|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:5966 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 28-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | ARN 26/403 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | BNT; beslistermijn 21 weken | | Trefwoorden | : | landbouw | | | stikstofdepositie | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/403
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
Stichting Red de Veluwe, uit Hoog Soeren, eiseres
(gemachtigde: mr. B.N. Kloostra),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. P.J. Kooiman en mr. H. Khales).
Als derde-partij neemt aan het geding deel NV Luchthaven Lelystad, uit Lelystad
(gemachtigden: mr. Y.M.C. Pluis en mr. J.E. van Uden).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat de staatssecretaris volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van de Luchthaven van 11 maart 2020 om een natuurvergunning voor het project Exploitatie Lelystad Airport.
1.1.
De minister heeft op het beroep gereageerd.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 1] en [persoon 2] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van de minister, [persoon 3] namens de Luchthaven en de gemachtigden van de Luchthaven.
Beoordeling door de rechtbank
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een natuurvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
2.1.
De aanvraag om een natuurvergunning is ingediend op 11 maart 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wet natuurbescherming (Wnb), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
3. De Luchthaven heeft een aanvraag gedaan om een natuurvergunning te verlenen voor het project Exploitatie Lelystad Airport.
3.1.
Eiseres vreest dat extra stikstofdepositie door nog meer vliegverkeer in de huidige situatie onvermijdelijk tot verdere aantasting van natuurwaarden zal leiden. Een uitbreiding van de luchthaven in Lelystad is in het licht van de klimaatverandering een ontwikkeling die niet in het algemeen belang is. Zij wil dat de minister op de aanvraag beslist om zekerheid te krijgen over of de aangevraagde activiteiten mogen worden uitgevoerd. Dit tegen de achtergrond van het afgewezen handhavingsverzoek. Nu de minister nog steeds niet op de aanvraag heeft beslist en de termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag ruim is verstreken, heeft zij beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen door de minister.
Heeft eiseres procesbelang bij het beroep niet tijdig beslissen?
4. De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres geen procesbelang heeft bij het beroep niet tijdig beslissen.
4.1.
Voor zover de minister daarmee heeft willen stellen dat eiseres met haar beroep niet kan bereiken wat zij daarmee beoogt volgt de rechtbank dat standpunt niet. Volgens vaste rechtspraak moet het doel dat de indiener voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis zijn. Wat eiseres wil bereiken is dat er een besluit wordt genomen op de aanvraag om een natuurvergunning. Niet valt in te zien dat zij dat niet kan bereiken met deze procedure.
Relativiteit
5. De minister stelt dat het relativiteitsvereiste eraan in de weg staat dat het beroep van eiseres gegrond wordt verklaard. De wettelijke beslistermijn strekt volgens de minister ter behartiging van de belangen van de aanvrager, niet van derden niet-aanvragers.
5.1.
Het relativiteitsvereiste is geregeld in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van die bepaling vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven rechtsregel als deze regel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
5.2.
De in de Wnb en Awb opgenomen bepalingen over de termijnen waarbinnen het bestuursorgaan een besluit dient te nemen, strekken ertoe te waarborgen dat belanghebbenden binnen de in het desbetreffende geval geldende termijn worden geïnformeerd over de besluitvorming, en bij voorkeur over de inhoud daarvan. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schending van de beslistermijn in het kader van de toepassing van artikel 8:69a van de Awb niet los kan worden gezien van het beschermingsbereik van de inhoud van de normen die ten grondslag liggen aan het alsnog te nemen besluit ten aanzien waarvan eiseres rechtsmiddelen wil instellen.
5.3.
Het belang van eiseres is onder andere gericht op het behoud en herstel van de natuur, op en om de Veluwe. De bepalingen van de Wnb hebben met name ten doel om het algemeen belang van bescherming van natuur en landschap te beschermen. Omdat de statutaire belangen van eiseres betrekking hebben op de bescherming van natuurwaarden kan niet worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van haar belang. Gelet hierop staat het relativiteitsvereiste in dit geval niet in de weg aan de vernietiging van het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om een Wnb-vergunning van de Luchthaven.
Is de beslistermijn verstreken?
6. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
6.1.
