Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:6150 
 
Datum uitspraak:29-07-2026
Datum gepubliceerd:03-08-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 24_7511
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Overdrachtsbelasting
Trefwoorden:koopovereenkomst
overdrachtsbelasting
paarden
perceel
wet op belastingen van rechtsverkeer
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7511


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 juli 2026

in de zaak tussen




[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en



de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur,

en


de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.




Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 juli 2024.

Belanghebbende heeft in verband met de verkrijging van een onroerende zaak een bedrag van € 16.860 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.

Tegen de voldoening van overdrachtsbelasting op aangifte heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [echtgenote belanghebbende] , gemachtigde en namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] . Het beroep is ter zitting gezamenlijk behandeld met de zaak van de echtgenote van belanghebbende, [echtgenote belanghebbende] (zaaknummer 24/8249).



Feiten

1. Belanghebbende heeft op 4 oktober 2023 tezamen met zijn echtgenote een onroerende zaak, gelegen aan de [adres] in [plaats] , bestaande uit een woonhuis met aanhorigheden, ondergrond, erf, tuin en weiland, verkregen. De koopprijs van de onroerende zaak bedroeg € 465.000. De koopprijs is volgens de akte van levering in verband met de berekening van de overdrachtsbelasting als volgt gesplitst: de waarde van het woonhuis met aanhorigheden, ondergrond, erf en tuin bedraagt € 375.000, de waarde van het weiland bedraagt € 90.000.

2. In de koopovereenkomst die ten grondslag ligt aan de levering is in artikel 7, eerste lid, het volgende opgenomen: “De feitelijke levering en aanvaarding vindt plaats op het moment van het ondertekenen van de akte van levering zoals weergegeven in artikel 4.1, tenzij tussen verkoper en koper een ander tijdstip is overeengekomen, vrij van huur-, lease- en/of huurkoopovereenkomsten met uitzondering van de volgende overeenkomsten welke door koper gestand worden gedaan:

Het gebruik van een gedeelte van het perceel door [naam] tot en met uiterlijk 31 december 2023.”

3. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben ten aanzien van de verkrijging van het woonhuis met aanhorigheden, ondergrond, erf en tuin (de woning) een bedrag van € 7.500 (2% x € 375.000) aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Ten aanzien van de verkrijging van het weiland heeft hij een bedrag van € 9.360 (10,4% x € 90.000) aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.



Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende niet te veel overdrachtsbelasting op aangifte heeft voldaan. Ook beoordeelt de rechtbank of sprake is van een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

5. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet te veel overdrachtsbelasting heeft voldaan en dat geen sprake is van een schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Is het weiland een aanhorigheid bij de woning?

6. Belanghebbende voert aan dat het weiland een aanhorigheid bij de woning is en dat dus ten onrechte het tarief van 10,4% is toegepast. Het weiland is dienstbaar aan de woning. De agrarische activiteiten zijn in 1989 gestaakt en de voormalige eigenaar gebruikte het weiland om hobbymatig paarden te houden. Vanwege de afnemende gezondheid van de voormalig eigenaar zijn de paarden later afgestoten. Er is vervolgens een regeling getroffen met een derde, [naam] . In ruil voor een financiële vergoeding en het oogsten van het weiland, zou hij het weiland naar behoren verzorgen. Het weiland is vanaf het erf goed bereikbaar en het feit dat het weiland ook via de openbare weg toegankelijk is, maakt niet dat het weiland geen aanhorigheid is. Verder wordt de woning en het weiland voor de WOZ als een object gezien en dat betekent volgens belanghebbende dat het gaat om een aanhorigheid.

7. De inspecteur is ten eerste van mening dat het weiland niet kwalificeert als een aanhorigheid op het tijdstip van verkrijging. Het weiland behoort niet bij de woning, maar is naar haar fysieke objectieve kenmerken duidelijk te onderscheiden van de woning en is afgescheiden met heggen. Er zijn meerdere eigen opgangen. Ten tweede is een weiland in zijn algemeenheid niet dienstbaar aan de woning en is de relatieve en absolute omvang ongebruikelijk om te fungeren als tuin. Ten derde blijkt dat op het tijdstip van verkrijging het weiland niet in gebruik is bij de woning, maar in gebruik bij een derde ten behoeve van bedrijfsmatige agrarische exploitatie.

8. De rechtbank overweegt als volgt. Overdrachtsbelasting is een tijdstipbelasting. Dat betekent dat voor het bepalen van het toepasselijke tarief moet worden gekeken naar de situatie op het tijdstip van de verkrijging. Op grond van artikel 14 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (Wbr) bedraagt de overdrachtsbelasting 10,4%. De belasting bedraagt 2% voor de verkrijging door een natuurlijk persoon van - kort gezegd - een woning en aanhorigheden die tot een woning behoren.

9. Voor beantwoording van de vraag of sprake is van een aanhorigheid is beslissend of het weiland (1) behoort bij de woning, (2) daarbij in gebruik is en (3) daaraan dienstbaar is. Het weiland was op het moment van verkrijging in gebruik bij een derde. Het weiland kan naar het oordeel van de rechtbank alleen al daarom niet worden aangemerkt als een aanhorigheid. Niet relevant is of de verkrijger de bedoeling heeft om het weiland te gaan gebruiken bij de woning, bijvoorbeeld door het hobbymatig gaan houden van paarden op het weiland. Ook het feit dat het weiland en de woning voor de toepassing van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) als één object worden gezien maakt geen verschil. De objectafbakening die voortvloeit uit de Wet WOZ heeft geen betekenis voor de vraag of sprake is van een aanhorigheid in het kader van de overdrachtsbelasting.

