Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:5272 
 
Datum uitspraak:06-07-2026
Datum gepubliceerd:10-07-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:AWB - 26_643
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Intrekking recht op bijstand. Tussen partijen is niet in geschil dat het toegestane aantal verblijfsdagen in het buitenland was overschreden en dat eiseres daardoor op grond van de Participatiewet geen recht meer had op bijstand. De rechtbank oordeelt dat geen sprake was van zeer dringende redenen om toch bijstand te verlenen. Van een acute noodsituatie die uitsluitend met bijstandsverlening kon worden opgelost, is niet gebleken. Daarbij weegt mee dat eiseres zelf had gekozen voor behandeling van haar zoon in Turkije. Niet is gebleken dat de behandeling in Nederland niet mogelijk was. Dat tijdens het verblijf in Turkije zowel de vaste lasten in Nederland doorliepen als extra behandelkosten werden gemaakt is onvoldoende om een acute financiële noodsituatie aan te nemen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij door de intrekking van de bijstand in financiële nood is geraakt. Alleen een gebrek aan financiële middelen is volgens de vaste rechtspraak onvoldoende om zeer dringende redenen aan te nemen.
Trefwoorden:levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer: ARN 26/643
uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. Y. Seyran),

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen, het college
(gemachtigden: M.K. Riemersma en L.L. de Haas).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een besluit van het college, waarbij het recht op bijstand van eiseres per 27 oktober 2025 is ingetrokken. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college terecht heeft besloten het recht op bijstand van eiseres per 27 oktober 2025 in te trekken.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat bovengenoemde vraag bevestigend moet worden beantwoord. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de situatie dat eiseres te lang in het buitenland heeft verbleven. In punt 5 toetst de rechtbank de beroepsgrond van eiseres of sprake is van zeer dringende redenen. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.




Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 23 januari 2026 op het bezwaar van eiseres is het college bij het besluit van 5 december 2025, waarbij het recht op bijstand van eiseres per 27 oktober 2025 is ingetrokken, gebleven.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep tegelijkertijd met een verzoek om een voorlopige voorziening op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college. Aan het einde van de zitting zijn het beroep en het verzoek gesplitst, is het onderzoek ter zitting in het verzoek gesloten en het onderzoek ter zitting in het beroep geschorst. Verwezen wordt naar de schorsingsbeslissing van 16 april 2026. 2.3. Na de schorsing hebben partijen met de brieven van 11 mei 2026 en 19 mei 2026 nadere stukken overgelegd. Op 10 juni 2026 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek gesloten.




Beoordeling door de rechtbank


Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres is alleenstaande en woont met haar minderjarige zoon in de gemeente Zutphen . De zoon, geboren op [geboortedatum] 2021 (ten tijde in geding dus vier jaar oud) heeft achterstanden in zijn ontwikkeling en heeft onder andere autisme. Daarnaast kampt de zoon van eiseres met gebitsproblemen. Eiseres ontving sinds 31 januari 2025 bijstand naar de norm van alleenstaande ouder op grond van de Participatiewet (Pw).


3.1.
Eiseres heeft van 22 juni 2025 tot 15 juli 2025 (een totaal van 23 dagen) in het buitenland verbleven. Het college heeft haar met een brief van 23 juni 2025 geïnformeerd dat zij voor het recht op bijstand niet meer dan 28 dagen per kalenderjaar in het buitenland mag verblijven.



3.2.
Eiseres heeft het college per e-mail van 21 oktober 2025 laten weten dat zij voor de periode van 21 oktober 2025 tot 20 november 2025 naar Turkije gaat voor medische afspraken voor haar zoon.



3.3.
Het college heeft het recht op bijstand van eiseres per brief van 21 oktober 2025 geblokkeerd met ingang van 27 oktober 2025. Het college heeft eiseres vervolgens verzocht om stukken over haar reis aan te leveren en heeft haar uitgenodigd voor een gesprek op 21 november 2025. Eiseres heeft per e-mail van 18 november 2025 aangegeven dat zij niet terug kan keren naar Nederland.



