Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:4512 
 
Datum uitspraak:09-06-2026
Datum gepubliceerd:12-06-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 24_1702
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Beroep tegen de hoogte van het WIA-dagloon gegrond. In de situatie van eiseres is de rechtbank van oordeel dat toepassing van de Dagloonregels, met inachtneming van de uitspraken van de CRvB van 30 juli 2024, afbreuk doet aan het uitgangspunt dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van het welvaartsniveau in de periode voorafgaand aan de verzekerde gebeurtenis. Dit betekent dat de toepassing van het algemeen verbindend voorschrift – het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen– (met inachtneming van de uitspraken van 30 juli 2024) in dit geval zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat toepassing achterwege moet blijven. Naar het oordeel van de rechtbank had het UWV daarom in de situatie van eiseres het dagloon moeten berekenen op basis van het SV-loon dat eiseres tijdens haar dienstverband met de werkgever bij wie zij arbeidsongeschikt is geworden verdiend heeft en het aantal dagloondagen in deze periode.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
dagloon
inkomstenbelasting
loonbelasting
minimumloon
uitkering
wao
wet op de loonbelasting
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/1702
uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. J.W. van de Wege),

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: Y. Bekema).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 19 augustus 2023. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de uitkering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de hoogte van de uitkering.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de hoogte van de uitkering niet correct heeft vastgesteld. Eiseres krijgt daarom gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De standpunten van partijen zijn verwoord in 4 en 5. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.



1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.




Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 30 augustus 2023 toegewezen en aan eiseres met ingang van 19 augustus 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met het bestreden besluit van 19 februari 2024 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit I) is het UWV bij het besluit van 30 augustus 2023 gebleven.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
Op 31 oktober 2025 heeft het UWV een gewijzigd besluit op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 30 augustus 2023 (het bestreden besluit II) genomen. Daarin is het bezwaar alsnog gegrond verklaard en het WIA-maandloon vastgesteld op € 2.285,93. De rechtbank acht het beroep van eiseres, op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van rechtswege gericht tegen bestreden besluit II.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, bijgestaan door haar vader, en de gemachtigde van eiseres deelgenomen. Het UWV is zonder bericht niet verschenen.




Beoordeling door de rechtbank


Totstandkoming van het bestreden besluit

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres is van 2 mei 2019 tot en met 31 juli 2020 in dienst geweest bij [naam bedrijf 1] B.V. Gedurende de periode van 3 februari 2020 tot en met 30 september 2020 (van 3 februari 2020 tot en met 30 juni 2020 28 uur per week en van 1 juli 2020 tot en met 30 september 2020 zeventien uur per week) heeft zij, vanuit haar studie psychologie, stage gelopen bij [naam bedrijf 2] B.V. (hierna: [naam bedrijf 2]). Eiseres is op 6 januari 2021 afgestudeerd als psycholoog. Op 1 februari 2021 is zij bij [naam bedrijf 2] in dienst getreden. Op 17 augustus 2021 is zij bij deze werkgever uitgevallen vanwege medische beperkingen. Na een samengestelde wachttijd heeft eiseres per 19 augustus 2023 een WIA-uitkering aangevraagd. Vervolgens is het UWV over gegaan tot de bestreden besluitvorming.


Wat vindt het UWV?