Op de aanvraag van 30 oktober 2020 is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Dat betekent dat de minister in beginsel binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beslissing hierop neemt. De minister had dus uiterlijk 30 april 2021 moeten beslissen.
6.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat de aanvrager telkens heeft ingestemd met uitstel van de beslistermijn zoals bedoeld in artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb. Eiseres heeft dit standpunt gemotiveerd bestreden.
6.2.1.
De minister heeft een e-mailbericht van de Luchthaven van 23 januari 2026 overgelegd. Volgens vaste rechtspraak moet echter schriftelijk zijn ingestemd met het uitstel voor afloop van de beslistermijn. Omdat daar in dit geval geen sprake van is, is niet voldaan aan de voorwaarde voor opschorting van de beslistermijn. De beslistermijn is dus, anders dan de minister en de Luchthaven betogen, verstreken.
Is het beroep onredelijk laat ingediend?
7. De minister stelt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
7.1.
Op grond van artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een termijn gebonden. Op grond van artikel 6:12, vierde lid, van de Awb is het beroep niet-ontvankelijk als het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
7.2.
Zoals hiervoor is overwogen, moest de minister uiterlijk op 30 april 2021 op de aanvraag beslissen en is dat niet gebeurd.
7.3.
Voor de beoordeling of het beroep onredelijk laat is ingesteld, is het van belang vast te stellen of eiseres op het moment dat zij beroep instelde redelijkerwijs nog een besluit van de minister mocht verwachten. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is en dat het beroep daarom niet onredelijk laat is ingesteld. Hierbij betrekt de rechtbank dat de Luchthaven de aanvraag om een vergunning niet heeft ingetrokken en dat de minister nog steeds voornemens is om een besluit op de aanvraag te nemen. Kortom: alle partijen mikken erop dat er nog een natuurvergunning moet komen.
Tussenconclusie
8. Eiseres heeft procesbelang bij het beroep. Het relativiteitsvereiste staat niet aan ontvankelijkheid in de weg. Het beroep is niet onredelijk laat ingediend. Omdat de minister niet binnen twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling een besluit op de aanvraag van de Luchthaven heeft bekendgemaakt, en dat nog altijd niet heeft gedaan, is het beroep van eiseres ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd?
9. Als het beroep gegrond is en het bestuursorgaan nog geen besluit bekendgemaakt heeft, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. Het is vaste rechtspraak dat deze nadere beslistermijn voor bijzondere gevallen niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is.
9.1.
De minister heeft nog (steeds) geen besluit op de aanvraag van de Luchthaven bekendgemaakt. De minister moet dat alsnog doen. Op de zitting heeft de minister op de vraag wat een realistische termijn zou zijn om een besluit te nemen januari 2030 genoemd.
9.2.
Een beslistermijn van twee weken acht de rechtbank in het kader van een zorgvuldige besluitvorming niet passend. Een langere beslistermijn is daarom gerechtvaardigd. Maar een termijn die eindigt over meer dan drie jaar in januari 2030 is volgens de rechtbank onnodig lang. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen 21 weken het besluit op de aanvraag van de Luchthaven bekendmaakt.
Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd?
10. Eiseres verzoekt om een dwangsom van € 2.500.
10.1.
In de regel wordt een dwangsom bepaald van € 100 per dag met een maximum van € 15.000. Als een sterke prikkel nodig is vanwege bijvoorbeeld een weigerachtig bestuursorgaan, wordt de dwangsom bepaald op € 250 per dag met een maximum van € 37.500.
10.2.
Het gaat hier om een eerste beroep niet op tijd beslissen op de aanvraag. Daarom bepaalt de rechtbank dat de minister een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt een maximum van € 15.000. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken dat de minister weigerachtig is te beslissen en dat in dit stadium daarom geen extra stimulans voor de minister nodig is.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de minister de onder 9.2 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en de onder 10.2 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
11.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden. Daarbij krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten. De minister moet die vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen en de zaak alleen gaat over de vraag of de minister de beslistermijn heeft overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op binnen 21 weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag van de Luchthaven bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 397 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Rosmalen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de ABRvS van 28 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1145.
Zie de uitspraak van de ABRvS van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:875.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
In de zin van artikel 6:12, vierde lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx#tabs. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|