Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:6227 
 
Datum uitspraak:31-07-2026
Datum gepubliceerd:07-08-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:11830173 CV EXPL 25-2181
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:Kern van het geschil betreft de vraag of verweerster sub 1 op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die verzoekster stelt in de uitoefening van haar werkzaamheden te hebben geleden. De kantonrechter is van oordeel dat verweerster sub 1 niet aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW. Hoewel naar haar oordeel voldoende vast staat dat verzoekster (enige) schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, is namelijk onvoldoende gebleken dat verweerster sub 1 de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. De vorderingen van verzoekster jegens verweerders worden dan ook afgewezen, met veroordeling van verzoekster in de proceskosten.
Trefwoorden:agrarisch
uitkering
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
GELDERLAND


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Nijmegen

Zaaknummer: 11830173 \ CV EXPL 25-2181


Vonnis van 31 juli 2026


in de zaak van



[naam eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen ‘ [de eiser] ’,
gemachtigde: mr. D.M. Uithol,

tegen




1STICHTING RADBOUD UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM,
te Nijmegen,2. LIBERTY SPECIALTY MARKETS EUROPE S.À R.L.,
te Den Haag,
gedaagde partijen,
hierna te noemen ‘Radboud’ en ‘Liberty’,
gemachtigde: mr. H.M. Kruitwagen.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 19 december 2025 en de daarin genoemde stukken.



1.2.
Bij berichten van respectievelijk 24 en 27 april 2026 zijn door [de eiser] nog aanvullende producties overgelegd.



1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026, waarbij [de eiser] is verschenen met mr. Uithol. Daarnaast zijn van de kant van Radboud en Liberty verschenen de heer [afdelingshoofd Radiologie] (afdelingshoofd Radiologie) en de heer [juridisch adviseur] (juridisch adviseur HR), bijgestaan door mr. Kruitwagen. Partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen en hun standpunten verder toegelicht. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van hetgeen op de mondelinge behandeling is besproken.



1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De feiten


2.1.

[de eiser] is op 1 juli 1993 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Radboud in de functie van radiotherapeutisch laborante op de afdeling radiotherapie. De werkzaamheden van [de eiser] bestonden hoofdzakelijk uit het voorbereiden en uitvoeren van bestralingshandelingen bij patiënten van Radboud.



2.2.
Op 30 januari 2018 is [de eiser] volledig ziek gemeld. Tot aan deze ziekmelding werkte [de eiser] gemiddeld 17,93 uur per week voor Radboud.



2.3.

[de eiser] is op 2 maart 2018 geopereerd aan haar rechter schouder.



2.4.
In maart 2018 is er door Radboud een onderzoek uitgevoerd door mevrouw

[bedrijfsfysiotherapeut] (hierna: [bedrijfsfysiotherapeut] ), bedrijfsfysiotherapeut. Aanleiding hiervoor was dat uit de Risico-Inventarisatie en Evaluatie (hierna: RI&E) naar voren kwam dat er bij de radiotherapeutische laboranten fysieke klachten waren die gekoppeld waren aan hun werkzaamheden. Daarnaast wilde men preventief kijken wat de mogelijkheden waren om klachten te voorkomen in de toekomst. De bevindingen, maatregelen en adviezen zijn neergelegd in een rapport d.d. 5 april 2018.



2.5.
Op 19 maart 2018 is door [hoofdlaborant] (hierna: [hoofdlaborant] ), hoofdlaborant bij radiotherapie, melding gedaan van een incident dat op 20 juli 2017 zou hebben plaatsgevonden waarbij [de eiser] betrokken was. Deze melding is binnengekomen bij mevrouw [veiligheidsdeskundige] (hierna: [veiligheidsdeskundige] ), veiligheidskundige bij de Arbo- en Milieudienst van Radboud.



2.6.
Door [veiligheidsdeskundige] en de heer [bedrijfsarts] (hierna: [bedrijfsarts] ), bedrijfsarts, is naar aanleiding van deze melding onderzoek gedaan. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een briefrapport d.d. 5 april 2019. De medewerkster waarover wordt gesproken is [de eiser] , verder staat in het rapport onder meer het volgende vermeld:
“1. Inleiding


Op de afdeling radiotherapie van het Radboudumc hebben zich drie incidenten (resp. in 2012, 17 juli 2014 en 20 juli 2017) met een medewerkster voorgedaan bij werkzaamheden bij een bestralingstoestel. Hierdoor heeft deze medewerkster (laborant) uiteindelijk blijvend letsel aan de rechter schouder opgelopen. Zowel in 2012 als in 2014 zijn deze gebeurtenissen niet als incidenten beschouwd en niet gemeld. Om die reden is er destijds geen incidenten onderzoek uitgevoerd om de basisrisicofactoren van deze incidenten te achterhalen.



Op 20 juli 2017 heeft zich opnieuw een incident (aan de rechter schouder) voorgedaan met dezelfde medewerkster op de afdeling radiotherapie op de pollux in het CWZ. Hierdoor is het schouderletsel weer verergerd of opnieuw opgetreden bij deze medewerkster. Hiervan is een melding gemaakt door [hoofdlaborant] (hoofdlaborant bij radiotherapie) op 19 maart 2018.(…)



Het doel van dit onderzoek is om de basisfactoren (oorzaken) van deze incidenten alsnog te achterhalen. Hieruit lering te trekken en te zoeken naar verbetermaatregelen om herhaling van een dergelijk incident te voorkomen.