4. Het UWV heeft de hoogte van de WIA-uitkering van eiseres gebaseerd op een WIA-maandloon van € 1.515,11. Daaraan heeft het UWV het volgende ten grondslag gelegd. De referteperiode loopt van 1 augustus 2020 tot en met 31 juli 2021. In deze periode is er een nabetaling gedaan door [naam bedrijf 1] B.V. in augustus 2020. Daarbij gaat het om een nabetaling van onder andere vakantiedagen en/of vakantie-uren. Indien vakantiedagen of
-uren betaalbaar worden gesteld in de referteperiode dan leidt zo’n betaling ertoe dat deze betaling meegenomen moet worden bij de dagloonvaststelling. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) ziet de afgekochte vakantie-uren als inkomen in de zin van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (het AIB). Aangezien het loonbegrip in de zin van het AIB vrijwel identiek is aan het loonbegrip in de zin van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (het Dagloonbesluit) moeten uitbetaalde vakantiedagen of -uren meegenomen worden bij een dagloonvaststelling, aangenomen dat de betaling valt binnen de referteperiode. De uitspraak van de CRvB van 27 februari 2020 vormt een bevestiging van het uitgangspunt dat uitbetaalde vakantiedagen en -uren tot het loon voor de dagloonvaststelling behoren.
Nu het UWV de nabetaling van [naam bedrijf 1] B.V. ziet als loon en dit loon genoten is tijdens de referteperiode is de startersregeling niet van toepassing. Omdat de nabetaling meegerekend wordt bij de vaststelling van het WIA-maandloon, zou het juist nadelig zijn om de andere inkomsten die ontvangen zijn in de referteperiode niet mee te nemen in deze berekening. Het UWV beschouwt de inkomsten die eiseres tijdens haar stage bij [naam bedrijf 2] heeft ontvangen wel als loon en niet als onkostenvergoeding.
Eiseres heeft vanaf 1 augustus 2020 tot en met 30 september 2020 inkomsten genoten op grond van een stageovereenkomst bij [naam bedrijf 2]. Deze inkomsten zijn door [naam bedrijf 2] doorgegeven aan de Belastingdienst als SV-loon en er wordt daarop loonheffing ingehouden. Verder valt op dat er sprake is van een schommeling in de inkomsten. Dit impliceert dat er sprake is van inkomsten die aangemerkt worden als loon en uitbetaald worden op basis van de gewerkte uren.
In het kader van de stageovereenkomst lijken de gemaakte kosten onwaarschijnlijk en er wordt in deze overeenkomst zelf ook niet gespecificeerd dat de onkostenvergoeding bedoeld is voor de aanschaf van goederen benodigd voor de stage. Verder betekent het ontvangen van een lage stagevergoeding van € 232,56 bruto per maand niet dat er geen sprake is van (SV-)loon. Het UWV komt daarom tot de conclusie dat de verhouding tussen eiseres en [naam bedrijf 2] aangemerkt moet worden als een fictieve dienstbetrekking en de inkomsten die zij daaruit heeft genoten, aangemerkt moeten worden als loon. Deze inkomsten worden daarom meegenomen bij de berekening van het WIA-dagloon.
De CRvB heeft in een uitspraak van 10 maart 2021 geoordeeld dat voor de vaststelling van het dagloon bepalend is: het loon dat daadwerkelijk is genoten in het refertejaar (historisch dagloon). Hierdoor hebben periodes waarin geen loon of weinig loon is ontvangen invloed op de hoogte van het dagloon. Het UWV kan daarom het evenredigheidsbeginsel niet toepassen.
Gedurende de referteperiode heeft eiseres € 15.502,49 ontvangen aan SV-loon. De periode van 1 augustus 2020 tot en met 31 juli 2021 telt 216 (de rechtbank begrijpt: 261) loondagen. Hierdoor is het dagloon vastgesteld op € 59,40. Rekening houdend met de wettelijk indexeringen bedraagt het WIA-dagloon van eiseres € 69,66 bruto per 1 juli 2023.


4.1.
Met het bestreden besluit II heeft het UWV besloten dat eiseres vanaf 19 augustus 2023 recht heeft op een WIA-uitkering gebaseerd op een maandloon van € 2.285,93. Het UWV ziet aanleiding om het maandloon aan te passen in verband met recente uitspraken van de CRvB van 30 juli 2024. Het aantal dagen waarover de verdiensten worden verdeeld, wordt dan 173 in plaats van 261. Voor het overige blijft het UWV ongewijzigd van mening dat er geen ruimte is de startersregeling toe te passen. De nabetaling van [naam bedrijf 1] B.V. en de verdiensten uit de "stage" bij [naam bedrijf 2] blijft het UWV zien als SV-loon, welke worden meegeteld bij de vaststelling van het dag-/maandloon voor de WIA. In verband met de wijziging van het maandloon wordt de berekening van de uitkering als volgt: het UWV berekent de bruto-uitkering van eiseres over de periode van 1 augustus 2020 tot en met 31 juli 2021 als volgt: Loon volgens opgave werkgever(s) € 15.502,49: 173 werkdagen =
€ 89,61. Dit is per maand € 1.949,02, geïndexeerd € 2.285,93. Dit bedrag is het WIA-maandloon. Het WIA-maandloon is het bedrag waarmee het UWV de hoogte van de uitkering berekent. Overige inkomsten: € 450,00. Verschil tussen WIA-maandloon en overige inkomsten: € 2285,93 - € 450,00 = € 1.835,93. Bruto-uitkering per maand:
€ 1.835,93 x 75% = € 1.376,95. Vanaf 19 oktober 2023 bedraagt de uitkering 70% in plaats van 75%. Het UWV verklaart het bezwaar van eiseres tegen het besluit 30 augustus 2023 daarom alsnog gegrond.


