|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:4386 | | | | | Datum uitspraak | : | 17-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 05-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | K/5004/12088112 | | Rechtsgebied | : | Arbeidsrecht | | Indicatie | : | Arbeidsrecht. Kort geding. Vordering tegen twee partijen in verband met achterstallig loon en emolumenten. Vordering deels niet spoedeisend en niet geschikt voor kort geding. | | Trefwoorden | : | arbeidsconflict | | | bodemonderzoek | | | levensonderhoud | | | vaststellingsovereenkomst | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 12088112 \ VV EXPL 26-13
Vonnis in kort geding van 17 april 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: D. Mansyur (DAS Rechtsbijstand),
tegen
1. [gedaagde 1] maat van de maatschap [naam maatschap], handelend onder de naam [handelsnaam],
te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde 2] maat van de maatschap [naam maatschap], handelend onder de naam [handelsnaam], en voorts via een eenmanszaak handelend onder de naam
[naam eenmanszaak]
,
te [vestigingsplaats] ,gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. J. Veninga.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de conclusie van antwoord met producties- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2De feiten
2.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn maten in de maatschap [naam maatschap] welke maatschap tevens handelt onder de naam [handelsnaam] . [gedaagde 2] heeft daarnaast nog de eenmanszaak [naam eenmanszaak] .
2.2.
[eiseres] , geboren op [geb. datum] , is op grond van schriftelijke arbeidsovereenkomsten met ingang van 1 februari 2025 als praktijkmanager in dienst getreden bij [handelsnaam] voor 24 uur per week tegen een aanvangssalaris van € 2.325,- bruto per maand en bij [naam eenmanszaak] voor 8 uur per week tegen een aanvangssalaris van € 775,- bruto per maand.
2.3.
In de arbeidsovereenkomsten zijn onder meer de volgende artikelen opgenomen:
Artikelen 10 en 11 met betrekking tot nevenfuncties en relatiebeding.
Artikel 19 met betrekking tot studiekosten, waarin staat dat [handelsnaam] een bedrag van € 2.574,03 en [naam eenmanszaak] een bedrag van € 858,01 aan openstaande studieschuld van [eiseres] heeft overgenomen. Daarin is ook een terugbetalingsregeling opgenomen. Hieraan is een mail van [eiseres] van 9 oktober 2024 voorafgegaan, waarin staat dat zij in februari 2022 bij haar werkgever in Venray de opleiding tot preventieassistente heeft afgerond, dat die opleiding € 4.036,50 kostte, dat daarover met die werkgever een aparte overeenkomst is opgesteld die niet is getekend en verder dat zij op 29 maart 2024 een managementcursus ter waarde van € 2.100,- heeft afgerond.
2.4.
Met betrekking tot de verdere gang van zaken die zich tussen partijen heeft voorgedaan, is het volgende relevant.
2.4.1.
In aanvulling op de schriftelijke arbeidsovereenkomsten hebben [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] addenda in het geding gebracht, die niet ondertekend zijn door partijen, waarin staat dat partijen in aanvulling en/of afwijking op de arbeidsovereenkomsten overeenkomen dat de arbeidsduur van [eiseres] met ingang van 1 maart 2025 16 uur per week bedraagt voor [handelsnaam] en ook 16 uur per week voor [naam eenmanszaak] .
2.4.2.
Blijkens door [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] ingebrachte whatsappwisseling zijn er vervolgens eind mei 2025 (opnieuw) addenda (in niet getoond pdf bestand) ter tekening voorgehouden.
2.4.3.
Bij overgelegd verslag werkoverleg van 22 mei 2025 is vastgelegd dat [eiseres] per 1 juni 2025 voorlopig drie dagen per week ingezet wordt in [vestigingsplaats] ( [handelsnaam] ) en één dag in [vestigingsplaats] ( [naam eenmanszaak] ).
2.4.4.
Bij email van 3 juli 2025 heeft [handelsnaam] onder meer het volgende aan [eiseres] geschreven:
“(…)
De stress die jij ervaart, heeft effect op mij en op het team. Daardoor merk ik dat ik juist extra belast wordt, wat niet de bedoeling is.
Om hierin verandering te brengen, heb ik jou een voorstel gedaan: om te stoppen met je werkzaamheden bij [naam eenmanszaak] en je volledig te focussen op [handelsnaam] . De werkzaamheden bij [naam eenmanszaak] kunnen grotendeels worden opgevangen door [werknemer 1] en [werknemer 2] , waardoor jij je weer volledig kunt richten op [handelsnaam] – waar ik jouw inzet hard nodig heb.