(…)



5.
Conclusie



Over het incident wat heeft plaatsgevonden in 2012 is niet meer goed vast te stellen of dit voldoet aan de zuivere definitie voor een bedrijfsongeval, maar het toen ontstane letsel speelt wel een rol bij de uiteindelijke gevolgen. Het incident van 17 juli 2014 is (wat ons betreft) in ieder geval te beschouwen als een bedrijfsongeval. Het incident op 20 juli 2017 heeft het schouderletsel verergerd of opnieuw letsel veroorzaakt, dusdanig dat ze volgens de specialist blijvend letsel heeft.(…)”



2.7.
Bij brief van 20 mei 2019 heeft [de eiser] Radboud op grond van artikel 7:658/6:170 BW aansprakelijk gesteld voor schade die zij in de uitoefening van haar werkzaamheden stelt te hebben geleden. Daarbij is benoemd dat er schade zou zijn ontstaan bij incidenten die in 2012, 2014 en 2017 hebben plaatsgevonden.



2.8.
Bij e-mail van 1 november 2019 heeft Radboud de aansprakelijkheid afgewezen.



2.9.
Radboud heeft [de eiser] op enig moment nadien (duurzaam) herplaatst in de functie van researchmedewerker.



2.10.
In het arbeidsdeskundig rapport van het UWV d.d. 9 juni 2020, opgemaakt naar aanleiding van de aanvraag van [de eiser] van een WIA-uitkering, is geconcludeerd dat [de eiser] haar eigen werk niet meer kan doen. Wel is zij geschikt geacht voor het werk van researchmedewerker voor een zelfde aantal uren. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is daarbij vastgesteld op 12,5%.



2.11.
Op 1 augustus 2023 heeft [de eiser] zich opnieuw ziek gemeld, waarna zij ook geen werkzaamheden meer voor Radboud heeft verricht.



2.12.
Het dienstverband tussen partijen is inmiddels geëindigd en [de eiser] ontvangt een IVA-uitkering.



2.13.
Liberty is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Radboud.





3Het geschil


3.1.

[de eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat Radboud aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van de door [de eiser] op 7 juli 2014 en 20 juli 2017 overkomen arbeidsongevallen;
II. Radboud en Liberty hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door [de eiser] geleden en te lijden schade, door de rechtbank te begroten, dan wel op te maken bij staat en te vereffenen door de wet, vermeerderd met rente;
III. Radboud en Liberty hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente;
IV. Radboud en Liberty hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met rente.



3.2.

[de eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij op 7 juli 2014 en 20 juli 2017 in de uitoefening van haar werkzaamheden letsel heeft opgelopen. Hierbij zijn schouderklachten ontstaan dan wel verergerd, met blijvend letsel tot gevolg. [de eiser] stelt dat Radboud op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de als gevolg van de ongevallen geleden en nog te lijden schade omdat Radboud haar zorgplicht heeft geschonden. Radboud heeft de aansprakelijkheid tot op heden echter niet erkend en is evenmin bereid gebleken om de schade van [de eiser] te vergoeden.



3.3.
Ten aanzien van de (toedracht van de) incidenten stelt [de eiser] het volgende.


3.3.1.
Op 7 juli 2014 was [de eiser] werkzaam op het apparaat ‘de Oreon’ en wilde zij een patiënt van de bestralingstafel afhalen. De patiënt kwam omhoog en ging met een onverwachte beweging met zijn volle gewicht in uiterste positie aan de rechterarm van [de eiser] hangen omdat hij bang was om te vallen. [de eiser] was op dat moment alleen werkzaam in de bestralingsruimte en heeft nog om hulp geroepen. Toen haar collega arriveerde was er echter al letsel aan de rechterschouder van [de eiser] ontstaan.



3.3.2.
Op 20 juli 2017 probeerde [de eiser] tijdens haar werkzaamheden een zwaar en fors persoon te draaien op het bestralingstoestel ‘de Castor’ in het Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis te Nijmegen, zijnde een ziekenhuis waar Radboud veel mee samenwerkt en waar veel functies worden ingevuld vanuit dit samenwerkingsverband. Tijdens het draaien van deze patiënt is de rechterschouderblessure van [de eiser] opnieuw veroorzaakt.




3.4.
Als gevolg van de voornoemde incidenten heeft [de eiser] letsel opgelopen aan de rechter schouder, namelijk een gedeeltelijke supraspinatus ruptuur in 2014 en een volledige supraspinatus ruptuur in 2017. Dat [de eiser] schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden volgt volgens [de eiser] uit het briefrapport van 5 april 2019 van [veiligheidsdeskundige] en [bedrijfsarts] , die onderzoek naar de incidenten hebben gedaan, alsook uit de door [de eiser] overgelegde medische stukken en de schriftelijke verklaring van ex-collega mevrouw [ex-collega] . Van het ongeval van 20 juli 2017 is bovendien een melding gedaan door [hoofdlaborant] .