Wat vindt eiseres?

5. Eiseres is het niet eens met de hoogte van haar WIA-maandloon en voert daartegen – samengevat – het volgende aan.
Eiseres verwijst naar de rechtspraak over de toetsing van onder meer het Dagloonbesluit aan het evenredigheidsbeginsel.
Het bestreden besluit II komt nog niet geheel tegemoet aan de gronden van eiseres. Volgens haar staat het berekende maandloon nog steeds niet in redelijke verhouding tot hetgeen zij in haar beroep als psycholoog verdiende voordat zij ziek werd. Een redelijke afspiegeling van het welvaartsniveau tijdens de periode waarin is gewerkt, wordt alleen bereikt als voor de berekening wordt uitgegaan van het loon dat zij tijdens haar beroep als psychologe heeft ontvangen over de periode van 15 februari 2021 tot en met 31 juli 2021. Eiseres acht het onevenredig als de verdiensten uit het bijbaantje bij [naam bedrijf 1] B.V. en de stage bij [naam bedrijf 2] meetellen in de berekening en dientengevolge tot een aanzienlijk lagere uitkering leiden. De berekening die het UWV toepast is in strijd met inkomensdervingsbeginsel van de Wet WIA en het evenredigheidsbeginsel. Volgens eiseres is in haar situatie ook aanleiding om in te grijpen door te bepalen dat artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit in haar situatie buiten toepassing moet worden gelaten.
Eiseres heeft tijdens haar studie een bijbaantje gehad. Deze bijbaan eindigde op 31 juli 2020 en het loon dat in augustus 2020 is uitbetaald betrof een eindafrekening van vakantietoeslag, verlof en dergelijke. Er stond dus geen arbeid in de maand augustus 2020 tegenover deze inkomsten.
Eiseres is op 6 februari 2021 afgestudeerd en met ingang van 15 februari 2021 in haar beroep als psycholoog gaan werken op basis van een arbeidsovereenkomst voor 32 uur per week. De arbeidsongeschiktheid is ingetreden op 17 augustus 2021. De inkomsten die eiseres verdiende uit haar dienstverband met [naam bedrijf 2] als psychologe op dat moment vormen dus een redelijke afspiegeling van het inkomen direct voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid en niet (mede) de nabetaling van [naam bedrijf 1] B.V. en de stagevergoeding van [naam bedrijf 2]. Eiseres is daarom van mening dat onverkorte toepassing van artikel 16, eerste lid, en artikel 18 van het Dagloonbesluit strijd oplevert met het evenredigheidsbeginsel. Het dagloon moet volgens eiseres berekend worden over de gewerkte kalendermaanden in de referteperiode vanaf februari 2021 tot en met juli 2021, waarbij de inkomsten gedeeld moeten worden door de dagloondagen in deze kalendermaanden.
Eiseres is van mening dat de verdiensten uit de stage buiten beschouwing moeten blijven op grond van het evenredigheidsbeginsel en omdat het niet om loon gaat zoals bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Met betrekking tot de vraag of een stagevergoeding als loon moet worden beschouwd doet eiseres beroep op de uitspraak van de CRvB van 29 december 2021 en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 december 2022. De situatie met betrekking tot de stage die eiseres volgde, was gelijk aan de omstandigheden in deze uitspraken. Het enkele feit dat de werkgever loonaangifte heeft gedaan en loonheffing heeft ingehouden betekent niet dat de stagevergoeding ook loon was in de zin van artikel 16 van de Wfsv. Ook het feit dat er een schommeling was in de betaalde vergoeding en verloonde uren wijst er niet op dat er sprake was van loon op basis van gewerkte uren. Eiseres heeft de gemaakte onkosten uitvoerig onderbouwd en daarmee inzichtelijk en aannemelijk gemaakt welke kosten zijn gemaakt. Ook in het feit dat in de stageovereenkomst niet wordt gespecificeerd waarvoor de onkostenvergoeding wordt verstrekt, is geen aanwijzing te vinden dat het niet om een onkostenvergoeding gaat. De kosten die zij heeft gemaakt voor haar stage waren noodzakelijke uitgaven/kosten voor de verplichte stage in het kader van de opleiding. Tenslotte is het bescheiden bedrag van de stagevergoeding in verhouding tot de uren van de stage, een aanwijzing dat het niet gaat om loon maar om een onkostenvergoeding.