(…)
Je gaf aan dat als je moet stoppen bij [naam eenmanszaak] , je overweegt om helemaal te stoppen bij beide praktijken. Daarnaast benoemde je dat het verminderen van uren voor jou financieel niet wenselijk is. Ik heb je daarop aangegeven dat ik op dit moment werk kan bieden voor drie dagen per week bij [handelsnaam] , en dat er financieel gezien helaas geen ruimte is om meer uren aan te bieden. Wel heb ik aangeboden om je te helpen zoeken naar passend werk voor de vierde dag elders. Dit voorstel heb ik je drie keer tijdens het gesprek gedaan, maar je gaf aan hier niet mee akkoord te gaan en voorlopig door te willen gaan zoals het nu is.
(…)”
2.5.
[eiseres] heeft zich op 7 juli 2025 ziekgemeld. In het verzuimprotocol is bepaald dat een medewerker dagelijks voor 15.00 uur contact opneemt met de leidinggevende om aan te geven of de werkzaamheden de volgende dag weer hervat kunnen worden.
2.6.
Bij rapportage van 17 juli 2025 heeft de bedrijfsarts het volgende advies uitgebracht:
“Er is sprake van volledige uitval wegens ziekte, waarbij heden geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot werkhervatting zijn
Het advies aan de werknemer is om zich te richten op herstel en rust en goed te luisteren naar de eigen grenzen.
Advies aan werkgever en werknemer (telefonisch) contact met elkaar te onderhouden over hoe gaat, en eventueel koffiemomenten in te plannen als het herstel van werknemer hierdoor niet beperkt wordt
Betreffende de contactfrequentie is het raadzaam dit een keer per week of per 2 weken te laten plaatsvinden en dat dit contact hoofdzakelijk van belangstellende aard is. Een hogere contactfrequentie kan herstel in de weg zitten waardoor reïntegratie bemoeilijkt wordt. (…)”
2.7.
In de door de bedrijfsarts op 14 augustus 2025 opgestelde probleemanalyse is vermeld dat er geen sprake is van ziekte maar wel van een verstoorde arbeidsverhouding en dat deze dient te worden opgelost middels mediation. [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] hebben [eiseres] vervolgens onder aanzegging van een loonstop verzocht om op 18 augustus 2025 op het werk te verschijnen voor een kort gesprek. Daarop heeft de gemachtigde van [eiseres] laten weten dat het herhaaldelijk aandringen op fysieke gesprekken onder dreiging van loonopschorting in strijd is met goed werkgeverschap en verder dat [eiseres] wél bereid is in het kader van haar re-integratie telefonisch contact te onderhouden.
2.8.
Bij mail van 28 augustus 2025 hebben [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] aan [eiseres] geschreven dat zij, nu [eiseres] tot tweemaal toe heeft aangegeven niet met hen in gesprek te willen gaan, ervoor gekozen hebben om het traject via een onafhankelijke mediator voort te zetten met de mededeling dat de eerste gezamenlijke mediationbijeenkomst op de dag erna is gepland. Het mediationgesprek heeft vervolgens later op 2 september 2025 plaatsgevonden.
2.9.
Partijen hebben op 9 september 2025 met elkaar gesproken. [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] hebben dat gesprek bij mail van 10 september 2025 vastgelegd. Daarin stellen zij dat gesproken is over werkhervatting of beëindiging van het dienstverband, dat [eiseres] daarbij te kennen heeft gegeven niet terug te willen keren, dat er daarom een vaststellingsovereenkomst opgesteld moet worden, dat [eiseres] geen gebruik wil maken van werkhervatting gedurende de opzegtermijn en dat er daarom geen recht meer is op loon vanaf 10 september 2025. In reactie daarop heeft de gemachtigde van [eiseres] geschreven dat er geen definitieve keuze is gemaakt voor beëindiging van het dienstverband, dat [eiseres] recht heeft op loon bij ziekte en dat de loonbetaling vanaf 10 september 2025 dan ook voortgezet moet worden. [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] hebben daarop te kennen gegeven dat de loonstop per 10 september 2025 gerechtvaardigd is omdat er sprake is van een arbeidsconflict, mediation heeft plaatsgevonden en [eiseres] zelf heeft aangegeven niet terug te willen keren.