3.5.
Volgens [de eiser] heeft Radboud de op haar rustende zorgplicht geschonden. Bij beide ongevallen moest [de eiser] boven haar macht tillen. In 2014 verrichte [de eiser] de werkzaamheden in de bestralingsruimte alleen, terwijl er bij het positioneren van een patiënt altijd twee laboranten bij de patiënt aanwezig moeten zijn. Bij het ongeval in 2017 was weliswaar een collega in de bestralingsruimte aanwezig, maar die was maar beperkt belastbaar. [de eiser] is daarnaast van mening dat er ten tijde van de incidenten onvoldoende hulpmiddelen aanwezig waren, dat er in de praktijk maar weinig aandacht werd gegeven aan de wel aanwezige hulpmiddelen en dat Radboud onvoldoende toezicht hield op de naleving van de verplichting om hulpmiddelen te gebruiken. Tot slot stelt [de eiser] dat ook de ten tijde van de ongevallen bestaande organisatieproblemen maken dat sprake is geweest van een schending van de zorgplicht.



3.6.
De precieze hoogte van de schade is nog niet duidelijk. Vast staat echter wel dat [de eiser] schade heeft geleden als gevolg van de ongevallen. Zo wordt [de eiser] geconfronteerd met diverse kosten, waaronder eigen risico, reis- en parkeerkosten, medische kosten, huishoudelijke hulp, verlies arbeidsvermogen en immateriële schade.



3.7.
Liberty wordt als aansprakelijkheidsverzekeraar van Radboud op grond van artikel 7:954 BW aangesproken tot vergoeding van de schade van [de eiser] . Radboud en Liberty zijn daarom hoofdelijk verbonden tot vergoeding van de schade.



3.8.
Radboud en Liberty voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure met rente.



3.9.
Radboud en Liberty betwisten primair dat [de eiser] schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. Van fysieke overbelasting in het werk, in die zin dat relevante grenswaarden zouden zijn overschreden, is geen sprake geweest. Daarnaast ontbreekt een causaal verband tussen de schouderklachten en de door [de eiser] genoemde incidenten. Uit de beschikbare medische informatie volgt dat sprake is van chronische en pre-existent aanwezige schouderproblematiek die is terug te voeren op aanlegfactoren en omstandigheden in de privésfeer. Daarbij wijzen Radboud en Liberty erop dat [de eiser] mantelzorg verleende aan haar echtgenoot, zij ook werkzaamheden uitvoerde in een agrarisch bedrijf, zij kampte met hypermobiliteit en in het verleden heeft geturnd.



3.10.
Subsidiair stellen Radboud en Liberty dat van een zorgplichtschending door Radboud geen sprake is geweest. Dat lichten zij als volgt toe.


3.10.1.
Radboud voert een uitgebreid en structureel arbobeleid. Zo zijn door Radboud in de loop der jaren diverse RI&E’s uitgevoerd, waarna ook een plan van aanpak is opgesteld om eventuele aanpassingen door te voeren. Daarnaast hebben medewerkers voorlichting en instructies gehad, zijn er ERGO-coaches/PAM-medewerkers aangesteld en waren er ook ten tijde van de incidenten al voldoende (til)hulpmiddelen aanwezig.



3.10.2.
Ook vóór 2018 was het bovendien al de regel dat bij de behandeling van patiënten twee radiotherapeutisch medewerkers aanwezig zijn in de bestralingsruimte en een derde medewerker in de bedieningsruimte van het bestralingsapparaat. Dat is alleen anders tijdens de 15 minuten koffiepauze in de ochtend. Mocht op dat moment de radiotherapeutisch medewerker van oordeel zijn dat de patiënt geholpen moet worden met het plaatsnemen op de tafel en/of het innemen van de juiste positie op de tafel, dan kan die medewerker de medewerker uit de bedieningsruimte vragen om mee te helpen.



3.10.3.
Tot slot geldt dat Radboud na de melding van het incident in 2017 het incident en de arbeidsomstandigheden heeft laten onderzoeken en dat er ook geen nadere maatregelen zijn die de incidenten hadden kunnen voorkomen.




3.11.
Voor zover van een zorgplichtschending wel sprake is geweest, stellen Radboud en Liberty dat aannemelijk is dat de pre-existente klachten en de mogelijke oorzaken gelegen in de privésfeer van [de eiser] zo overheersend zijn, dat eventuele aansprakelijkheid op grond van artikel 6:101 BW komt te vervallen.



3.12.
Ten aanzien van Liberty geldt tot slot dat de directe actie van artikel 7:954 lid 1 BW beperkt is tot het bedrag dat Radboud op grond van de gesloten verzekeringsovereenkomst van Liberty te vorderen heeft.



3.13.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


Kernvraag en beslissing



4.1.
Kern van het geschil betreft de vraag of Radboud op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die [de eiser] stelt in de uitoefening van haar werkzaamheden te hebben geleden.



