Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:446 
 
Datum uitspraak:09-01-2026
Datum gepubliceerd:04-02-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:11710786 CV EXPL 25-1628
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Vrouw heeft onrechtmatig gehandeld tijdens het huwelijk door zonder rijbewijs schade te rijden met de auto van haar (nu ex-)man. WAM verzekeraar heeft schade vergoed en op man verhaald. Man spreekt vrouw aan. Gemeenschapsschuld. Vrouw heeft 100% interne draagplicht op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid, artikel 1:100 lid 2 BW. Beroep op 6:101 BW en matiging slaagt niet. Man heeft schade deels betaald en dus regresrecht op de vrouw. Ook veroordeling voor nog te betalen schade.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
echtscheiding
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
GELDERLAND


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Nijmegen

Zaaknummer: 11710786 \ CV EXPL 25-1628


Vonnis van 9 januari 2026


in de zaak van



[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. N. van Kuppeveld,

tegen



[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.W.J. Hopmans.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 juni 2025
- de e-mails van N. van Kuppeveld namens [eiser] , met in de bijlage producties 6, 7 en 8, van respectievelijk 14, 17 en 21 november 2025
- de mondelinge behandeling van 25 november 2025.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Partijen zijn in 2012 met elkaar getrouwd in Eritrea. Zij zijn op enig moment naar Nederland verhuisd.



2.2.
Op 20 mei 2022 zaten partijen samen in de auto op de parkeerplaats voor hun woning. [eiser] zat achter het stuur en [gedaagde] zat naast hem op de bijrijdersstoel. Toen [eiser] zijn jas uit de woning ging halen, is [gedaagde] achter het stuur gaan zitten. Zij had geen rijbewijs. Zij is de straat uitgereden, de hoek omgereden en is daar tegen de voorgevel van een woning aan gereden. Daardoor is de woning beschadigd.



2.3.
De WAM verzekeraar van [eiser] , a.s.r., heeft de schade aan de woning rechtstreeks vergoed aan de eigenaar van de woning.



2.4.
Bij beschikking van 5 juli 2023 heeft de rechtbank op grond van Nederlands recht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Op 4 augustus 2023 is die beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en zijn zij definitief gescheiden.



2.5.
In 2024 heeft a.s.r. [eiser] per e-mail geïnformeerd dat de schade aan de woning niet wordt gedekt door zijn verzekering op grond van de polisvoorwaarden en dat zij de schade op [eiser] verhaalt. In de e-mail staat onder meer:

“In de polisvoorwaarden staat omschreven dat er geen dekking voor schade is, die is ontstaan als de bestuurder geen (geldig) rijbewijs heeft.
Op grond van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) hebben wij de schade aan de tegenpartij moeten uitkeren. Nu er geen dekking was voor de schade, hebben wij het recht om de schade op u te verhalen.


Onze vordering

Uw betaling van het € 21.451,30 ontvangen wij graag vóór 04-05-2024 op rekeningnummer (…) onder vermelding van schadenummer QDE-46273. Gezien de hoogte van het schadebedrag kunnen wij ons voorstellen dat u hiervoor graag een betalingsregeling wenst te treffen. Als dat zo is, verzoeken wij u om contact met ons op te zoeken. (…)”



2.6.

[eiser] heeft een betalingsregeling getroffen met a.s.r. op grond waarvan hij € 250,00 per maand moet betalen tot hij het totale schadebedrag van € 21.451,30 heeft betaald.



2.7.
Op 27 augustus 2024 heeft [eiser] , via zijn gemachtigde, [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade van € 21.451,30. [gedaagde] heeft zich hiertegen verzet. De correspondentie tussen de gemachtigden heeft niet geleid tot een regeling.





3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na dit vonnis, primair € 21.451,30, subsidiair de helft van € 21.451,30, te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede de proceskosten.



3.2.

[eiser] stelt dat [gedaagde] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de woningeigenaar en tegenover [eiser] , door zonder toestemming van [eiser] met zijn auto te gaan rijden en tegen een woning aan te rijden, terwijl zij geen rijbewijs had. Daardoor is de woning beschadigd, voor welke schade [eiser] na de echtscheiding door zijn verzekeraar is aangesproken. [eiser] heeft daarom primair een regresrecht op [gedaagde] voor het volledige schadebedrag, € 21.451,30. Primair stelt [eiser] daartoe dat de peildatum van de schade het moment is waarop de verzekeraar [eiser] heeft aangesproken voor de schade – dus na de echtscheiding. Subsidiair, als de peildatum van de schade de datum van het ongeval is en er dus sprake van een gemeenschapsschuld is omdat partijen toen nog getrouwd waren, stelt [eiser] dat [gedaagde] intern honderd procent draagplichtig is omdat zij de schade heeft veroorzaakt en [eiser] niets valt te verwijten. Ter onderbouwing van de subsidiaire vordering stelt [eiser] dat, voor zover [gedaagde] niet aansprakelijk is voor de schade tegenover de woningeigenaar, zij dan in ieder geval intern voor vijftig procent draagplichtig is.



