|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:5264 | | | | | Datum uitspraak | : | 06-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 10-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | 24/7069 - 24/9054 - 25/23 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over drie besluiten waar eiseres het niet mee eens is. Het eerste besluit is de afwijzing van het verzoek van eiseres om de natuurvergunning die op 19 november 2012 aan de veehouderij is verleend in te trekken (24/7069). Het tweede is het besluit om aan de veehouderij een nieuwe natuurvergunning te verlenen (24/9054). De derde is de weigering om handhavend op te treden tegen de veehouderij (25/2300). De veehouderij in kwestie ligt op ongeveer 140 meter van het natura-2000 gebied “Veluwe” en heeft daarop een stikstofdepositie van 908 mol/ha/jaar.
De rechtbank oordeelt dat het relativiteitsvereiste niet aan inhoudelijke behandeling in de weg staat vanwege de korte afstand van ongeveer 70 / 80 meter van het woonperceel c.q. de woning van eiseres tot de Veluwe.
De rechtbank oordeelt dat het intrekkingsbesluit voor wat betreft de intrekkingsgrond uit artikel 8.103, eerste lid, Bkl (passende maatregel) een motiveringsgebrek kent. Het beroep is daarom op dit punt gegrond.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen de natuurvergunning gegrond is omdat deze niet voldoet aan het kader uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2024.
De rechtbank oordeelt in de handhavingszaak dat de mestdrooginstallatie niet valt onder de overgangsregeling zoals de Afdeling die in de uitspraak van 18 december 2024 heeft opgenomen. Het beroep is daarom op dit punt gegrond. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestuursdwang | | | buitengebied | | | intensieve veehouderij | | | mestopslag | | | omgevingsvergunning | | | paarden | | | perceel | | | pluimvee | | | pluimveehouderij | | | stallen | | | stikstofdepositie | | | varkens | | | veehouderij | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/7069, 24/9054 en 25/2300
uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaken tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, het college
(gemachtigde: T. Meijs).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] uit [plaats] (hierna: de veehouderij)
(gemachtigde: mr. Tj. P. Grünbauer)
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over drie besluiten van het college waar eiseres het niet mee eens is. Het eerste besluit is de afwijzing van het verzoek van eiseres om de natuurvergunning die op 19 november 2012 aan de veehouderij is verleend in te trekken.
Het tweede is het besluit om aan de veehouderij een nieuwe natuurvergunning te verlenen.
De derde is de weigering om handhavend op te treden tegen de veehouderij.
Eiseres is het niet eens met deze besluiten. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beroepen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen gegrond zijn.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De pluimveehouderij is gevestigd op het perceel [locatie 1] te [plaats] op ongeveer 140 meter afstand van het Natura 2000-gebied “Veluwe”. Op het perceel staan vier stallen (stal C, E, F en G) waarin opfokhennen worden gehouden. Het college van gedeputeerde staten heeft aan het bedrijf op 19 november 2012 een natuurvergunning verleend. In deze natuurvergunning zijn in stal C 5000 opfokhennen vergund, in stal E 16.600 opfokhennen, in stal F 24.852 opfokhennen en in stal G 17.900 opfokhennen. In totaal kunnen dus 64.352 opfokhennen worden gehouden.
2.1.
Eiseres is sinds 2022 eigenaresse van het buurperceel [locatie 2]. De dichtstbijzijnde stal staat op ongeveer 50 meter van haar woning. Zij geeft aan overlast te ondervinden van de veehouderij.
2.2.
Eiseres heeft het college op 10 januari 2024 verzocht om de natuurvergunning van 19 november 2012 in te trekken.
2.3.