4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat Radboud niet aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW. Hoewel naar haar oordeel voldoende vast staat dat [de eiser] (enige) schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, is namelijk onvoldoende gebleken dat Radboud de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. De vorderingen van [de eiser] jegens Radboud en Liberty worden dan ook afgewezen, met veroordeling van [de eiser] in de proceskosten. Hierna wordt toegelicht hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.


Juridisch kader




4.3.
In artikel 7:658 lid 1 BW is bepaald dat de werkgever verplicht is de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.



4.4.
Op grond van lid 2 is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.



4.5.
In lijn met de hoofdregel van artikel 150 Rv dient de werknemer, die zijn werkgever aansprakelijk houdt voor een schending van diens zorgplicht, te stellen en - bij betwisting - te bewijzen dat hij gezondheidsschade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Daarnaast is het aan de werkgever om te stellen en - bij betwisting - te bewijzen dat hij zijn verplichting om voor een veilige werkplek en arbeidsomstandigheden te zorgen is nagekomen.


Heeft [de eiser] schade geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden?




4.6.
Partijen twisten als eerste over de vraag of [de eiser] schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, zodat deze vraag allereerst ter beoordeling voor ligt.
De kantonrechter is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [de eiser] (in ieder geval enige) schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. Bij dit oordeel heeft de kantonrechter de volgende omstandigheden van belang geacht.



4.7.
Vooropgesteld wordt dat bij de beoordeling het genoemde incident uit 2012 buiten beschouwing wordt gelaten, omdat uit de door [de eiser] overgelegde stukken volgt - en door haar (desgevraagd) tijdens de mondelinge behandeling is benadrukt - dat zij enkel de incidenten uit 2014 en 2017 aan haar vorderingen ten grondslag legt.



4.8.
Ten aanzien van de incidenten uit 2014 en 2017 geldt daarnaast dat Radboud en Liberty de feitelijke toedracht daarvan, zoals deze door [de eiser] is beschreven, niet, althans nauwelijks, hebben betwist, zodat in het hiernavolgende van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan. Van belang is bovendien dat ook door [veiligheidsdeskundige] en [bedrijfsarts] , die vanuit de Arbo- en Milieudienst van Radboud onderzoek naar de beide incidenten hebben gedaan, in hun briefrapport d.d. 5 april 2019 (productie 4 bij dagvaarding) van deze feitelijke toedracht is uitgegaan.



4.9.
Door Radboud en Liberty is er ten aanzien van de feitelijke toedracht enkel op gewezen dat het volgens de bevindingen van drs [de ergonomisch expert] (hierna: [de ergonomisch expert] ) (productie 5 bij conclusie van antwoord) niet aannemelijk is dat het opvangen van de patiënt in 2014 is begonnen in ‘de uiterste positie’ van de rechter arm van [de eiser] . Dit omdat de medewerker bij normale positionering (zoals aan [de ergonomisch expert] is getoond in de video 3e ‘patiënt setup’) direct naast de tafel staat en de schouders daarbij in een middenpositie staan. Deze stelling treft geen doel. Door [de eiser] is namelijk gesteld dat de situatie van 2014 zag op het van de bestralingstafel af komen door de patiënt, waarbij ook nog eens een onverwachte beweging werd gemaakt. Bovendien heeft [de eiser] tijdens de mondelinge behandeling (desgevraagd en onbetwist) toegelicht dat de patiënt, anders dan door [de ergonomisch expert] wordt aangenomen, niet aan haar zijde van de bestralingstafel trachtte af te stappen, maar aan de andere zijde. De door [de ergonomisch expert] genoemde video over de positionering van de patiënt en de daarop gebaseerde conclusie mist hier naar het oordeel van de kantonrechter dan ook toepassing.



4.10.
Op basis van de hiervoor vastgestelde feitelijke toedracht van de incidenten in combinatie met het briefrapport d.d. 5 april 2019 en de door [de eiser] overgelegde medische stukken is de kantonrechter van oordeel dat in deze procedure weliswaar niet is komen vast te staan dat de klachten van [de eiser] aan haar rechter schouder (louter) zijn ontstaan als gevolg van de incidenten van 7 juli 2014 en 20 juli 2017, maar wel dat deze incidenten op zijn minst tot een verergering van eerder bestaande klachten hebben geleid, dan wel deze klachten opnieuw hebben geactiveerd. Een causaal verband tussen de voornoemde incidenten en deze verergering van de klachten wordt dan ook aanwezig geacht. In de rechtsoverwegingen hierna wordt deze beslissing nader toegelicht.



