Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:4318 
 
Datum uitspraak:02-06-2026
Datum gepubliceerd:05-06-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:AWB-25_1076
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Aanvraag herbeoordeling van medische beperkingen, in het kader uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Niet in geschil is dat de medische beperkingen zijn toegenomen. Partijen zijn wel verdeeld over de vraag of de toegenomen beperkingen voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak dan ter zake waarvan eiser de WAO-uitkering ontvangt. Het UWV heeft voldoende gemotiveerd dat de toegenomen beperkingen voortkomen uit een andere ziekteoorzaak. Eiser daarom niet verzekerd voor die klachten. Het verzoek om een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen wordt afgewezen, omdat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan beoordeling verzekeringsartsen. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:uitkering
wao
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/1076
uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. M.S. Winkel).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiser om een herbeoordeling van zijn medische beperkingen, in het kader van zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Eiser is het niet eens met de uitkomst van de herbeoordeling. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt daarom geen gelijk. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en de uitkering niet veranderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een herbeoordeling van zijn WAO-uitkering. Met het besluit van 23 juli 2024 heeft het UWV bepaald dat eiser meer arbeidsongeschikt is (35 tot 45%). De uitkering is door het UWV aangepast. Met het bestreden besluit van 16 januari 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.


2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, vergezeld door de heer [persoon A], en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.




Beoordeling door de rechtbank


De feiten

3. Eiser is op 12 mei 2003 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als sloper wegens gezondheidsklachten (rugklachten). Aan hem is met ingang van 10 mei 2004 een WAO-uitkering toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschikt van 80 tot 100% in de zin van de WAO. Per 16 april 2005 is de mate van arbeidsongeschikt vastgesteld op 25 tot 35%. Eiser heeft na zijn ziekmelding in 2003 niet meer gewerkt.


3.1.
Eiser heeft op 6 januari 2023 een melding gemaakt bij het UWV van een verslechtering van zijn gezondheid. Omdat een herziening van de uitkering eerst na 104 weken van toegenomen arbeidsongeschiktheid kan plaatsvinden, heeft het UWV tegen eiser gezegd zich begin 2024 opnieuw te melden. Op 15 februari 2024 heeft eiser een aanvraag voor herbeoordeling van zijn WAO-uitkering ingediend.


Totstandkoming van het (bestreden) besluit

4. Met het besluit van 23 juli 2024 is eisers WAO-uitkering met ingang van 28 juni 2024 verhoogd. Vanaf die datum is de uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45%. Aan het besluit ligt een theoretische schatting ten grondslag, gebaseerd op een medisch onderzoek van de verzekeringsarts en een arbeidsdeskundig onderzoek van de arbeidsdeskundige. De bevindingen van de verzekeringsarts staan in de rapportage van 6 juni 2024. De verzekeringsarts rapporteert dat de rugklachten na 2003 gelijk zijn gebleven. In 2017 is bij eiser de diagnose MCTD gesteld. Ook is sprake van COPD/astma. De afgelopen jaren ervaart eiser toegenomen pijnklachten van de nek, schouders knieën, voeten en handen. Volgens de verzekeringsarts vloeien de toegenomen klachten en beperkingen voort uit de MCTD en dat is een nieuwe aandoening. De toegenomen beperkingen spelen arbitrair sinds 1 juli 2022. De verzekeringsarts heeft vervolgens twee functionele mogelijkhedenlijsten (FML) opgemaakt: FML 1 omvat alle beperkingen en FML 2 omvat alleen de beperkingen ten gevolge van de rugklachten. Aan de hand van FML 1 heeft de arbeidsdeskundige geen functies kunnen duiden en aan de hand van FML 2 heeft de arbeidsdeskundige de arbeidsongeschiktheid van eiser vastgesteld op 43,42%.



4.1.
Met het besluit van 16 januari 2025 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Aan het besluit ligt een medische rapportage van 5 december 2024 ten grondslag van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b). De verzekeringsarts b&b ziet geen aanleiding om af te wijken van het eerdere oordeel van de verzekeringsarts.


Is eiser meer beperkt uit dezelfde ziekteoorzaak?

5. Eiser betoogt dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen is aangenomen. Hij stelt volledig arbeidsongeschikt te zijn. Eiser stelt dat de klachten die hij heeft als gevolg van de MCTD ook al speelden ten tijde van de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid in 2005. De toegenomen beperkingen komen dus voort uit dezelfde ziekteoorzaak als waar hij sinds 2004 een WAO-uitkering voor ontvangt, aldus eiser.

6. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat artikel 37 van de WAO ertoe strekt dat, voor de in dat artikel aangegeven personen, het risico van ontstaan van een grotere mate van arbeidsongeschiktheid dan waarnaar de lopende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend, niet verzekerd is voor zover die toeneming is gelegen in een andere oorzaak dan die welke tot toekenning van die uitkering heeft geleid. Vanaf het moment dat de uitkering van de verzekerde voor het eerst wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 45% omvat de verzekering voor personen als bedoeld in artikel 37 van de WAO – zo blijkt uit de bedoeling van de wetgever – niet het risico van toeneming van de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een kennelijk andere oorzaak dan die ter zake waarvan uitkering wordt ontvangen. Voor eiser ligt dat moment op 16 april 2005, toen werd zijn uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.



6.1.
De CRvB heeft verder overwogen dat uit artikel 37 van de WAO niet volgt dat medische beperkingen die kennelijk voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing dienen te blijven, doch slechts dat, indien die beoordeling tot het oordeel leidt dat de mate van arbeidsongeschiktheid is toegenomen, herziening van de lopende uitkering wegens die toeneming achterwege blijft.



6.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de medische beperkingen van eiser na 16 april 2005 zijn toegenomen. Partijen zijn wel verdeeld over de vraag of de toegenomen beperkingen voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak dan ter zake waarvan eiser de WAO-uitkering ontvangt. Indien de toegenomen beperkingen voortkomen uit een andere ziekteoorzaak dan is eiser daarvoor niet verzekerd.



6.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de periode van toekenning van de WAO-uitkering in 2004 en herziening in 2005 sprake was van klachten aan handen, knieën, schouders en benen, laat staan dat deze klachten destijds een rol speelden bij de beoordeling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid. Uit de medische rapportage van 20 januari 2005 blijkt dat er destijds (slechts) beperkingen zijn aangenomen voor eisers rugklachten. Andere lichamelijke klachten zijn, zo blijkt uit die rapportage, door eiser niet naar voren gebracht. Verder is van belang dat eiser geen medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat de in 2017 door de reumatoloog vastgestelde MCTD in 2005 ook al aanwezig was. Het is daarom niet aannemelijk geworden dat aan de ziekmelding van eiser in 2003 klachten aan de nek, schouders, handen en knieën ten grondslag hebben gelegen. Eiser heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij deze klachten destijds niet heeft genoemd vanwege onwetendheid en een taalbarrière. De rechtbank overweegt daarover dat wat daar ook van zij, het niet weg neemt dat de toekenning van de WAO-uitkering destijds niet is gebaseerd op de klachten die verband houden met de MCTD.



6.4.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat de toegenomen beperkingen voortkomen uit een andere ziekteoorzaak en daarom ook niet kunnen leiden tot herziening van de WAO-uitkering. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de conclusie van het UWV dat de beperkingen die voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak (de rugklachten) leiden tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 43,42% inhoudelijk niet heeft betwist.


Verzoek benoemen onafhankelijk deskundige

7. Eiser heeft verzocht een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen. De rechtbank overweegt dat als er op basis van de stukken in het dossier bij de rechtbank twijfel is aan de juistheid van de medische beoordeling, de rechtbank een deskundige kan benoemen. De rechtbank heeft echter geen aanleiding om te twijfelen aan de beoordeling van de verzekeringsartsen en ziet daarom geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Eiser is voldoende in de gelegenheid geweest om medische stukken in het geding te brengen. Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b blijkt dat kennis is genomen van de door eiser overgelegde informatie van de reumatoloog, GZ-psycholoog, en de medicatielijst. Van een schending van het beginsel van equality of arms is geen sprake.


Verzoek om herziening

8. Eiser heeft, tijdens de hoorzitting, verzocht om herziening van het eerdere besluit uit 2005. Partijen hebben hierover tijdens de zitting afgesproken dat het UWV alsnog zal beslissen op het verzoek om herziening. De rechtbank zal daarom, zoals met partijen tijdens de zitting is besproken, deze beroepsgrond niet verder bespreken.





Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Ook bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 22 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1585.


Zie noot 1.
Link naar deze uitspraak