Op 22 februari 2024 heeft de veehouderij een aanvraag ingediend voor een nieuwe natuurvergunning. Onderdeel van deze aanvraag vormt de “Toelichting aanvraag Wabo onderdeel milieu”, waarin de vergunninghouder een onderbouwing geeft van de gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor de Natura 2000-gebieden. In deze toelichting staat dat het gaat om de volgende wijzigingen ten opzichte van de natuurvergunning van 19 november 2012:
“• het tijdelijk in gebruik zijn van stal C voor de opslag van materialen (zonder milieubelasting) ten behoeve van het agrarisch bedrijf of van de aanvrager, wanneer in deze stal geen dieren worden gehouden;
• het verlagen van de bezetting in stal C naar 4.500 dieren, wanneer in deze stal dieren worden gehouden;
• het veranderen van de code van het huisvestingssysteem in stal F (feitelijk verandert niets in deze stal, bedoeld is E 1.100 in plaats van E 1.7);
• het plaatsen en in gebruik hebben van een biomassa gestookte verwarmingsinstallatie in stal G met daarbij een opslagsilo voor houtpellets met een capaciteit van 20 ton;
• wijziging van de luchttoevoer uit de stallen F en G naar de mestdrooginstallatie tussen de stallen F en G;
• Het aanpassen van de mestdrooginstallatie en deze in overeenstemming brengen met de systeembeschrijving behorende bij E 6.4.2 (droogtunnel met geperforeerde platen, BWL 2007.09.V4).”
2.4.
Op 6 juni 2024 heeft eiseres het college verzocht om handhavend op te treden.
Dit handhavingsverzoek is aangevuld op 1 juli 2024, 2 juli 2024, 20 juli 2024, 31 juli 2024, 24 augustus 2024, 23 oktober 2024, 24 oktober 2024, 26 oktober 2024 en 28 oktober 2024.
2.5.
Het ontwerpbesluit van 1 augustus 2024 tot weigering van het intrekkingsverzoek heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Eiseres heeft een zienswijze ingediend.
2.6.
De ontwerp-natuurvergunning van 23 oktober 2024 heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Eiseres heeft een zienswijze ingediend.
2.7.
Het college heeft in het besluit van 9 oktober 2024 (het bestreden besluit I) geweigerd om de natuurvergunning in te trekken. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit beroep heeft zaaknummer 24/7069.
2.8.
Het college heeft in het primaire besluit van 27 november 2024 geweigerd om handhavend op te treden tegen vergunninghouder. Volgens het college is er geen sprake van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder e, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 5.5, tweede lid, onder f, van de Omgevingswet, zodat hij niet bevoegd is om handhavend op te treden.
2.9.
Het college heeft in het besluit van 10 december 2024 (het bestreden besluit II) een natuurvergunning verleend met toepassing van intern salderen. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit beroep heeft zaaknummer 24/9054.
2.10.
Het college heeft in de beslissing op bezwaar van 20 mei 2025 (het bestreden besluit III) het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, maar met een aangepaste motivering vastgehouden aan de afwijzing van het handhavingsverzoek. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit beroep heeft zaaknummer 25/2300.
2.11.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De veehouderij heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.12.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiseres en haar dochter, namens het college, mr. A. Speekenbrink, en namens de veehouderij, mr. Tj. P. Grünbauer en [persoon A].
Beoordeling door de rechtbank (algemene onderwerpen)
Ingetrokken beroepsgrond
3. Eiseres heeft op de zitting haar beroepsgrond over de besluitvorming krachtens mandaat ingetrokken.
Belanghebbendheid
4. De veehouderij stelt dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat eiseres niet heeft uiteengezet waarom zij de natuurvergunning ingetrokken wil hebben. Volgens vergunninghouder stelt zij geen belang en kan daarom geen belanghebbendheid worden aangenomen.
5. Voor de vraag of eiseres belanghebbende is, is van belang of zij rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de activiteit waarop het verzoek om handhaving betrekking heeft. Het moet daarbij gaan om gevolgen van enige betekenis. De woning van eiseres staat op ongeveer 50 meter van de dichtstbijzijnde stal en zij heeft direct zicht op de veehouderij. Haar perceel grenst ook aan het perceel van de veehouderij. Verder staat vast dat er sprake is van milieugevolgen vanwege de korte afstand tussen de intensieve veehouderij met 63.852 stuks pluimvee en de woning.
Eiseres is gelet op het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als belanghebbende bij de bestreden besluiten. Omdat eiseres een zienswijze heeft ingediend in de zaken met betrekking tot de nieuwe natuurvergunning en de intrekking van de oude natuurvergunning zou eiseres overigens, ook als zij geen belanghebbende zou zijn, ontvankelijk zijn in haar beroep gelet op de Varkens in Nood-rechtspraak.
De rechtbank ziet daarom geen reden om de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren.
Relativiteitsvereiste
6. Het college stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste aan inhoudelijke behandeling in de weg staat.
Het relativiteitsvereiste staat in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat luidt:
“De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.”