3.4.
Het college heeft met het besluit van 5 december 2025 het recht op bijstand van eiseres per 27 oktober 2025 ingetrokken. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres niet is verschenen op het gesprek van 21 november 2025 en dat het college geen melding heeft ontvangen dat zij inmiddels weer in Nederland is. Daardoor is het voor het college onduidelijk of eiseres naar Nederland is teruggekeerd, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.



3.5.
Eiseres is op 21 januari 2026 weer teruggekomen in Nederland.


3.6.
Met het bestreden besluit van 23 januari 2026 op het bezwaar van eiseres heeft het college de intrekkingsbeslissing, onder gewijzigde motivering, gehandhaafd. Het college heeft aan het bestreden besluit artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw ten grondslag gelegd. Daarnaast is het college van mening dat geen sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw.


Te lang in het buitenland

4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres met haar verblijf in Turkije (tussen 21 oktober 2025 en 21 januari 2026) vanaf 27 oktober 2025 de voor haar in het jaar 2025 maximaal toegestane aantal dagen verblijf in het buitenland heeft overschreden. Evenmin is in geschil dat eiseres om die reden op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw vanaf 27 oktober 2025 was uitgesloten van het recht op bijstand.


Zeer dringende redenen

5. Eiseres beroept zich op artikel 16, eerste lid, van de Pw en stelt dat er in haar geval sprake is van zeer dringende redenen op grond waarvan aan haar onverminderd bijstand had moeten worden verleend.


5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



5.2.
Artikel 16, eerste lid, van de Pw bepaalt dat het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 2.2, bijstand kan verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.



5.3.
Zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Pw doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak. Die rechtspraak is gebaseerd op de wetsgeschiedenis van de met artikel 16, eerste lid, van de Pw vergelijkbare bepaling in de Algemene bijstandswet. Uit die wetgeschiedenis kan volgens de rechtspraak worden afgeleid dat een acute noodsituatie kan bestaan in een situatie die levensbedreigend is of als blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Echter, een dergelijke (acute nood)situatie kan ook bestaan in andere gevallen. Maar volgens vaste rechtspraak is bij die beoordeling nog steeds van belang dat de wetgever bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ heeft gedacht aan een extreme situatie en nadrukkelijk niet heeft beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden.



5.4.
Eiseres meent dat hier sprake is van een dergelijke acute noodsituatie. De rechtbank volgt haar daarin niet.



5.5.
Nu eiseres zich beroept op een uitzonderingsmogelijkheid op de hoofdregel van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw, ligt het op haar weg aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor bijstandverlening op grond van artikel 16, eerste lid, van de Pw is voldaan. Dat betekent dat eiseres aannemelijk moet maken dat zij in een acute noodsituatie, zoals uitgelegd in 5.3, verkeerde. Zij is daarin niet geslaagd.



5.6.
Eiseres heeft haar standpunt dat zij in een acute noodsituatie verkeerde als volgt toegelicht. Haar zoon volgt wegens zijn ontwikkelingsproblematiek pedagogisch onderwijs via de gemeente Zutphen . Hij is onder behandeling (geweest) van een kinderarts in Nederland. Hij is volledig afhankelijk van eiseres. Er is tevens om een second opinion verzocht (onder meer aan het Erasmus MC), waardoor dit medisch traject nog open stond en er nog geen afgerond behandelperspectief aanwezig was. Verwezen is ook naar de medische geschiedenis van de vader van de zoon van eiseres. In augustus 2025 is de zoon van eiseres voor gebitsproblemen gezien en verwezen naar een Centrum voor Bijzondere Tandheelkunde, maar behandeling heeft niet plaatsgevonden. Eiseres zag zich dus genoodzaakt medische hulp in het buitenland te zoeken. Eiseres heeft het college geïnformeerd dat zij naar het buitenland zou vertrekken voor ziekenhuisbezoek voor haar zoon. Zo zijn er meerdere medische consulten geweest (kindergeneeskunde, medische genetica, metabole diagnostiek en spoedeisende hulp) en heeft de zoon van eiseres op 7 en 8 januari 2026 een tandheelkundige behandeling onder algemene (bedoeld zal zijn: algehele) anesthesie gehad. In dit verband heeft eiseres diverse (Turkse) brieven en facturen overgelegd. Volgens eiseres heeft het college niet onderzocht of er in oktober 2025 sprake was van een situatie die maakte dat uitstel van behandeling onverantwoord was en of tijdig passende zorg in Nederland kon worden gerealiseerd. Ten tijde van haar vertrek naar Turkije verkeerde eiseres al in een financieel kwetsbare positie. Door stopzetting van de bijstand zijn haar vaste lasten in Nederland doorgelopen. Daarnaast moest zij de kosten van de medische behandelingen in Turkije dragen. Hierdoor is haar financiële positie nog verder onder druk komen te staan. Deze omstandigheden raken eiseres rechtstreeks en hebben gevolgen voor de stabiliteit van het gezin en de continuïteit van de zorg voor de zoon van eiseres.