4.11.
In dit kader wordt er allereerst op gewezen dat uit diverse door [de eiser] overgelegde medische stukken volgt dat er ook vóór 7 juli 2014 al de nodige (en vergelijkbare) klachten aan de rechter schouder van [de eiser] aanwezig waren. Zo kan uit onder meer de producties 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 41 en 42 bij dagvaarding worden afgeleid dat [de eiser] (in ieder geval) sinds begin 2012 klachten ondervond aan de rechter schouder en dat zij in december 2012 aan de rechter schouder is geopereerd. Ook volgt uit deze stukken dat zij tot en met september 2013 als gevolg van deze klachten niet, dan wel beperkt, belastbaar was voor haar werkzaamheden en dat zij fysiotherapeutische behandelingen voor deze klachten onderging. Ten aanzien van de operatie die [de eiser] in december 2012 heeft ondergaan wordt in de medische stukken aangegeven dat het daarbij ging om een ‘labrum repair rechts’ (productie 25 en 29, 30 bij dagvaarding), hetgeen duidt op herstel van de kraakbeenrand rond de schouderkom. Daarnaast wordt ten aanzien van de situatie in 2012 in diverse medische stukken ook nog gesproken over ‘totale rotator cuff ruptuur’, ‘partieel cuffletsel’, ‘scheur in pees’ en ‘onregelmatigheden aan de undersurface van de supraspinatuspees passend bij een partiële ruptuur’ (producties 25, 27, 28 en 42 bij dagvaarding). Anders dan door [de eiser] ter zitting is gesteld, is de in 2014 geconstateerde partiële scheur in de supraspinatuspees dus niet (geheel) nieuw. Gelet op het voorgaande gaat de kantonrechter er vanuit dat er voor het incident van 7 juli 2014 bij [de eiser] al sprake was van pre-existente klachten aan de rechter schouder.



4.12.
Het voorgaande laat evenwel onverlet dat er ook in geval van een verergering van pre-existente klachten een verplichting tot schadevergoeding kan bestaan, mits er een direct causaal verband is tussen het incident en deze verergering. Daarbij geldt dan wel dat de aansprakelijk gestelde partij enkel verplicht is de schade te vergoeden die door dit incident is ontstaan. Bij een eventuele schadebegroting betekent dit dat de aansprakelijke partij geen vergoeding hoeft te betalen voor de schade die uitsluitend door deze preexistente klachten is veroorzaakt, maar wel voor de verergering, extra beperkingen of functieverlies die direct het gevolg zijn van het ongeval.



4.13.
Dat er in het onderhavige geval een verband is tussen de incidenten van 7 juli 2014 en 20 juli 2017 en de verergering, dan wel het opnieuw opkomen, van de klachten aan de rechter schouder, vindt naar het oordeel van de kantonrechter onder andere steun in het briefrapport van 5 december 2019 waarin door [veiligheidsdeskundige] en [bedrijfsarts] , na onderzoek naar de incidenten, is geconcludeerd dat de incidenten als bedrijfsongevallen zijn aan te merken.



4.14.
Daarnaast kan dit verband worden afgeleid uit de door [de eiser] overgelegde (medische) stukken, waaronder het huisartsenjournaal, de gegevens van diverse medisch specialisten en de verslagen van de bedrijfsarts. Hieruit volgt namelijk dat [de eiser] zich kort na de beide incidenten met (pijn)klachten aan de rechter schouder bij de huisarts heeft gemeld, alsook dat zij daarbij meermaals en tegenover diverse specialisten heeft benoemd dat de (verergering van de) klachten waren ontstaan als gevolg van de incidenten. Zij heeft daarbij telkens consistent verklaard. Daarbij komt dat uit de (medische) stukken ook volgt dat er na de incidenten letsel aan de rechter schouder is vastgesteld en dat [de eiser] zich (uiteindelijk) heeft ziekgemeld bij Radboud omdat zij als gevolg van schouderklachten niet meer in staat was om haar eigen werkzaamheden (volledig) uit te voeren. Van groot belang is bovendien dat zich zowel voorafgaand aan het incident van 7 juli 2014 als in de tussen de incidenten van 7 juli 2014 en 20 juli 2017 liggende periode, langere periodes van herstel hebben voorgedaan, waarbij [de eiser] geen klachten aan de rechter schouder ondervond, althans daarvan in ieder geval geen melding heeft gedaan.


4.14.1.
Ter onderbouwing van het voorgaande wijst de kantonrechter er in de eerste plaats op dat er door [de eiser] in de periode van oktober 2013 tot juli 2014 geen meldingen ter zake van klachten aan de rechter schouder bij (medische) behandelaren zijn gedaan en dat vaststaat dat zij in die periode haar werkzaamheden voor Radboud ook volledig heeft verricht.



4.14.2.
Verder geldt dat [de eiser] zich vervolgens pas weer voor het eerst op 28 juli 2014, dat is kort na het incident van 7 juli 2014, met (pijn)klachten aan de rechter schouder bij de huisarts heeft gemeld. Uit het huisartsjournaal volgt dat daarbij door [de eiser] is benoemd dat deze pijn is ontstaan na het tillen van een patiënt (productie 25 bij dagvaarding). Ook door de orthopedisch chirurg waarnaar [de eiser] vervolgens is doorverwezen, en waaraan [de eiser] op onder meer 4 september 2014 en 7 november 2014 een bezoek heeft gebracht, is in de anamnese opgetekend ‘Patiente is reeds bekend alhier in 2012 scopie + labrum repair gehad. Nu opnieuw pijn gekregen door hangen van patiënt aan de arm’. Door de orthopedisch chirurg is op 7 november 2014, naar aanleiding van een MRI op 27 oktober 2014, daarnaast (onder meer) geconcludeerd ‘Partiele scheur aan articulaire zijde van van de supraspinatuspees met begeleidende tendionpathie’ en ‘Status na labrum repair met degeneratie van het superior labrum’. Daarop is fysiotherapie geadviseerd (productie 30 en 31 bij dagvaarding). [de eiser] heeft zich op 11 november 2014 bij Radboud ziek gemeld in verband met klachten aan de rechterschouder en de bedrijfsarts heeft in de anamnese van het consult van 30 december 2014 ónder andere vermeld ‘in zomer tijdens werk (patiënt) re arm (eerder aangedane schouder) geforceerd, doorgewerkt tot niet meer ging’ (productie 24 dagvaarding). [de eiser] is nadien voor wat betreft haar rechter schouder beperkt belastbaar geweest en zij heeft (tijdelijk) aangepaste werkzaamheden verricht voor Radboud, bestaande uit administratieve werkzaamheden. Een verband tussen het incident van 7 juli 2014 en een toename, dan wel het opnieuw opbloeien, van het schouderletsel wordt gelet op het voorgaande dan ook aanwezig geacht.