6.1.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. In artikel 8:69a van de Awb ligt besloten dat degene die vernietiging van een besluit beoogt zich in beginsel niet met succes kan beroepen op belangen van anderen. De bepalingen in de Omgevingswet over de beoordeling van projecten die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied strekken tot bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden.
6.2.
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 november 2020 volgt dat de individuele belangen van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- of leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wet natuurbescherming (Wnb) beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Bij de beantwoording van de vraag of zo’n verwevenheid kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de afstand tussen de woning van betrokkene en het natuurgebied, met wat aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het directe zicht vanuit de woning op het gebied. Als het Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de woon- en leefomgeving van betrokkene, dan is in beginsel sprake van verwevenheid als hiervoor bedoeld. Bij de beantwoording van de vraag of verwevenheid kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de situering van de woning van de natuurlijk persoon, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning en het relevante gebied, met wat aanwezig is in het gebied tussen de woning en het desbetreffende gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied.
Veluwe
6.3.
De rechtbank stelt vast dat de afstand van het woonperceel en de woning van eiseres tot de Veluwe respectievelijk ongeveer 70 en 80 meter bedraagt. Tussen haar woning en de Veluwe liggen een weg, een bosperceel en een woonperceel met daarop een dichte rij bomen die het zicht op de Veluwe in ieder geval gedeeltelijk ontnemen. Vanaf de westzijde van het perceel bestaat er direct zicht op de Veluwe. De rechtbank is van oordeel dat vanwege de korte afstand en het bestaan van direct zicht vanaf het woonperceel dit Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de leefomgeving van eiseres en dat het relativiteitsvereiste daarom niet aan inhoudelijke behandeling in de weg staat. De aanwezigheid van de weg maakt dit niet anders, omdat dit slechts een reguliere weg in het buitengebied betreft en niet een doorgaande verkeersweg die een fysieke barrière vormt tussen haar woonperceel en het natuurgebied. De uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025, waar het college naar heeft verwezen, is naar het oordeel van de rechtbank niet vergelijkbaar met deze situatie. In die zaak was de afstand groter (110 meter) en was er (onder meer) sprake van een dijk die tussen de verdiept gelegen woning en het Natura 2000-gebied was gelegen. Ook de andere door het college benoemde uitspraken zijn niet vergelijkbaar.
Beoordeling door de rechtbank (24/7069 – weigering intrekking natuurvergunning)
Wat zijn de intrekkingsgronden?
7. Omdat het intrekkingsverzoek ná 1 januari 2024 is ingediend, is op deze zaak de Omgevingswet van toepassing. Het college heeft in het bestreden besluit het intrekkingsverzoek van eiseres gekaderd in de volgende drie intrekkingsgronden:
artikel 18.10, eerste lid, van de Omgevingswet (Ow) in samenhang met artikel 5.40, tweede lid, aanhef en onder a van de Ow;
artikel 8.97, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in samenhang met artikel 5.40, tweede lid, aanhef en onder a van de Ow;
artikel 8.103, eerste lid, van het Bkl in samenhang met artikel 5.40, tweede lid, aanhef en onder a van de Ow.
Intrekking op grond van artikel 18.10, eerste lid, Ow
8. In artikel 18.10, eerste lid, van de Ow staat dat het bevoegd gezag een beschikking geheel of gedeeltelijk kan intrekken als in strijd met die beschikking of met de voor de activiteit waarvoor de beschikking is gegeven, geldende regels is of wordt gehandeld.
Op de zitting heeft eiseres desgevraagd bevestigd dat over de beoordeling van deze intrekkingsgrondslag geen beroepsgronden zijn aangevoerd. De rechtbank zal daarom niet ingaan op deze intrekkingsgrond.
Intrekking op grond van artikel 8.97, eerste lid, Bkl
9. In artikel 8.97, eerste lid, van het Bkl staat dat het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning kan wijzigen of een omgevingsvergunning kan intrekken op de in dit hoofdstuk aangegeven gronden waarop de omgevingsvergunning voor die activiteit had kunnen worden geweigerd.
9.1.
Eiseres heeft in haar beroepschrift en de aanvullingen gronden aangevoerd die zien op gezondheid en dierenwelzijn. Dit zijn aspecten die bij het verlenen van een omgevingsvergunning aan bod kunnen komen, maar niet bij het verlenen van een natuurvergunning. Omdat deze onderwerpen buiten het beoordelingskader vallen kunnen deze ook geen grond voor intrekking van de natuurvergunning vormen.