2.10.
[eiseres] heeft op 30 september 2025 de arbeidsovereenkomsten bij [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] met inachtneming van één maand opzegtermijn opgezegd, waardoor het dienstverband per 31 oktober 2025 is geëindigd.
3Het geschil
3.1.
[eiseres] vordert hoofdelijke veroordeling van [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] , in de zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot:
betaling van
€ 885,12 bruto aan loon over juni 2025 te vermeerderen met € 442,56 bruto aan wettelijke verhoging,
€ 689,79 bruto aan loon over juli 2025 te vermeerderen met € 344,90 bruto aan wettelijke verhoging,
€ 1.101,58 bruto aan loon over augustus 2025 te vermeerderen met € 550,79 bruto aan wettelijke verhoging,
€ 1.101,58 bruto aan loon over september 2025 te vermeerderen met € 550,79 bruto aan wettelijke verhoging,
€ 2.203,44 bruto aan loon over oktober 2025 te vermeerderen met € 1.101,72 bruto aan wettelijke verhoging,
€ 875,67 bruto aan vakantiegeld te vermeerderen met € 437,83 bruto aan wettelijke verhoging,
€ 2.157,40 bruto aan openstaande vakantie-uren te vermeerderen met € 1.078,70 bruto aan wettelijke verhoging,
€ 1.504,40 bruto aan overuren inclusief vakantietoeslag te vermeerderen met € 752,20 bruto aan wettelijke verhoging,
€ 265,52 netto aan reiskostenvergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid,
de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf opeisbaarheid,
€ 335,- aan buitengerechtelijke kosten,
verstrekking van
- alle ontbrekende loonstroken over mei tot en met oktober 2025 en eindafrekening op straffe van een dwangsom van € 250,- netto per dag met een maximum van € 10.000,- netto,
- een en ander met hoofdelijke veroordeling van [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] in de proceskosten.
3.2.
[handelsnaam] en [naam eenmanszaak] betwisten de vordering.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Kort geding criterium
4.1.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
Spoedeisend belang
4.2.
[eiseres] stelt dat zij een spoedeisend belang heeft, nu [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] niet het volledige loon over de maanden juni tot en met oktober 2025 hebben voldaan waardoor zij in een ernstige financiële positie verkeert en niet in staat is haar vaste lasten te voldoen. Daarbij komt dat het UWV haar heeft bericht dat de wachttijd voor verkrijging van een deskundigenoordeel momenteel zes tot zeven maanden beloopt. [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] betwisten dat [eiseres] thans een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Zij voeren daarvoor aan, dat het in deze zaak niet gaat over een doorlopend dienstverband maar over een dienstverband dat al geruime tijd geleden is geëindigd en verder dat [eiseres] al vanaf 1 september 2025 elders aan het werk is.
4.3.
Voorop gesteld moet worden dat bij een loonvordering in kort geding een spoedeisend belang doorgaans aan de orde is, omdat een werknemer afhankelijk is van loonbetaling om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. In de afweging van de vraag of er in deze zaak sprake is van spoedeisendheid is onder meer van belang dat het dienstverband ruim zes maanden geleden is geëindigd en dat [eiseres] (naar eigen zeggen vanaf 1 november 2025 maar volgens [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] al vanaf 1 september 2025) een andere baan heeft. Tegen deze achtergrond kan ter zake van de loonvordering (loon, althans ziekengeld over de maanden juni tot en met oktober 2025) met enige goede wil nog wel een spoedeisend belang worden aangenomen, maar dat geldt niet voor de daaraan gelieerde vorderingen (eindafrekening, bestaande uit vakantiegeld, vakantie-uren, verder ook overuren en reiskostenvergoeding alsmede wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten). Dat betekent dat alleen de loonvordering over de maanden juni tot en met oktober 2025 beoordeeld wordt en de overige ingestelde vorderingen afgewezen worden bij gebreke van voldoende gesteld en/of gebleken spoedeisend belang.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
[eiseres] heeft [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] gezamenlijk gedagvaard, omdat beide bedrijven naar haar stellingname feitelijk als één geheel opereren. Zij vordert hoofdelijke veroordeling tot betaling van de loonvordering die betrekking heeft op loondoorbetalingsverplichtingen, deels van [handelsnaam] en deels van [naam eenmanszaak] . [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] hebben daartegen ingebracht dat zij afzonderlijke ondernemingen zijn en dat zij niet hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor eventuele schulden. De kantonrechter stelt [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] dienaangaande in het gelijk. Niet valt in te zien op basis waarvan [handelsnaam] aansprakelijk is voor eventuele schulden van [naam eenmanszaak] en vice versa. Dat de bedrijven in praktische zin gedeeltelijk met elkaar vervlochten zouden zijn, betekent (nog) niet dat zij ten aanzien van schulden die zij aangaan hoofdelijk aansprakelijk zijn. [eiseres] had haar vordering dienen toe te rekenen aan enerzijds [handelsnaam] en anderzijds [naam eenmanszaak] . Nu zij dat niet heeft gedaan, strandt de vordering daar al op. Het is niet aan de kantonrechter uit te zoeken welke bedragen voor wiens rekening zouden komen.