4.14.3.
Nadien heeft zich opnieuw een periode van herstel voorgedaan. Per 27 juli 2015 is [de eiser] namelijk weer hersteld gemeld voor het eigen, en op dat moment nog deels, aangepaste werk. Daarbij heeft de bedrijfsarts op 28 juli 2015 de verwachting uitgesproken dat [de eiser] in de toekomst alle taken van de radiotherapeutisch medewerker weer volledig en duurzaam zou kunnen uitoefenen. [de eiser] heeft zich tot aan augustus 2017 ook niet meer met klachten bij de huisarts gemeld en tijdens de paar bezoeken die [de eiser] tot aan juli 2017 nog aan de bedrijfsarts heeft gebracht is ook niet gesproken over klachten aan de rechter schouder. Weliswaar is in de tussenliggende periode wel sprake geweest van verzuim van [de eiser] , maar niet gebleken is dat dit verzuim op enigerlei wijze verband hield met (klachten aan) de rechter schouder.



4.14.4.
Op 7 augustus 2017, en derhalve kort na het incident van 20 juli 2017, heeft [de eiser] zich opnieuw met (pijn)klachten aan de rechter schouder bij de huisarts gemeld (productie 25 bij dagvaarding). Daarbij is in het huisartsenjournaal opgenomen ‘met tillen van patiënten opnieuw re schouderklachten rechts’. [de eiser] is daarop doorverwezen naar de orthopedisch chirurg alwaar op 11 september en 27 september 2017 consulten hebben plaatsgevonden. In de verslaglegging van deze consulten is vermeld ‘3 maanden geleden tijdens het tillen plotseling een knapje gevoel in de schouder en sindsdien klachten van krachtverlies en pijn’, alsook ‘MRI-scan laat een lokale diktescheur zien van de supraspinatuspees met forse tendinose van de SSP’, waarbij een operatie tot herstel van de gescheurde pees is geadviseerd (productie 32 bij dagvaarding). [de eiser] heeft zich vervolgens op 30 januari 2018 volledig ziek gemeld bij Radboud, waarna zij op 2 maart 2018 aan haar rechter schouder is geopereerd (productie 33 bij dagvaarding). Nadien heeft [de eiser] enkel nog aangepaste werkzaamheden voor Radboud verricht. Gelet op het voorgaande wordt ook een verband tussen het incident van 20 juli 2017 en een verergering, dan wel het opnieuw opbloeien, van de klachten aan de rechter schouder aanwezig geacht.




4.15.
Dat de klachten aan de rechter schouder van [de eiser] volledig zijn terug te voeren op aanlegfactoren dan wel privébelasting, waaronder mantelzorg en werkzaamheden op het eigen agrarische bedrijf, zoals door Radboud en Liberty is gesteld, is door [de eiser] gemotiveerd betwist en bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing daarvan van de kant van Radboud en Liberty, niet komen vast te staan.


Heeft Radboud de op haar rustende zorgplicht geschonden?




4.16.
Nu vast staat dat [de eiser] schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, is Radboud in beginsel jegens [de eiser] aansprakelijk voor de schade die [de eiser] daardoor heeft geleden, tenzij Radboud aantoont dat zij de op haar rustende zorgplicht is nagekomen, dan wel dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [de eiser] . Op de aanwezigheid van opzet of bewuste roekeloosheid is geen beroep gedaan, zodat enkel nog geoordeeld dient te worden over de vraag of Radboud aan haar zorgplicht heeft voldaan. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat hier het geval, welk oordeel op het hiernavolgende is gebaseerd.



4.17.
Bij de beantwoording van de vraag of de werkgever in de gegeven omstandigheden aan de zorgplicht heeft voldaan, geldt als uitgangspunt dat de omvang van deze zorgplicht in de eerste plaats wordt bepaald door publiekrechtelijke regelgeving. Daarbij zijn vooral de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de hierop gebaseerde besluiten (Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) en Arbeidsomstandighedenregeling) van belang. Daarnaast is de werkgever op grond van art. 7:658 lid 1 BW soms verplicht tot het nemen van verdergaande maatregelen dan waartoe de arbeidsomstandighedenwetgeving verplicht en wordt de zorgplicht van de werkgever ook nader ingevuld door ongeschreven recht. De zorgplicht is echter niet onbeperkt. In artikel 7:658 lid 1 BW is bepaald dat de plicht van de werkgever alleen zover gaat als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer schade lijdt. Niet beoogd is een absolute waarborg te bieden ter bescherming van de werknemer tegen gevaar.