Wat vindt de rechtbank?

6. De rechtbank stelt vast dat het UWV in beroep het bestreden besluit I heeft gewijzigd. De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit II niet geheel tegemoet komt aan het beroep tegen het bestreden besluit I en dat het beroep daarom op grond van artikel 6:19 van de Awb mede is gericht tegen het bestreden besluit II. Omdat gesteld noch gebleken is dat eiseres nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit I, moet het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk worden verklaard.

7. Gelet op het bestreden besluit II is tussen partijen nog in geschil of de inkomsten die eiseres genoten heeft tijdens haar stage bij [naam bedrijf 2] moeten worden betrokken bij de dagloonberekening (de rechtbank zal dit beoordelen in 8), of de nabetaling die eiseres in augustus 2020 van [naam bedrijf 1] heeft ontvangen bij deze berekening moet worden meegenomen (de rechtbank beoordeelt dit onder 9) en of toepassing van artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit leidt tot strijd met evenredigheidsbeginsel (de rechtbank beantwoordt deze vraag onder 11).


Moeten de inkomsten uit de stage worden meegenomen bij de dagloonberekening?

8. De rechtbank is, mede gelet op de door eiseres aangehaalde uitspraken van de CRvB en de rechtbank Midden-Nederland, van oordeel dat de inkomsten die eiseres tijdens haar stage bij [naam bedrijf 2] tijdens de periode van 3 februari 2020 tot en met 30 september 2020 heeft genoten, niet moeten worden betrokken bij de dagloonberekening. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij dat vindt.



8.1.
Eiseres heeft in de bezwaarprocedure haar stageovereenkomst overgelegd. Hieruit blijkt dat zij in het kader van haar masterspecialisatie gezondheidszorgpsychologie stage heeft gelopen bij [naam bedrijf 2] van 3 februari 2020 tot en met 30 juni 2020, gedurende gemiddeld 28 uur per week. Tijdens de stage stelt [naam bedrijf 2] eiseres in de gelegenheid tot het zelfstandig onder supervisie doorlopen van ten minste drie diagnostische cycli. Blijkens de stageovereenkomst heeft eiseres, tijdens haar stage, recht op een, in de cao bepaalde, onkostenvergoeding. Deze stageperiode is verlengd tot en met 30 september 2020 voor zeventien uur per week. Het is de rechtbank niet gebleken dat de aard van de werkzaamheden en de wijze waarop deze werkzaamheden door eiseres werden uitgevoerd tijdens deze verlenging significant veranderd zijn.
Ook heeft eiseres in de bezwaarprocedure een overzicht en een nadere toelichting daarop overgelegd van de kosten die zij ten behoeve van haar stage heeft moeten maken. Daarbij heeft zij aangegeven dat haar stage tijdens de coronaperiode plaatsvond en dat zij daarom kosten heeft moeten maken ten behoeve van de inrichting van een ergonomische werkplek, waarbij zij voldoende privacy moest hebben voor het voeren van de gesprekken die zij tijdens haar stage moest voeren.