9.2.
Voor wat betreft de andere in het aanvullende beroepschrift gestelde gebreken in de natuurvergunning stelt de rechtbank vast dat eiseres deze niet in het intrekkingsverzoek heeft benoemd. Deze vallen daarom buiten de omvang van het geding. De rechtbank zal deze gestelde gebreken dus niet in de beoordeling betrekken.
De beroepsgrond slaagt niet.
Intrekking op grond van artikel 8.103, eerste lid, Bkl
10. Artikel 8.103, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat een natuurvergunning wordt ingetrokken of gewijzigd indien dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Dit artikel voorziet in een permanente beschermingsverplichting en strekt ertoe dat passende maatregelen getroffen worden als verslechtering of significante verstoring van natuurlijke habitats en habitats van soorten dreigt.
In de uitspraken van 2 juli 2025 heeft de Afdeling over de motivering van het besluit op een verzoek om intrekking van een natuurvergunning op grond van dit artikel het volgende overwogen:
“(…). De te hoge stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van (veel) verschillende activiteiten afkomstig van verschillende bronnen. Daar waar een beperking van een hoge stikstofbelasting nodig is om de verslechtering van natuurwaarden te voorkomen, zijn passende maatregelen nodig, die onder meer gericht zijn op een daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. De intrekking of een wijziging van natuurvergunningen voor activiteiten die bijdragen aan die verslechtering is een passende maatregel, maar zal in de regel niet de enige mogelijke passende maatregel zijn ter beperking van de stikstofdepositie. Het college kan, als het niet voor de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning kiest terwijl dat wel zou kunnen, niet volstaan met de enkele constatering dat andere passende maatregelen kunnen, en al zijn of nog zullen worden getroffen. Het college moet ook inzichtelijk maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Als er een pakket van maatregelen of een programma in uitvoering is dat gericht is op een daling van stikstofdepositie en dat zo nodig vergezeld gaat van een monitoring van de uitvoering en effecten daarvan en het betrokken pakket of programma voorziet in een bijsturing of een aanvulling indien nodig, dan kan het college daar naar verwijzen. Vergelijk 28.2 van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 (hierna: de PAS-uitspraak). Is er geen zicht op de uitvoering van andere stikstofdepositiereducerende maatregelen binnen afzienbare termijn, dan komt de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning nadrukkelijk in beeld, waarbij ook de intrekking of wijziging van één of meer andere natuurvergunningen in de afweging kan worden betrokken. Het bovenstaande geldt in het bijzonder als dergelijke intrekking(en) of wijziging(en) wel binnen afzienbare termijn tot een relevante verbetering kan of kunnen leiden.
(…). Het bovenstaande betekent dat het college niet alleen de te treffen maatregelen in beeld moet brengen, maar ook moet onderbouwen welke daling van stikstofdepositie naar het oordeel van het college noodzakelijk is, en binnen welke termijn deze daling van stikstofdepositie kan worden gerealiseerd. Aangezien deze onderbouwing per Natura 2000-gebied moet worden gegeven, hoeft het college daarbij niet noodzakelijkerwijs aan te sluiten bij de generieke omgevingswaarden die in art. 1.12a van de Wnb zijn opgenomen en het bijbehorende tijdpad, maar kan het college voor het betreffende Natura 2000-gebied een gebiedsspecifieke onderbouwing hanteren. Het college zal vervolgens moeten motiveren waarom de daling van stikstofdepositie door de voorgestelde maatregelen voldoende is om verslechtering tegen te gaan. Daarbij kan helpend zijn dat het college inzichtelijk maakt wat de kenmerken zijn van het gebied en wat op basis daarvan nodig en mogelijk is voor het betreffende Natura 2000-gebied om invulling te geven aan art. 6, tweede lid, van de Hrl. De passende maatregelen moeten vervolgens zijn gericht op het tegengaan van de (dreigende) verslechtering.”
10.1.
Eiseres betoogt – kort samengevat – dat het college met de verwijzing naar de maatregelen onvoldoende heeft onderbouwd dat de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn wordt gerealiseerd in de Natura 2000-gebieden “Veluwe”, “Binnenveld” en “Rijntakken”.