4.18.
De kantonrechter is van oordeel dat Radboud in de gegeven omstandigheden al die maatregelen heeft genomen, die redelijkerwijs van haar verwacht mochten worden. In de rechtsoverwegingen hierna wordt deze beslissing nader toegelicht.


4.18.1.
Bij dit oordeel wordt in de eerste plaats van belang geacht dat Radboud heeft gesteld en onderbouwd dat zij een structureel arbobeleid voert door het met regelmaat houden van RI&E’s en, voor zover nodig, het opstellen en uitvoeren van een plan van aanpak. Uit de door Radboud overgelegde RI&E’s (productie 7 bij conclusie van antwoord) komt ook naar voren dat door Radboud op frequente basis is geïnventariseerd welke risico’s en/of problemen er voor haar medewerkers speelden en welke maatregelen tot verbetering er zo nodig getroffen dienden te worden. Naar het oordeel van de kantonrechter komen uit de RI&E’s van vóór 20 juli 2017 geen specifieke problemen/verbeterpunten naar voren welke betrekking hebben op de specifieke situatie waar de incidenten op zien, en evenmin is dus ook gebleken dat Radboud geen opvolging zou hebben gegeven aan ten aanzien daarvan voorgestelde maatregelen. Van belang is daarnaast dat in de RI&E van september 2011 staat vermeld ‘Er is voldoende kennis over en er zijn voldoende middelen om te tillen, trekken, duwen. Leidt niet tot problemen, aktie niet noodzakelijk’ en dat uit de RI&E van december 2014 volgt dat er tegen lichamelijke overbelasting doeltreffende maatregelen worden genomen. Ook volgt uit de RI&E van december 2014 ‘Uit de RIE blijkt dat er risico’s zijn ten aanzien van de fysieke belasting. Deze risico’s kunnen echter vooralsnog op een andere manier dan PAGO beheerst worden. Medewerkers hebben voorlichting en instructie gehad en er zijn ergocoaches of PAM-medewerkers op de afdelingen aangesteld. Medewerker zijn zich hierdoor beter bewust van de fysieke belasting.’



4.18.2.

[de eiser] heeft gesteld dat zij bij de beide incidenten boven haar macht moest tillen, hetgeen belastend is en volgens haar kan worden verminderd/weggenomen met (til)hulpmiddelen. Volgens [de eiser] hangt er inmiddels een papegaai boven de bestralingstafel en zijn er verlaagde lasers en lamellen in de kop van het toestel aanwezig, welke hulpmiddelen het tilwerk minder zwaar maken en bovenhands werken aanzienlijk verminderd, maar zijn deze hulpmiddelen er pas na het incident van 20 juli 2017 gekomen. Door Radboud is betwist dat de voornoemde hulpmiddelen ten tijde van de incidenten nog niet aanwezig waren. Door overlegging van productie 9 bij conclusie van antwoord is deze betwisting naar het oordeel van de kantonrechter ook voldoende onderbouwd. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat de hulpmiddelen papegaai, lamellen en verstelbare lasers ook ten tijde van de incidenten in 2014 en 2017 al aanwezig waren. Zoals door [de eiser] zelf al naar voren is gebracht en door Radboud ook is bevestigd, wordt met deze hulpmiddelen het tilwerk minder zwaar en wordt het bovenhands werken aanzienlijk verminderd.



4.18.3.
Radboud heeft naar het oordeel van de kantonrechter daarnaast in voldoende mate aangetoond dat alle in redelijkheid van haar te vragen (til)hulpmiddelen aanwezig waren om fysieke overbelasting c.q. het boven de macht tillen te minimaliseren. Zo heeft Radboud onbetwist gesteld dat er naast de hiervoor genoemde hulpmiddelen een mogelijkheid bestond om de bestralingstafel omhoog en omlaag te bewegen, kon er gebruik worden gemaakt van een opstapje en was er een tillift aanwezig voor passieve transfers. Voor het pakken en plaatsen van de tubes voor in het bestralingsapparaat kon daarnaast de zogenoemde tubikar worden gebruikt.

[de eiser] heeft nog gewezen op het bestaan van een bestralingstafel waarbij de patiënt automatisch kan worden gedraaid. Onvoldoende is echter gebleken dat de aanschaf van een dergelijke tafel ten tijde van de beide incidenten een in redelijkheid van Radboud te vergen maatregel was. Dit, gelet op onder andere de aanzienlijke kosten die met de aanschaf van een dergelijke tafel gepaard gaan. Daarnaast heeft Radboud ter zitting gewezen op de ontwikkelingen in de branche die elkaar snel opvolgen en die maken dat telkens ook gekeken wordt naar andere manieren om de patiënt nauwkeurig te positioneren. Bovendien geldt in ieder geval ten aanzien van het incident van 7 juli 2014 dat niet aannemelijk is dat de door [de eiser] genoemde bestralingstafel dit incident had kunnen voorkomen.



