Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:4478 
 
Datum uitspraak:05-06-2026
Datum gepubliceerd:19-06-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 24_7615
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:IB/PVV, beschikking rendementsgrondslag box 3; recht op toeslag. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
belastbaar inkomen uit werk en woning
box 3
inkomstenbelasting
rendementsgrondslag
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7615


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 juni 2026

in de zaak tussen




[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),

en



de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.




Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 juli 2024.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.263. Daarbij is bij voor bezwaar vatbare beschikking het bedrag van de rendementsgrondslag vastgesteld op € 32.735 (de beschikking rendementsgrondslag).

De Dienst Toeslagen van de Belastingdienst heeft op 28 februari 2024 besloten dat belanghebbende de voor het jaar 2022 ontvangen huurtoeslag volledig moet terugbetalen. Tegen deze beslissing heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar in behandeling genomen als een bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2022 en op hetzelfde aanslagbiljet vermelde voor bezwaar vatbare beschikkingen, meer in het bijzonder tegen de beschikking rendementsgrondslag.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2026 om 10.00 uur op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de inspecteur [persoon A], [persoon B] en [persoon C]. De gemachtigde van belanghebbende (de dochter van belanghebbende) heeft op de ochtend van de zitting om 7.55 uur via een bericht in het digitale dossier laten weten dat zij de zitting niet zal bijwonen.

Feiten


1. Belanghebbende heeft op 31 december 2023 aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 gedaan. In de aangifte is aan bank- en spaartegoeden in Nederland in totaal een bedrag aangegeven van € 32.735.

2. De inspecteur heeft op 9 februari 2024 de aanslag IB/PVV 2022 opgelegd overeenkomstig de aangifte. Daarbij is de rendementsgrondslag vastgesteld op € 32.735.



Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de rendementsgrondslag box 3 in de aanslag IB/PVV 2022 niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

4. De rechtbank is van oordeel dat de rendementsgrondslag box 3 niet te hoog is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Vooraf

5. Tussen partijen is niet in geschil dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen terecht op € 0 is vastgesteld. Het procesbelang van belanghebbende bij deze procedure is dan ook niet gelegen in de hoogte van de aanslag IB/PVV 2022. Omdat de hoogte van de rendementsgrondslag direct van invloed is op het recht van belanghebbende op huurtoeslag, bestaat er wel een procesbelang bij een uitkomst van deze beroepsprocedure. De rechtbank komt daarom aan een inhoudelijke beoordeling van de gronden toe.


Rendementsgrondslag box 3

6. Belanghebbende stelt dat het vermogen niet van haar maar van haar dochter is. De dochter van belanghebbende is in 2014 naar het buitenland vertrokken. Zij heeft haar spaargeld (€ 25.000) overgeboekt naar de spaarrekening van belanghebbende. De dochter was in de veronderstelling dat dit geen gevolgen zou hebben voor de toeslagen en uitkeringen van haar moeder. Verder herinnert de dochter zich dat zij destijds een heel ander bedrag heeft gezien op de website van de Belastingdienst als grens voor het eigen vermogen. Er zijn geen schriftelijke afspraken gemaakt over het spaargeld van de dochter omdat er sprake is van een vertrouwensband.

7. De inspecteur stelt dat de rendementsgrondslag juist is berekend. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gelden op haar bankrekeningen niet volledig van haar waren, dan wel dat sprake is van een schuld die in mindering moet worden gebracht op het bezit (oftewel het vermogen).

8. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 5.3, eerste lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 bedraagt de rendementsgrondslag de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. Bezittingen zijn onder meer rechten die niet op zaken betrekking hebben, waaronder geld. Het banksaldo was volgens de gerenseigneerde gegevens € 32.735 op 1 januari 2022. Er zijn geen andere bezittingen vermeld in de aangifte en ook zijn geen schulden opgenomen in de aangifte.

9. Degene die feiten stelt op grond waarvan de aanslag verminderd moet worden, heeft daarvan de bewijslast. Het ligt dus op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat het banksaldo niet (volledig) van haarzelf was.

10. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende daarin niet is geslaagd. Belanghebbende stelt wel dat een deel van het spaargeld van haar dochter is, maar de onderbouwing daarvan is onvoldoende. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een eenmalige storting. Uit de renseignementen volgt niet dat in 2014 eenmalig het spaargeld van de dochter is overgeboekt naar belanghebbende. Het saldo laat in 2014 geen toename zien van € 25.000. Uit de renseignementen volgt dat het vermogen van belanghebbende pas vanaf 2018 toe is genomen en dat vanaf dat jaar elk jaar met enkele duizenden euro’s is gestegen. Dat is in tegenspraak met het verhaal van belanghebbende.



Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van H. van Huigenbos, griffier.

Uitgesproken op 5 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.














griffier


rechter









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Artikel 9.4a van de Wet IB 2001.


Artikel 24a, tweede lid, van de AWR.
Link naar deze uitspraak