3.3.

[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid verklaring van [eiser] , althans hem de vorderingen te ontzeggen als zijnde onbewezen en ongegrond, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] betwist primair dat zij toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld en zij betwist de hoogte van de schade. [gedaagde] betwist ook dat [eiser] een regresrecht heeft, aangezien hij (kennelijk) nog niet meer dan het gedeelte dat hem aangaat – de helft van de schade – aan zijn verzekeraar heeft betaald. [gedaagde] betwist dat zij voor meer dan vijftig procent intern draagplichtig is. Subsidiair voert [gedaagde] een eigen schuld verweer en een matigingsverweer.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1.
Vast staat dat [gedaagde] schade heeft veroorzaakt aan een woning door zonder rijbewijs met de auto van [eiser] , haar (inmiddels voormalig) echtgenoot, weg te rijden en tegen een woning aan te rijden. Hoewel [gedaagde] aanvankelijk heeft betwist dat zij daadwerkelijk met de auto heeft gereden, is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat zij de hoek van de straat om is gereden en daar met de auto tegen een woning is gebotst omdat ze geen controle had over de auto.



4.2.
Dat is onrechtmatig tegenover de betreffende woningeigenaar. [gedaagde] heeft inbreuk gemaakt op diens eigendomsrecht. Daarnaast heeft zij in strijd met de rijbewijsplicht uit artikel 107 Wegenverkeerswet gehandeld door zonder rijbewijs een auto op de weg te besturen.



4.3.
De woningeigenaar heeft voor diens schade niet alleen een directe schadevergoedingsvordering op de WAM verzekeraar van [eiser] verkregen, maar ook een schadevergoedingsvordering uit hoofde van onrechtmatige daad tegenover [gedaagde] . Tussen partijen is in geschil wanneer die schadevergoedingsvordering op [gedaagde] is ontstaan, of daarom al dan niet sprake is van een gemeenschapsschuld vanwege het (inmiddels ontbonden) huwelijk tussen partijen en voor welk deel [gedaagde] in dat geval intern draagplichtig is.



4.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van een gemeenschapsschuld en is [gedaagde] intern honderd procent draagplichtig voor deze schuld. [eiser] heeft daarom een regresrecht op [gedaagde] . Dat oordeel wordt hierna toegelicht.



4.5.
Voor het ontstaan van de schadevergoedingsvordering uit hoofde van onrechtmatige daad van de woningeigenaar tegenover [gedaagde] is vereist dat schade is geleden. Dat is in dit geval 20 mei 2022, de dag waarop [gedaagde] de schade heeft veroorzaakt. Partijen waren toen nog met elkaar in gemeenschap van goederen getrouwd. Aldus is sprake van een gemeenschapsschuld. De kantonrechter gaat er hierbij, en hierna steeds, vanuit dat op de (ontbonden) huwelijksgemeenschap van partijen Nederlands recht van toepassing is, omdat beide partijen dit tijdens de mondelinge behandeling hebben bevestigd.



4.6.
Na de ontbinding van de gemeenschap door indiening van het echtscheidingsverzoek, zijn partijen hoofdelijk aansprakelijk geworden voor deze schuld. A.s.r. heeft die schuld, na betaling aan de woningeigenaar, op [eiser] verhaald vanwege het ontbreken van dekking onder de polisvoorwaarden.



4.7.
Het uitgangspunt voor de interne draagplicht van partijen is dat gemeenschapsschulden door beide echtgenoten ieder voor een gelijk deel worden gedragen. Voor zover de schuld niet kan worden betaald door de gemeenschapsgoederen, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken als uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere draagplicht voortvloeit. Daarvoor is de aard van de schulden mede van belang. Deze uitzondering op de hoofdregel is van toepassing op huwelijksgemeenschappen die na 1 januari 2018 zijn ontbonden. Dat betekent dat deze uitzondering van toepassing is op de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen, omdat het echtscheidingsverzoek blijkens de beschikking van 5 juli 2023 op 21 maart 2023 is ingediend (zie r.o. 2.4).



4.8.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] de schuld moet dragen, ook als sprake is van een gemeenschapsschuld. De kantonrechter kwalificeert dit als een beroep op voornoemde uitzondering van gelijke draagplicht. Dat beroep slaagt.



