot biedt daarom geen steun aan de stelling van [de eiser] dat [de gedaagden sub 1 & 2] het perceel toch weer heeft betreden, nadat hij [de gedaagden sub 1 & 2] dit uitdrukkelijk heeft verboden. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om [de gedaagden sub 1 & 2] een verbod tot het betreden van het agrarisch perceel van [de eiser] op te leggen en daaraan een dwangsom te verbinden. Dit betekent dat de vordering van [de eiser] onder 6 zal worden afgewezen.
Proceskosten
4.24.
De rechtbank zal zowel de proceskosten in conventie als in reconventie compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet daartoe aanleiding, omdat in conventie een deel van de (resterende) vorderingen zal worden toe- en afgewezen en in reconventie één van de (resterende) vorderingen zal worden toegewezen en de rest van de vorderingen zal worden afgewezen. Ook in het feit dat op een belangrijk deel van de oorspronkelijke vorderingen in conventie en in reconventie na de tussen partijen getroffen regeling buiten rechte niet meer hoeft te worden beslist, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren.
5De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat het [de eiser] of door deze ingeschakelde derden is toegestaan om over het tracé van de erfdienstbaarheid over de percelen nummer [kadasternummer 2] (het huidige perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] ) en nummer [kadasternummer 3] (het huidige perceel van [de gedaagden sub 3 & 4] ) te komen en gaan, met als doel om hooi- en of kuilvoer op het weilandperceel nummer [kadasternummer 4] (deel uitmakende van het heersend erf) te plaatsen,
5.2.
verklaart voor recht dat camera 3 geen inbreuk maakt op het recht op privacy van [de gedaagden sub 1 & 2] , voor zover deze zodanig is afgesteld of daarbij dusdanige bouwkundige aanpassingen zijn aangebracht dat het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] niet in beeld is en
verklaart voor recht dat camera 3 met de in de akte uitlating verder procederen van [de eiser] van 18 februari 2026 gedocumenteerde aanpassing aan de hiervoor genoemde voorwaarde voldoet en derhalve niet hoeft te worden verwijderd,
5.3.
verklaart voor recht dat de drie leiplatanen op het achtererf van [de eiser] op circa
70 centimeter van de erfgrens met het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] daar mogen blijven staan,
5.4.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.6.
verbiedt [de eiser] om gebruik te maken van camera’s die (mede) zijn gericht op het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] , tenzij deze camera’s zodanig zijn afgesteld of bij die camera’s dusdanige bouwkundige aanpassingen, zoals de bij akte uitlating verder procederen van [de eiser] van 18 februari 2026 gedocumenteerde aanpassing, zijn aangebracht dat het perceel van [de gedaagden sub 1 & 2] niet in beeld is,
5.7.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op
13 mei 2026.
943 / 1787 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|