Omvang van het geding (Natura 2000-gebieden Binnenveld en Rijntakken)
10.2.
De Natura 2000-gebieden Binnenveld en Rijntakken die eiseres heeft benoemd in haar aanvullende beroepschrift vallen buiten de omvang van het geding omdat in het intrekkingsverzoek deze gebieden niet zijn benoemd. Het college is daarom in de motivering van het besluit ook niet op deze gebieden ingegaan. In deze zaak gaat het daarom alleen over het Natura 2000-gebied “Veluwe”.
Verslechtering of significante verstoring van en de effecten op de natuurwaarden
10.3.
Niet in geschil is dat in het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied “Veluwe” een verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden dreigt. Dit betekent dat passende maatregelen moeten worden getroffen. Ook is niet in geschil dat de activiteiten van de veehouderij effecten hebben op de natuurwaarden in dit gebied, nu de hoogste bijdrage in stikstofdepositie op Natura 2000-gebied “Veluwe” volgens de AERIUS-berekening 908,88 mol/ha/jaar bedraagt.
10.4.
De rechtbank stelt vast dat het college in het bestreden besluit heeft verwezen naar een algemeen pakket aan maatregelen dat wordt genomen om de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden terug te brengen. Het college heeft in het bestreden besluit echter niet inzichtelijk gemaakt wat de effecten van de maatregelen zijn op het Natura 2000-gebied “Veluwe”. Dat volgens het college door de landelijke en provinciale maatregelen sprake zal zijn van een daling van de stikstofdepositie is een te algemene motivering. Niet is onderbouwd dat de landelijke en provinciale maatregelen zullen leiden tot de noodzakelijke daling van stikstofdepositie op de relevante natuurwaarden in het Natura 2000-gebied. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit daarom in strijd met het motiveringsbeginsel.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie beroep
11. Het beroep is gegrond voor wat betreft de intrekkingsgrond uit artikel 8.103, eerste lid, Bkl. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit op dit punt. Het college zal op dit punt een nieuw besluit moeten nemen.
Beoordeling door de rechtbank (24/9054 - natuurvergunning)
12. Ook op deze zaak is de Omgevingswet (Ow) van toepassing omdat de aanvraag voor de natuurvergunning na 1 januari 2024 is ingediend. De Ow bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van het college een project te realiseren dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Voor zo’n vergunningplichtig project moet het college, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling maken van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.
12.1.
De natuurvergunning van 10 december 2024 is verleend met intern salderen. Dat wil zeggen: door de effecten van de aangevraagde situatie weg te strepen tegen een op dezelfde locatie aanwezige (interne) referentiesituatie, bestaande uit een oude natuurvergunning van 19 november 2012, is geconcludeerd dat de stikstofdepositie in de nieuwe situatie afneemt, zodat er geen sprake is van significante negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden.
12.2.
Op 18 december 2024 heeft de Afdeling haar rechtspraak over intern salderen gewijzigd. Deze wijziging houdt in dat intern salderen niet meer mag worden betrokken bij de vraag of een vergunning is vereist (voortoets), maar alleen nog als mitigerende maatregel in een passende beoordeling. De wijziging geldt met terugwerkende kracht en dus ook voor de natuurvergunning in deze zaak.
Conclusie beroep
13. Omdat de natuurvergunning niet aan het kader uit de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 voldoet is het beroep alleen al hierom gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de natuurvergunning van 10 december 2024.
Beoordeling door de rechtbank (25/2300 – weigering handhaving)
14. Het college heeft in het bestreden besluit van 20 mei 2025 overwogen dat er door de op 18 december 2024 gewijzigde jurisprudentie van de Afdeling met betrekking tot intern salderen sprake is van een natuurvergunningplicht met betrekking tot de aangevraagde wijzigingen ten opzichte van de vigerende natuurvergunning van 19 november 2012. Het college heeft daarom een toezichthouder een controle laten uitvoeren om vast te stellen welke activiteiten zijn gewijzigd. In het controlerapport van 7 mei 2025 staat dat er in afwijking van de natuurvergunning van 19 november 2012:
4 schapen en 2 paarden worden gehouden;
in stal F hetzelfde emissiearme huisvestingssysteem aanwezig is als in de stallen E en G,
een droogtunnel (hierna: mestdrooginstallatie) aanwezig is;
een houtgestookte stookinstallatie van 200 kW aanwezig is.