10. Nu de conclusie is dat het weiland niet is aan te merken als een aanhorigheid is terecht het tarief van 10,4% toegepast en is dus niet te veel belasting op aangifte voldaan.


Is sprake van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

11. Subsidiair doet belanghebbende een beroep op het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Belanghebbende verwijst naar een publicatie op de website van de Belastingdienst op basis waarvan het vertrouwen gerechtvaardigd is dat als de waarde van het grasland is meegenomen in de waarde van de eigen woning, het bij de woning horende grasland een aanhorigheid is. Met betrekking tot schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel stelt belanghebbende dat de inspecteur zonder enig tussenbericht een kennisgeving heeft gestuurd dat hij voornemens was het bezwaarschrift af te wijzen. Er is geen zorgvuldig feitenonderzoek gedaan, ook niet naar een mogelijk feitelijk hobbymatig gebruik op het tijdstip van verkrijging.

12. De inspecteur is van mening dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, omdat de informatie op de website te algemeen is om daar vertrouwen aan te ontlenen. De inspecteur stelt zich verder op het standpunt dat de besluitvorming op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de uitspraak op bezwaar deugdelijk is gemotiveerd.

13. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. Informatie op de website van de Belastingdienst dient ter voorlichting. Het is in beginsel te algemeen van aard om daar vertrouwen aan te ontlenen. Als uitgangspunt geldt dat de inspecteur niet wordt gebonden aan de voorlichting op de website. Dat uitgangspunt gaat niet op als wordt voldaan aan twee voorwaarden. De eerste voorwaarde is dat belanghebbende de onjuistheid van de inlichting niet had kunnen en moeten beseffen. De tweede voorwaarde is dat belanghebbende op basis van de onjuiste inlichting een handeling heeft verricht waardoor een hoger bedrag aan belasting wordt geheven dan hij op basis van die informatie als gevolg van die handeling meende te moeten betalen. Belanghebbende heeft niet gesteld dat hij op basis van de informatie op de website van de Belastingdienst is overgegaan tot de koop en dat hij anders zou hebben gehandeld als hij wist dat hij voor het weiland het normale tarief aan overdrachtsbelasting moest betalen. De rechtbank acht dat ook niet aannemelijk. Belanghebbende heeft het argument met betrekking tot de informatie van de website pas voor het eerst aangevoerd in zijn stuk van 11 maart 2025. Dat is ver na de datum van het beroepschrift en de datum van levering. De rechtbank acht het aannemelijk dat belanghebbende pas na levering op de hoogte is geraakt van het stuk op de website.

14. Het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel zijn ook niet geschonden. De uitspraak op bezwaar is voldoende gemotiveerd. De inspecteur is in de uitspraak op bezwaar uitvoerig op de gronden van belanghebbende ingegaan. Dat belanghebbende het niet eens is met de stellingen van de inspecteur, maakt niet dat het motiveringsbeginsel is geschonden. Ook is geen sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De inspecteur heeft onderzoek gedaan naar de feiten en is ter plaatse geweest. Dat de waarneming en het hoorgesprek hebben plaatsgevonden nadat de inspecteur het voornemen om het bezwaar af te wijzen kenbaar had gemaakt, maakt niet dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld. De waarneming en het hoorgesprek hebben immers plaatsgevonden voordat uitspraak op bezwaar is gedaan. Belanghebbende is dus voordat de inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn standpunten naar voren te brengen.


Vergoeding van immateriële schade (IMSV)

15. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van IMSV wegens overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016 en 14 juni 2024. In belastinggeschillen geldt in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank ziet geen aanleiding daar in dit geval van af te wijken.

16. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 17 november 2023 ontvangen. Sinds de indiening van het bezwaarschrift is een periode van afgerond twee jaar en negen maanden verstreken. Dit leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn van afgerond een jaar. Gelet op de aangifte is het belang groter dan € 1.000. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000, namelijk € 500 per halfjaar overschrijding. Op 30 juli 2024 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. Daarmee heeft de bezwaarfase bijna negen maanden geduurd, dus afgerond drie maanden langer dan de termijn van zes maanden die voor de inspecteur geldt. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 333 (3/9 x € 1.000) aan belanghebbende te vergoeden. De Staat moet het resterende bedrag van € 667 vergoeden. Gelet op de samenhang tussen deze procedure en die van de echtgenote van belanghebbende, zal de rechtbank de IMSV gelijkelijk verdelen over belanghebbende en zijn echtgenote.



Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om IMSV wordt toegewezen. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende geen vergoeding van zijn proceskosten. Ook de omstandigheid dat een IMSV wordt toegekend, leidt niet tot toekenning van een proceskostenvergoeding, omdat er geen sprake is van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Gemachtigde heeft ter zitting aangegeven dat hij geen vergoeding in rekening brengt. Hij heeft slechts verzocht om vergoeding van zijn reiskosten. De inspecteur heeft hiermee ingestemd. De rechtbank zal een vergoeding van reiskosten toekennen voor het reizen naar de zitting van in totaal € 61,34 en dit gelijkelijk verdelen tussen belanghebbende en zijn echtgenote. De inspecteur en de Staat moeten ieder de helft daarvan vergoeden. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad krijgt belanghebbende ook het griffierecht niet terug.



Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep ongegrond;


veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 166,50;


veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 333,50.


veroordeelt de inspecteur en de Staat in de reiskosten van belanghebbende, elk tot een bedrag van € 15,34.



Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, rechter, in aanwezigheid van H. van Huigenbos, griffier.


Uitgesproken op 29 juli 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





















griffier


rechter









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1654.


Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.


ECLI:NL:HR:2016:252.


ECLI:NL:HR:2024:853.


Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
Link naar deze uitspraak