8.2.
Hieruit blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, dat er sprake was van een zeer nauwe samenhang tussen de stage bij [naam bedrijf 2] en de masterspecialisatie die eiseres volgde. De stage had veelal het karakter van het onder supervisie, dus niet zelfstandig, verrichten van werkzaamheden met als doel het doorlopen van een aantal diagnostische cycli. De stage van eiseres was gericht op het behalen van deze doelen. Bovendien was de vergoeding die eiseres hiervoor ontving – zeker gelet op het feit dat eiseres, vanwege corona, diverse kosten heeft moeten maken – naar het oordeel van de rechtbank dermate laag dat deze niet kan worden gezien als een beloning voor verrichte werkzaamheden, maar moet worden beschouwd als een onkostenvergoeding. Daarom is de rechtbank van oordeel dat tijdens de stage van eiseres geen sprake was van loon in de zin van de Wet op de loonbelasting en dat het ontvangen bedrag daarom niet kan worden betrokken bij de dagloonberekening.


Moet de nabetaling in augustus 2020 van [naam bedrijf 1] B.V. worden betrokken bij de dagloonberekening?

9. De rechtbank is van oordeel dat de nabetaling die eiseres in augustus 2020 van [naam bedrijf 1] B.V. heeft ontvangen, in principe moet worden betrokken bij de dagloonberekening. Hieronder zal zij uitleggen waarom zij dat vindt.



9.1.
In de bezwaarprocedure heeft eiseres een salarisspecificatie van [naam bedrijf 1] B.V. over de maand augustus 2020 overgelegd. Daaruit blijkt dat in deze maand aan eiseres de opgebouwde vakantietoeslag, de opgebouwde verlofuren, de opgebouwde TvT-uren en de opgebouwde compensatie/toeslag zijn uitbetaald. Eiseres heeft in de maand augustus 2020 geen werkzaamheden voor [naam bedrijf 1] B.V. verricht. Het betreft een nabetaling in het kader van een eindafrekening van het dienstverband van eiseres met deze werkgever. De rechtbank stelt vast dat [naam bedrijf 1] B.V. in de maand augustus 2020 aangifte van deze nabetaling heeft gedaan bij de Belastingdienst.



9.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit geldt dat eiseres de nabetaling in de maand augustus 2020 heeft genoten. Aangezien de maand augustus 2020 is gelegen in de referteperiode, moet de nabetaling die eiseres in deze maand heeft genoten, in beginsel worden meegenomen in de dagloonberekening.


Tussenconclusie

10. Omdat de rechtbank hiervoor onder 9.2 tot het oordeel is gekomen dat de nabetaling die eiseres in de maand augustus 2020 van [naam bedrijf 1] B.V. heeft ontvangen wel moet worden betrokken in de dagloonberekening, betekent dat dat de startersregeling van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit niet op haar situatie kan worden toegepast. Eiseres heeft immers in de eerste maand van de referteperiode (augustus 2020) wel loon als bedoeld in artikel 15 van het Dagloonbesluit genoten. Nu de inkomsten die eiseres uit haar stage bij [naam bedrijf 2] heeft genoten, zoals de rechtbank onder 8.2 heeft geoordeeld, niet meegenomen moeten worden, zou haar dagloon lager worden dan door het UWV is bepaald. Dit brengt de rechtbank tot de vervolgvraag of het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel slaagt.


Slaagt het beroep op het evenredigheidsbeginsel?

11. Met bestreden besluit II heeft het UWV toepassing gegeven aan artikel 16 van het Dagloonbesluit. Dit betekent dat het bestreden besluit II berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin.



11.1.
Eiseres betoogt in essentie dat de uitkomst niet evenredig is en dat daarom artikel 16 van het Dagloonbesluit buiten toepassing moet worden gelaten