Volgens het college vallen deze activiteiten onder de overgangsregeling die is opgenomen in overweging 24.4 van de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 omdat de toezichthouder heeft vastgesteld dat de geconstateerde situatie al zo is sinds 2 augustus 2023. Volgens het college kan daarom niet handhavend worden opgetreden tegen de wijzigingen. Conform deze uitspraak heeft het college bezien of de beperking of beëindiging van de activiteiten nodig is als passende maatregel om verslechteringen of significante verstoringen van natuurwaarden in het Natura 2000-gebied te voorkomen. Daarover heeft het college overwogen dat het intrekken van de natuurvergunning als passende maatregel op dit moment niet in beeld is.
15. Voor wat betreft de mestopslag in de buitenlucht heeft het college verwezen naar de controle die een toezichthouder op 7 mei 2025 heeft uitgevoerd. Uit die controle blijkt dat er alleen mest wordt opgeslagen in de afgesloten ruimte onder de mestdrooginstallatie. Er is op het terrein niet geconstateerd dat er ergens anders mest in de open lucht wordt opgeslagen. Volgens het college is er daarom op dit punt geen overtreding.
Omvang van het geding
16. Op de zitting is vast komen te staan dat het geschil in deze zaak alleen gaat over de emissiepunten op de stallen, de mestdrooginstallatie en de mestopslag.
De rechtbank zal hierna op deze drie punten ingaan.
Emissiepunten
17. Eiseres betoogt dat de emissiepunten op de stallen afwijken van de natuurvergunning. Volgens eiseres zijn er feitelijk 70 emissiepunten maar zijn er hooguit 5 in de AERIUS-berekening opgenomen.
17.1.
Op de situatietekening bij de natuurvergunning van 19 november 2012 zijn voor elke stal de emissiepunten weergegeven. Deze emissiepunten zijn dus vergund in de natuurvergunning. Niet is gebleken dat deze emissiepunten in de tussentijd zijn gewijzigd. Op dit punt is er daarom geen sprake van een overtreding, zodat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden.
De beroepsgrond slaagt niet.
17.2.
Voor wat betreft het betoog van eiseres over de wijze van invoeren van emissiepunten in AERIUS overweegt de rechtbank dat de AERIUS-berekening niet bepaalt welke emissiepunten zijn vergund. Dat volgt uit de situatietekening en de natuurvergunning. Ook als de AERIUS-berekening op dit punt niet zou kloppen, dan maakt dat niet dat de emissiepunten illegaal aanwezig zijn. Op de zitting heeft de veehouderij verder toegelicht dat in de AERIUS-berekening niet alle emissiepunten los worden ingevoerd in het rekenmodel, maar dat deze samen moeten worden gebundeld. Daarom is er in de AERIUS-berekening geen sprake van 70 emissiepunten, maar van slechts 4. Deze uitleg is door eiseres niet betwist.
Mestdrooginstallatie
18. Eiseres betoogt dat de mestdrooginstallatie in gebruik is genomen in 2015 en niet na 1 januari 2020. De mestdrooginstallatie valt daarom niet onder de overgangsregeling uit de Afdelingsuitspraak van 18 december 2024.
18.1.
Op de zitting heeft de gemachtigde van het college aangegeven dat de mestdrooginstallatie een aanvullende techniek is en dat er daarom geen sprake is van wijziging van een project. Het is daarom niet noodzakelijk om voor de mestdrooginstallatie een natuurvergunning te verlenen.
18.2.
De rechtbank deelt het standpunt van het college niet. De toevoeging van de mestdrooginstallatie leidt namelijk tot een wijziging van de exploitatie van het bedrijf zodat geen sprake is van de voortzetting van één-en-hetzelfde project ten opzichte van het project waarvoor op 19 november 2012 een natuurvergunning is verleend. Dit betekent dat ook voor deze activiteit een (wijziging van de bestaande) natuurvergunning moet worden verleend. Het college heeft zich daarom in de natuurvergunning van 10 december 2024 en in het bestreden besluit van 20 mei 2025 terecht op het standpunt gesteld dat de mestdrooginstallatie natuurvergunningplichtig is.
18.3.