4.9.
De kantonrechter gaat er, gelet op het feit dat beide partijen van een bijstandsuitkering leven, van uit dat er geen gemeenschapsgoederen zijn uit de ontbonden huwelijksgemeenschap waaruit de schuld kan worden betaald. Naar het oordeel van de kantonrechter dient [gedaagde] de schuld te dragen, omdat zij onrechtmatig heeft gehandeld en daardoor de schade aan de woning heeft veroorzaakt (zie r.o. 4.1). Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, treft [eiser] daarvan geen verwijt. Partijen waren echtgenoten en zaten samen in de auto. Onder die omstandigheden hoefde [eiser] er geen rekening mee te houden dat [gedaagde] in een onbewaakt ogenblik – toen [eiser] nog even naar binnen ging om zijn jas te halen en daarbij zijn sleutels in de auto liet liggen – van de gelegenheid gebruik zou maken om een stukje met de auto te gaan rijden. De aard van deze schuld brengt daarom met zich dat [gedaagde] op grond van de redelijkheid en billijkheid deze schade moet betalen, en niet [eiser] .



4.10.
Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter van oordeel is dat de schade niet het gevolg is van omstandigheden die aan [eiser] kunnen worden toegerekend. Dat betekent dat er geen grond is om tot een andere draagplicht te komen op grond van artikel 6:101 BW jo. 6:102 BW. [gedaagde] heeft ook een beroep gedaan op matiging van de schadevergoeding en daartoe gesteld dat zij een bijstandsuitkering heeft. Aangezien ook [eiser] een bijstandsuitkering heeft, komt de kantonrechter niet toe aan matiging.



4.11.
Een hoofdelijk schuldenaar die meer betaalt dan hem intern aangaat, heeft voor dit gedeelte een regresrecht op zijn of haar echtgenoot. Een regresrecht ontstaat pas op het moment dat de hoofdelijk schuldenaar de schuld delgt voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat.



4.12.

[eiser] heeft gesteld dat hij een betalingsregeling heeft getroffen met a.s.r die inhoudt dat hij elke maand € 250,00 betaalt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] gezegd dat hij al € 5.000,00 heeft betaald, maar dat heeft hij niet onderbouwd. Uit een door hem overgelegd screenshot van afschrijvingen met de zoekterm ‘asr’ blijkt wel dat er vier achtereenvolgende maanden € 250,00 is afgeschreven door ASR Schadeverzekering N.V., en dat (met die zoekterm) tot en met 13 november 2024 in totaal € 2.500,00 is afgeschreven. Daarmee heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat hij € 2.500,00 van de schade aan a.s.r. heeft betaald. [gedaagde] heeft dit onvoldoende betwist door aan te voeren dat dit hier ook afschrijvingen bij kunnen zitten van de verzekeringspremie, omdat € 2.500,00 een rond bedrag is dat deelbaar is door € 250,00.



4.13.
Dat betekent dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 2.500,00. Voor het overige gedeelte van de schuld (€ 21.451,30 − € 2.500,00 =) € 18.951,30 geldt het volgende. Voor zover [eiser] een gedeelte daarvan al heeft betaald, heeft hij dat niet onderbouwd. [eiser] zal (een gedeelte van) dit bedrag nog moet(en) betalen omdat de betalingsregeling nog van kracht is. Voor dat gedeelte heeft hij pas een regresrecht en [gedaagde] dus een betalingsverplichting steeds op het moment dat [eiser] de termijnen betaalt. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen tot betaling van iedere euro die [eiser] afbetaalt aan a.s.r. in verband met de overeengekomen betalingsregeling die ziet op de schade bekend onder nummer QDE-46273 (zie r.o. 2.5), tot een bedrag van maximaal € 18.951,30.



4.14.

[eiser] heeft wettelijke rente gevorderd vanaf de dag der verschuldigdheid. [eiser] heeft niets over deze vordering gesteld: niet dat [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd is, dat zij in verzuim is, of wat de dag der verschuldigdheid is. De kantonrechter wijst de vordering daarom af.



4.15.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.





5De beslissing

De kantonrechter


5.1.
veroordeelt [gedaagde] (i) tot betaling aan [eiser] van € 2.500,00 en (ii) tot betaling aan [eiser] van iedere euro die [eiser] aan a.s.r. betaalt in verband met de betalingsregeling die ziet op de schade bekend onder nummer QDE-46273, tot een bedrag van maximaal € 18.951,30,



5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.














































560



Op grond van artikel 6:101 BW en 6:109 BW.


Op grond van artikel 6:162 BW.


Respectievelijk op grond van artikel 8 Wet aansprakelijkheid motorvoertuigen (WAM) en op grond van artikel 6:162 BW.


Hoge Raad 24 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0247.


Artikel 1:94 lid 5 BW (oud).


Artikel 1:102 BW jo. 1:99 lid 1 sub b BW.


Artikel 1:100 lid 2 BW.


Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR2019:636, r.o. 3.3.3.


Op grond van artikel 6:109 BW jo. 6:11 lid 1 BW.


Op grond van artikel 6:11 lid 4 jo. 6:8 jo. 6:2 BW.


Op grond van artikel 6:10 lid 2 BW.
Link naar deze uitspraak