11.2.
Bij een gebonden bevoegdheid heeft op het niveau van het algemeen verbindende voorschrift al een belangenafweging in algemene zin plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is neergelegd in de wettelijke voorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid, in dit geval het Dagloonbesluit. Het UWV heeft met het bestreden besluit II de uitspraken van de CRvB van 30 juli 2024 gevolgd over de loonloze tijdvakken. Daarmee is in beginsel de evenredigheid van het besluit gegeven. Beoordeeld moet dan vervolgens worden of dit op zichzelf niet onrechtmatige wettelijk voorschrift in de situatie van eiseres toch geen toepassing kan vinden omdat dat leidt tot onevenwichtigheid. Een bepaling in een wettelijk voorschrift kan namelijk buiten toepassing worden gelaten op de grond dat toepassing ervan zozeer in strijd zou zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Hierbij wordt enkel de evenwichtigheid beoordeeld. Daarbij moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst leidt. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden in de gegeven omstandigheden onredelijk bezwarend is. De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres gestelde bijzondere omstandigheden in dit geval tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit voor haar inderdaad onredelijk bezwarend is. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij dat vindt.



11.3.
De rechtbank acht van belang dat eiseres de werkzaamheden bij [naam bedrijf 1] B.V. puur en alleen heeft verricht in het kader van een bijbaantje naast haar studie psychologie. Het dienstverband tussen eiseres en deze werkgever is per 1 augustus 2020, dus voor aanvang van de referteperiode (1 augustus 2020 tot en met 31 juli 2021), beëindigd. Eiseres heeft, zoals in 9.1. is vastgesteld, in de maand augustus 2020 slechts een nabetaling in het kader van de eindafrekening ontvangen van [naam bedrijf 1] B.V.. Niet in geschil is dat eiseres in deze maand niet voor [naam bedrijf 1] B.V. heeft gewerkt. Alleen het ontvangen van deze nabetaling in de eerste maand van de referteperiode zou ertoe leiden dat de startersregeling van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit niet kan worden toegepast en tot de vaststelling van een laag dagloon. Eiseres wordt als gevolg daarvan, mogelijk langdurig, geconfronteerd met een dagloon dat niet in verhouding is tot haar salaris dat zij verdiende tijdens haar dienstverband als psycholoog bij [naam bedrijf 2] vanaf 1 februari 2021.


11.4.
Verder acht de rechtbank van belang dat eiseres niet lang nadat zij bij [naam bedrijf 2] als psycholoog in dienst is getreden per 17 augustus 2021 arbeidsongeschikt is geworden als gevolg van Long-Covid en na de wachttijd, per 19 augustus 2023, door het UWV voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is bevonden. Eiseres is weliswaar inmiddels weer gedeeltelijk als psycholoog aan het werk bij een andere werkgever, maar op dit moment is er, gelet op het feit dat er nog veel onbekend is over de prognose en behandeling van Long-Covid, geen perspectief dat zij weer snel meer uren zou kunnen gaan werken. Dat betekent dat het volgens de rechtbank niet uitgesloten is dat de negatieve effecten van het lage dagloon, door het niet toepassen van de startersregeling, zich nog jaren zullen voordoen voor eiseres.



11.5.
In de situatie van eiseres leidt deze bijzondere samenloop van omstandigheden volgens de rechtbank tot de conclusie dat toepassing van de Dagloonregels, met inachtneming van de uitspraken van de CRvB van 30 juli 2024, afbreuk doet aan het uitgangspunt dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van het welvaartsniveau in de periode voorafgaand aan de verzekerde gebeurtenis (de arbeidsongeschiktheid van eiseres per 17 augustus 2021). Dit betekent dat de toepassing van het algemeen verbindend voorschrift – het Dagloonbesluit – (met inachtneming van de uitspraken van 30 juli 2024) in dit geval zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat toepassing achterwege moet blijven. Naar het oordeel van de rechtbank had het UWV daarom in de situatie van eiseres het dagloon moeten berekenen op basis van het SV-loon dat eiseres tijdens de periode van 1 februari 2021 tot en met 31 juli 2020 bij [naam bedrijf 2] als psycholoog heeft verdiend en het aantal dagloondagen in deze periode.



11.6.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in de situatie van eiseres, gelet op haar omstandigheden, het vastgestelde dagloon niet onevenredig is. Dat betekent dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering en daarom niet in stand kan blijven.




Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb ondeugdelijk is gemotiveerd. Dat betekent dat dit besluit niet in stand kan blijven. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat daarvoor de benodigde gegevens ontbreken.