De vervolgvraag is of de mestdrooginstallatie valt onder de overgangsregeling. In overweging 24.4 van de uitspraak van 18 december 2024 staat het volgende:
“24.4. De Afdeling ziet uit oogpunt van rechtszekerheid aanleiding om voor initiatiefnemers van activiteiten die fysiek zijn gestart tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 én waarvoor op grond van de voorheen geldende rechtspraak over intern salderen geen vergunning nodig was, een overgangsperiode van vijf jaar (tot 1 januari 2030) te bepalen waarin het bevoegd gezag niet met een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom kan optreden tegen de voortzetting van die activiteit zonder natuurvergunning. Deze overgangsperiode loopt voor al de hiervoor bedoelde activiteiten tot 1 januari 2030. De initiatiefnemer kan in deze periode onderzoeken of voor de voortzetting van de activiteit een natuurvergunning nodig is. Als dat zo is, dan kan de initiatiefnemer de overgangsperiode gebruiken om een aanvraag voor een natuurvergunning te doen. Hij kan er uiteraard ook voor kiezen om zijn activiteit zodanig aan te passen dat geen natuurvergunning nodig is.
Het voorgaande betekent niet dat het bevoegd gezag in de overgangsperiode in het geheel niet kan optreden tegen de voortzetting van deze activiteiten. Het bevoegd gezag kan als de beperking of beëindiging van een activiteit nodig is als passende maatregel om verslechteringen of significante verstoringen van natuurwaarden in een Natura 2000-gebied te voorkomen, de instrumenten die de Omgevingswet daarvoor kent, zoals de specifieke zorgplicht en het stellen van maatwerkvoorschriften, voor deze activiteiten inzetten. Op dit punt verandert er dus niets voor initiatiefnemers van activiteiten die fysiek zijn gestart in de periode 1 januari 2020 tot 1 januari 2025 en waarvoor op grond van de voorheen geldende rechtspraak over intern salderen geen vergunning nodig was.”
18.4.
In de eerdere procedure van eiseres tegen de veranderingsvergunning voor de veehouderij is gebleken dat het college van burgemeester en wethouders van [plaats] op 13 april 2015 aan de veehouderij een veranderingsvergunning heeft verleend voor het realiseren van een mestcontainerloods en een droogzolder tussen stallen F en G. Op de zitting hebben zowel het college als de veehouderij aangegeven dat de mestdrooginstallatie in 2015 is gerealiseerd. Nu de mestdrooginstallatie al ruim voor 1 januari 2020 is gerealiseerd valt deze niet onder de overgangsregeling zoals de Afdeling die in de uitspraak van 18 december 2024 heeft opgenomen.
De beroepsgrond slaagt.
Mestopslag
19. Eiseres betoogt dat de mestopslag niet is vergund, maar wel aanwezig is. Volgens eiseres is één controle onvoldoende om vast te stellen dat er geen sprake is van een overtreding.
19.1.
Op de zitting heeft eiseres aangegeven dat het haar gaat om mestopslag tussen stal F en G en om mestopslag op de erfgrens aan de noordzijde. Deze opslag aan de noordzijde staat op de situatietekening bij de natuurvergunning van 19 november 2012 en wordt daarop aangeduid als “composthoop”.
19.2.
Op de mestdrooginstallatie tussen stal F en G is de rechtbank hiervoor al ingegaan. Het gaat dus nog uitsluitend over de mestopslag / composthoop aan de noordzijde van het perceel.
19.3.
Uit het controlerapport van 7 mei 2025 blijkt dat de toezichthouder heeft gekeken naar mestopslag in de open lucht, maar dat deze niet is aangetroffen. Er werd alleen mest opgeslagen in een afgesloten ruimte onder de mestdrooginstallatie.
De rechtbank is van oordeel dat het college met deze controle afdoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake was van mestopslag in de open lucht, en dus van een overtreding van de natuurvergunning, en dat het college op dit punt niet bevoegd was om handhavend op te treden. Eiseres heeft ook niet nader onderbouwd dat de composthoop zou worden gebruikt voor mestopslag.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie beroep
20. Eiseres krijgt geen gelijk voor wat betreft de emissiepunten en de mestopslag aan de noordzijde. Het beroep is op deze punten ongegrond. Het beroep is wel gegrond voor wat betreft de mestdrooginstallatie. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 10 mei 2025 in zoverre. Het college zal op dit punt een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.