4.18.4.

[de eiser] heeft verder nog gesteld dat er door Radboud onvoldoende aandacht zou zijn besteed aan de beschikbare (til)hulpmiddelen en het gebruik daarvan. Het voorgaande is door Radboud gemotiveerd betwist en naar het oordeel van de kantonrecht ook niet komen vast te staan. Volgens Radboud zijn er instructies, is er regelmatig bijscholing en wordt er voldoende geïnformeerd over het doel van hulpmiddelen en gebruik daarvan. Bij wijzigingen zou er bovendien sprake zijn van bijscholing. Dat dit ook in het onderhavige geval (en voorafgaand aan de incidenten) is gebeurd, kan onder meer worden afgeleid uit de door Radboud overgelegde RI&E’s van september 2011 en december 2014. Zo staat in de RI&E van september 2011 vermeld ‘Er is voldoende kennis over en er zijn voldoende middelen om te tillen, trekken, duwen. Leidt niet tot problemen, aktie niet noodzakelijk’ en is in de RI&E van december 2014 opgenomen ‘Medewerkers hebben voorlichting en instructie gehad en er zijn ergocoaches of PAM-medewerkers op de afdelingen aangesteld. Medewerker zijn zich hierdoor beter bewust van de fysieke belasting’. Tot slot wijst de kantonrechter er op dat uit het briefrapport van 5 april 2019 (productie 4 bij dagvaarding) volgt dat [bedrijfsfysiotherapeut] in 2015 nauw betrokken is geweest tijdens de re-integratie van [de eiser] . Daarbij zijn volgens het briefrapport de werkzaamheden besproken en bekeken, en zijn er adviezen gegeven over de werkorganisatie, hulpmiddelen en gedrag.



4.18.5.
Voldoende vast staat dat de instructie vanuit Radboud altijd – en dus ook vóór 2018 – is geweest dat bij de behandeling van patiënten twee radiotherapeutisch medewerkers aanwezig zijn in de bestralingsruimte en een derde medewerker aanwezig is in de bedieningsruimte van het bestralingsapparaat, met uitzondering van de koffiepauze in de ochtend. Op dat moment zijn er twee radiotherapeutische medewerkers aanwezig; één in de bestralingsruimte en één in de bedieningsruimte. Niet betwist is daarbij door [de eiser] dat het ook regel was dat tijdens deze pauze, voor zover naar het oordeel van de radiotherapeutisch medewerkers met betrekking tot de specifieke patiënt nodig, de medewerker uit de bedieningsruimte kon worden gevraagd om te helpen de patiënt te positioneren. Hiermee heeft Radboud naar het oordeel van de kantonrechter ook voor wat betreft dit punt aan haar zorgplicht voldaan.



4.18.6.
Daartoe wordt onder meer overwogen dat door [bedrijfsfysiotherapeut] , [veiligheidsdeskundige] en [bedrijfsarts] naar aanleiding van de door hen uitgevoerde onderzoeken niet is geadviseerd om tijdens pauzes als preventieve maatregel bijvoorbeeld een extra medewerker voor in de bestralingsruimte beschikbaar te hebben ter vervanging van de pauze houdende medewerker. Hieruit leidt de kantonrechter af dat ook zij het kennelijk voldoende achten dat tijdens pauzes, voor wat betreft het positioneren of het van de tafel afhelpen van de patiënt, de hulp van de medewerker uit de bedieningsruimte kan worden ingeroepen. Afgevraagd kan daarnaast worden in hoeverre het beschikbaar hebben van een extra medewerker hier een in redelijkheid van Radboud te vergen maatregel was.



4.18.7.
Gelet op de toedracht van het incident van 7 juli 2014, waarbij door de patiënt met een onverwachtse beweging met het volle gewicht in de arm van [de eiser] werd gehangen, acht de kantonrechter het bovendien niet aannemelijk dat de aanwezigheid van een (extra) medewerker in de bestralingsruimte het incident en het daarbij behorende letsel had kunnen voorkomen. Tot slot geldt dat voor zover juist is dat tijdens het incident van 20 juli 2017 een medewerker aanwezig was die fysiek beperkt belastbaar was, ook in dat geval nog steeds de mogelijkheid bestond om de hulp van de medewerker uit de bedieningsruimte in te roepen. Dat ten tijde van de incidenten vanwege bovengemiddeld verzuim minder medewerkers werkzaam waren dan normaal, is door Radboud bestreden en de kantonrechter ook niet gebleken.




4.19.
De conclusie uit al het voorgaande is dat de vorderingen van [de eiser] worden afgewezen.


Proceskosten




4.20.

[de eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Radboud en Liberty worden begroot op:










- salaris gemachtigde





576,00


(2 punten × € 288,00)




- nakosten





144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





720,00











4.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing

De kantonrechter


5.1.
wijst de vorderingen van [de eiser] af,



5.2.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
veroordeelt [de eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.









Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.














































2108/68707
Link naar deze uitspraak