4.5.
Overigens geldt dat de vordering, ook als deze op de juiste wijze was ingestoken, afgewezen zou zijn omdat deze zaak gelet op de diverse geschilpunten tussen partijen grondig bodemonderzoek vergt waar een kort geding zich niet voor leent. Het gaat daarbij onder meer over de vraag of, en zo ja welke, afspraken tussen partijen zijn gemaakt over het aantal uren vanaf maart 2025 (volgens gedaagden 16 uur per week per onderneming) en juni 2025 (volgens gedaagden 16 uur per week voor [handelsnaam] en 8 uur voor [naam eenmanszaak] ), waarbij op voorhand meegegeven wordt dat uit de stukken niet opgemaakt kan worden dat de stellingen van [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] op dit punt juist zijn. Wel valt op dat [eiseres] zelf ook (het loon over) de gewerkte uren deels afwijkend van haar eigen stellingen toerekent, zoals het loon over augustus, september en oktober 2025 (vrijwel) bij helfte (sub 70, 72 en 74 van de dagvaarding). Verder wordt door [eiseres] een aantal netto ontvangen bedragen genoemd (dagvaarding sub 66), waarvan niet duidelijk is of deze, althans het bruto-equivalent daarvan, in mindering zijn gebracht op de vordering.
4.6.
Ook is er nader onderzoek nodig naar het overeengekomen studiebeding en de studies die gevolgd zijn, mede gelet op productie 38 bij de dagvaarding waaruit afgeleid zou kunnen worden dat een bedrag van € 2.100,00 netto in elk geval nog geheel of gedeeltelijk moet worden verrekend. Voor het eerst ter zitting is door [eiseres] de stelling ingenomen dat de managementcursus waarvoor deze kosten zijn gemaakt verplichte scholing betreft die kosteloos door de werkgever moet worden vergoed. De vraag is of dit juist is en, als dat het geval is, wat dit betekent voor het feit dat gedaagden de kosten op verzoek van [eiseres] hebben overgenomen van haar vorige werkgever terwijl dit dan in de redenering van [eiseres] onverschuldigd was. Voorts is er discussie over mogelijk teveel ontvangen pensioencompensatie, waarbij [eiseres] desgevraagd niet is nagegaan of zij inderdaad teveel heeft ontvangen en dit dus vooralsnog ook niet gemotiveerd heeft betwist. Verder is nog een belangrijk aandachtspunt per welke datum [eiseres] bij haar nieuwe werkgever in dienst is getreden. Al met al redenen om de loonvordering in kort geding af te wijzen.
4.7.
Wat betreft de gevorderde ontbrekende loonstroken over mei tot en met oktober 2025 en de eindafrekening, geldt dat [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] bij antwoord loonstroken overgelegd hebben. Nu daar niet nader zijdens [eiseres] op is gereageerd, mag vooralsnog aangenomen worden dat zij dienaangaande niets meer te vorderen heeft. De vordering hangt daarnaast nauw samen met de gevorderde bedragen. Immers, voor de eventueel nog verschuldigde bedragen zullen ook loonstroken moeten worden verstrekt. Deze vordering wordt dan ook afgewezen. Ook overigens is er geen aanleiding te veronderstellen dat [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] loonstroken zouden onthouden en daartoe veroordeeld zouden dienen te worden.
4.8.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter ziet, nu zij samen met dezelfde gemachtigde verweer hebben gevoerd, aanleiding de proceskosten van [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] gezamenlijk, en dus niet afzonderlijk zoals verzocht door [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] , te begroten op:
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
937,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 937,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.
548 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|