Conclusie en hoe nu verder?
21. Zoals de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen, zijn de beroepen tegen de weigering om de oude natuurvergunning in te trekken, tegen de natuurvergunning en tegen de weigering om handhavend op te treden gegrond.
De rechtbank ziet in deze zaken geen mogelijkheden voor finale geschilbeslechting. Het college zal voor de vernietigde delen van deze besluiten nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
In de nieuwe motivering van het intrekkingsbesluit kan het college dan ook de aanvullende provinciale maatregelen uit de Versnelling Aanpak Stikstof (VAS) meenemen en de uitkomsten uit de nieuwe doorrekeningen die zijn verricht, die op de zitting ook al zijn besproken.
Ter voorlichting merkt de rechtbank op dat deze uitspraken er niet voor zorgen dat de stallen leeg komen te staan, zoals eiseres wenst. De veehouderij beschikt op dit moment nog altijd over de natuurvergunning uit 2012 en mag op basis van deze natuurvergunning pluimvee houden in de stallen.
Schadevergoeding
22. Eiseres heeft verzocht om vergunninghouder te veroordelen tot schadevergoeding. De bestuursrechter is echter niet bevoegd te oordelen over een verzoek tot vergoeding van schade in een geschil tussen civiele partijen. Als eiseres meent schade te hebben geleden door het handelen of nalaten van vergunninghouder en deze schade wil verhalen, zal eiseres zich tot de burgerlijke rechter moeten wenden.
Dwangsom niet tijdig beslissen
23. Eiseres verzoekt in het beroep tegen de weigering om de natuurvergunning in te trekken de dwangsom wegens niet tijdig beslissen van € 15.000 te betrekken.
23.1.
De rechtbank begrijpt dat eiseres daarmee vraagt aan de bestuursrechter om vast te stellen of en in welke mate het college dwangsommen heeft verbeurd vanwege de eerdere uitspraak van de rechtbank van 3 september 2024. In deze uitspraak heeft de rechtbank naar aanleiding van het beroep van eiseres vanwege het niet tijdig beslissen het college op straffe van een dwangsom opgedragen om uiterlijk 16 oktober 2024 op het verzoek van eiseres te beslissen. Ook hier kan eiseres niet bij de bestuursrechter over procederen. Zij zal zich daarvoor tot de burgerlijke rechter moeten wenden.
Proceskosten en griffierecht
24. Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 9 oktober 2024 voor zover het ziet op het besluitonderdeel de omgevingsvergunning niet in te trekken op grond van artikel 8.103, eerste lid, Bkl;
vernietigt het bestreden besluit van 10 december 2024;
vernietigt het bestreden besluit van 20 mei 2025 voor zover het ziet op de mestdrooginstallatie;
bepaalt dat het college nieuwe besluiten dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
draagt het college op het in zaaknummer 24/7069 betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden;
draagt het college op het in zaaknummer 24/9054 betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden;
draagt het college op het in zaaknummer 25/2300 betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;
verklaart zich niet bevoegd om een oordeel over de rechterlijke dwangsom en het verzoek om schadevergoeding te geven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, voorzitter, en mr. M. van Harten en mr. E.C. Berkouwer, leden, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie overweging 7 van de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1983).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953.
Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20
ECLI:NL:RVS:2020:2706
De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2024 vervangen door de Omgevingswet.
Zie overweging 9.2 van de uitspraak van 19 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5598).
ECLI:NL:RVS:2025:1183.
ECLI:NL:RVS:2019:4210, ECLI:NL:RVS:2020:1110, ECLI:NL:RVS:2020:222, ECLI:NL:RVS:2024:4774.
Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
ECLI:NL:RVS:2025:2969 en ECLI:NL:RVS:2025:2973.
Zie ter vergelijking ECLI:NL:RVS:2025:2969, overweging 13.4.
Artikel 5.1, eerste lid, onder e, Ow.
De uitspraken van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923 (Rendac) en ECLI:NL:RVS:2024:4909 (Amercentrale).
Zie ter vergelijking overweging 5.4 van de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3389).
ECLI:NL:RVS:2024:4923 (Rendac).
Uitspraak van 27 maart 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2026:2410).
Rechtbank Gelderland 3 september 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:5979.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1025, onder 8.1. en de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:362. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|