12.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het UWV een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist



12.2.
De rechtbank ziet verder aanleiding te bepalen dat het UWV de proceskosten van eiseres vergoedt. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (BPB) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De proceskosten voor het beroep bedragen dan in totaal
€ 1.868. Ook moet het UWV het door eiseres betaalde griffierecht van € 51 aan haar vergoeden.




Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I van 19 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II van 28 oktober 2025 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit II van 28 oktober 2025;
- draagt het UWV op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 19 februari 2024 met in achtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres in beroep ter hoogte van
€ 1.868;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51 aan eiser vergoedt.




Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op


De rechter is verhinderd de uitspraak te tekenen.










griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Algemene wet bestuursrecht



Artikel 3:4, tweede lid

De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.


Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen



Artikel 12, eerste lid

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. loon: het loon in de zin van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen; en
b. minimumloon: het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een werknemer jonger dan 21 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van laatstgenoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.


Artikel 13, eerste lid

Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.


Artikel 13, vierde lid

Het maandloon bedraagt:
a. indien recht op een uitkering bestaat over een volledige kalendermaand: 21,75 maal het dagloon; of
b. indien niet over een volledige kalendermaand recht op een uitkering bestaat: de uitkomst van het aantal dagen in de betreffende kalendermaand waarover recht op een uitkering bestaat gedeeld door het totaal aantal dagen in de betreffende kalendermaand vermenigvuldigd met 21,75 maal het dagloon. Bij het bepalen van het aantal dagen worden de zaterdagen en zondagen buiten beschouwing gelaten.


Wet financiering sociale verzekeringen



Artikel 16, eerste lid

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964.


Wet op de loonbelasting 1964



Artikel 3, eerste lid

Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van:
(…)
degene, die werkzaam is om vakbekwaamheid te verwerven, onder wie mede wordt begrepen degene, die als leerling van een instelling van onderwijs praktisch werkzaam is, alsmede degene, die aan een bedrijfsschool opleiding ontvangt, een en ander indien een beloning wordt genoten, die niet uitsluitend bestaat in het ontvangen van onderricht;
(…).

Artikel 10, eerste lid

Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.


Dagloonbesluit werknemersverzekeringen



Artikel 13, eerste lid

Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.


Artikel 14

Onder loon wordt in dit hoofdstuk verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wfsv met dien verstande dat niet onder loon wordt begrepen:
a. de toeslagen en aanvullingen, bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van die wet;
b. een eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964 ten aanzien waarvan de werkgever met toestemming van de inspecteur van de rijksbelastingdienst geen correctiebericht als bedoeld in artikel 28a van de laatstgenoemde wet heeft ingediend; en
c. een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW.


Artikel 15, eerste lid

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.


Artikel 16, eerste lid

Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261.


Artikel 18, eerste lid

Het dagloon van de werknemer die vanaf de aanvang van de referteperiode tot en met de laatste dag van het eerste volledige aangiftetijdvak van dat jaar geen loon als bedoeld in artikel 14 of 15 heeft genoten, wordt vastgesteld door bij de toepassing van artikel 16, eerste lid, «261» te vervangen door: het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van de referteperiode.


Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.


Het UWV verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 9 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3049.


ECLI:NL:CRVB:2020:504.


Het UWV verwijst daarbij naar artikel 14 van het Dagloonbesluit en artikel 2.1.3 van het Besluit Loonheffingen, inkomstenbelasting, heffingsaspecten stagiairs.


ECLI:NL:CRVB:2024:1523, ECLI:NL:CRVB:2024:1524 en ECLI:NL:CRVB:2024:1525.


De uitspraken van de CRvB van 1 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2016) en 18 april 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:726), de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 november 2022 (ECLI:NL:RBGEL:2021:5972), de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 juli 2022 (ECLI:NL:RBLIM:2022:5652), de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 juli 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:6924) en de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 10 februari 2023 (ECLI:NL:RBOVE:2023:507).


ECLI:NL:CRVB:2021:3330.


ECLI:NL:RBMNE:2022:5606.


ECLI:NL:CRVB:2024:1523, ECLI:NL:CRVB:2024:1524 en ECLI:NL:CRVB:2024:1525.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 oktober 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1516) en van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190, r.o. 8).
Link naar deze uitspraak