5.7.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze toelichting niet dat eiseres in een acute noodsituatie verkeerde, zoals bedoeld in punt 5.3. De rechtbank is van oordeel dat eiseres er zelf voor heeft gekozen om in oktober 2025 naar Turkije te vertrekken om daar medische behandelingen te zoeken voor haar zoon. Uit haar toelichting volgt dat de zoon van eiseres hier in Nederland al onder behandeling was en dat die behandelingen nog niet waren afgerond. Dat niet kon worden gewacht op de voortzetting/afronding van de behandelingen in Nederland blijkt niet uit de stukken. In tegendeel, uit de door eiseres overgelegde stukken volgt dat de zoon van eiser in december 2025 al terecht kon bij een Centrum voor Bijzondere Tandheelkunde, terwijl hij in Turkije pas in januari 2026 een tandheelkundige behandeling heeft gehad. Ook blijkt nergens uit dat de second opinion bij het Erasmus MC niet kon worden afgewacht. Eiseres heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij (persoonlijk) in een noodsituatie verkeerde en om die reden naar het buitenland moest vertrekken.


5.8.
Dat de vaste lasten van eiseres tijdens haar verblijf in Turkije zijn doorgelopen en zij ook nog de kosten voor de behandelingen in Turkije moest dragen kan zo zijn, maar eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij daardoor in een acute noodsituatie is beland, die alleen met bijstandsverlening was te verhelpen. Zij heeft immers niet met stukken onderbouwd dat zij na de intrekking van haar recht op bijstand in financiële nood is komen te verkeren. Tijdens de zitting is gebleken dat eiseres voor de huurachterstand een betalingsregeling heeft getroffen. Nergens blijkt uit dat er betaalachterstanden zijn voor andere vaste lasten en dat hier consequenties voor dreigen. Verder weegt de rechtbank mee dat tijdens de zitting is gebleken dat eiseres (onbetwist) in februari en maart 2026 nog omvangrijke bedragen heeft ontvangen, die zij had kunnen aanwenden voor haar levensonderhoud. Dat dit niet mogelijk was, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Verder volgt uit de wetsgeschiedenis dat alleen het feit dat het de betrokkene ontbreekt aan financiële middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, nog niet leidt tot de conclusie dat gesproken kan worden van zeer dringende redenen om bijstand te verlenen. Eiseres heeft tot slot niet aannemelijk gemaakt dat haar gestelde financiële positie gevolgen heeft voor de stabiliteit van het gezin en de continuïteit van de zorg voor haar zoon, zoals zij stelt.




Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het recht op bijstand van eiseres per 27 oktober 2025 terecht heeft ingetrokken. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Mamedova griffier.


Uitgesproken in het openbaar op













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Als bedoeld in artikel 16 van de Participatiewet.


Zaaknummer ARN 26/640 (niet gepubliceerd). Hierin is op 4 mei 2026 uitspraak gedaan.


Verwezen wordt naar de brief van de rechtbank van 10 juni 2026.


Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1192 en van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028


Kamerstukken II, 1991-1992, 22 545, nr. 3, p. 118/119.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 mei 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1083.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 14 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:196.


Correspondentie CBT Rijnmond inzake het tandheelkundig behandeltraject.


Kamerstukken II, 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 46/47.
Link naar deze uitspraak