Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:6965 
 
Datum uitspraak:11-09-2026
Datum gepubliceerd:15-09-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 25/2487
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Wijziging omgevingsvergunning zonnepark. ETFAL. Omgevingsverordening. Archeologie.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
omgevingsvergunning
perceel
vrijstelling
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2487


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026

in de zaak tussen



[eiseres]
, eiseres
(gemachtigde: mr. E.P. Euverman),
en


[eiser 1] en [eiser 2],


[eiser 3] en [eiser 4],


[eiser 5] en [eiser 6],


[eiser 7]
,


[eiser 8] en [eiser 9],


[eiser 10] en [eiser 11],
allen uit [woonplaats] , gezamenlijk: eisers
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland

(gemachtigde: mr. I. Nikkels).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: KS NL28 B.V. uit Den Haag
(gemachtigde: mr. T.A. Hubregtse).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Ook gaat deze uitspraak over het beroep tegen het alsnog genomen besluit en het besluit waarin het college een dwangsom wegens niet tijdig beslissen heeft vastgesteld. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van een zonnepark. Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep wegens het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is. De rechtbank komt ook tot het oordeel dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning kon verlenen. Tot slot komt de rechtbank tot het oordeel dat het college het juiste dwangsombedrag heeft vastgesteld. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 5 december 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend. Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt.
2.1. Op 5 juni 2025 hebben eisers beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op hun bezwaar.
2.2. Op 18 juni 2025 heeft het college een beslissing op bezwaar genomen. Op dezelfde dag heeft het college een besluit genomen tot vaststelling van de dwangsom (hierna: het dwangsombesluit).
2.3. Op 26 juli 2025 hebben eisers hun gronden gericht tegen de beslissing op bezwaar en het dwangsombesluit.
2.4. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, namens het college: [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] , namens de derde-partij: [persoon 4] en de gemachtigde van de derde-partij. De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig op zitting behandeld met de zaken met zaaknummers ARN 25/4772 en ARN 26/1012.

Beoordeling door de rechtbank


Waar gaat deze zaak over?

3. De derde-partij heeft op 18 november 2020 een omgevingsvergunning gekregen voor het realiseren van een zonnepark aan de Ruilverkavelingsweg 3-T01 in Neede. Deze omgevingsvergunning is met de uitspraken van de rechtbank van 10 maart 2022 onherroepelijk geworden.
3.1. Op 12 september 2024 heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het wijzigen van het al vergunde zonnepark. De wijzigingen bestaan uit:


het bouwen en gebruiken van transformatorstations, de container en inkoopstation in een andere uitvoering;


het bouwen en gebruiken van omvormers in een andere uitvoering en op een gewijzigde locatie;


het bouwen van een toegangspoort;


het aanleggen van een gewijzigde uitweg.


De aanvraag ziet op de omgevingsplanactiviteit ‘bouwen’, de buitenplanse omgevingsplanactiviteit en de omgevingsplanactiviteit ‘maken van een uitweg’.
3.2. Op het perceel is het omgevingsplan gemeente Berkelland van toepassing. Het omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die voor 1 januari 2024 golden. Voor 1 januari 2024 was op het perceel het bestemmingsplan “Buitengebied Berkelland 2020” van toepassing en had het perceel de bestemming “Agrarisch”.
3.3. Op het perceel van de derde-partij is binnen de agrarische bestemming een zonnepark niet toegestaan. Dat betekent dat de wijzigingen die zijn aangevraagd, ook in strijd zijn met het bestemmingsplan.
3.4. Voor de gewijzigde uitweg geldt dat op grond van artikel 2:12, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Berkelland 2024 (Apv) een omgevingsvergunning is vereist. Volgens het tweede lid van artikel 2:12, van de Apv wordt de vergunning slechts geweigerd:


ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;


als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;


als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of


als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.


Ter nadere invulling van artikel 2:12 van de Apv hanteert het college de beleidsregels uitwegen Berkelland 2025 (beleidsregels).
3.5. Op 5 december 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Het college heeft daarbij gemotiveerd dat met de wijzigingen van de eerder verleende omgevingsvergunning sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verder heeft het college gemotiveerd dat wat de uitweg betreft zich geen weigeringsgronden uit de Apv voordoen.
3.6. Met de beslissing op bezwaar van 18 juni 2025 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten.

I. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar

4. Het college heeft een inhoudelijk besluit op de aanvraag van eiseres genomen. De rechtbank is niet gebleken dat eiseres nog een belang heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep is daarom, voor zover het zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk.


4.1.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit. Eiseres heeft daar ook gronden tegen gericht. Eiseres heeft daarnaast gronden gericht tegen het besluit van het college tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom. De rechtbank beoordeelt die gronden hierna.






II. Het beroep tegen de alsnog genomen beslissing op bezwaar


Omvang van het geding

5. De omvang van het geding wordt bepaald door de omgevingsvergunning die met de beslissing op bezwaar van 18 juni 2025 in stand is gelaten. Er is geen omgevingsvergunning aangevraagd en verleend voor de technische bouwactiviteit. De rechtbank bespreekt daarom niet de beroepsgrond die daarop ziet.


5.1.
De rechtbank overweegt dat in deze procedure alleen de wijzigingsvergunning van 5 december 2024 voorligt. De eerder verleende omgevingsvergunning is onherroepelijk en kan in deze procedure niet aan bod komen. Dat wat eiseres heeft aangevoerd over deze omgevingsvergunning laat de rechtbank daarom in deze procedure buiten beschouwing.



5.2.
De rechtbank overweegt verder dat eiseres haar beroepsgronden ook richt tegen een aantal wijzigingen waar de omgevingsvergunning niet op ziet. Onder 3.1. staat weergegeven welke wijzigingen met de omgevingsvergunning van 5 december 2024 zijn vergund. Dat wat eiseres heeft aangevoerd over zaken die niet op deze wijzigingen zien, laat de rechtbank buiten beschouwing.


De buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘bouwen’



Heeft het college kunnen volstaan met een wijzigingsvergunning?

6. Eiseres betoogt dat de omgevingsvergunning uit 2020 onherroepelijk is en daarom niet kan worden gewijzigd. Eiseres verwijst ter onderbouwing van dit betoog naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 november 2014 en van 7 december 2016. Volgens eiseres is geen sprake van een geringe wijziging. Met de nu voorliggende omgevingsvergunning is sprake van een zonnepark dat volledig gewijzigd is. De ruimtelijke impact en afwijking van het omgevingsplan is anders dan de impact en afwijking van wat in 2020 is vergund. Eiseres betoogt dat een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan uitsluitend betrekking kan hebben op een bepaald bouwplan en zich niet mede kan uitstrekken tot eventuele toekomstige omgevingsvergunningaanvragen voor andere bouwplannen. Eiseres verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2012. Het college moest volgens eiseres de afwijkingen van het omgevingsplan op zichzelf, en dus zonder te kijken naar de omgevingsvergunning uit 2020, beoordelen. Ter ondersteuning van dat argument verwijst eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2018.



6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning alleen ziet op enkele wijzigingen van een onherroepelijke omgevingsvergunning voor het zonnepark. Het staat vast dat een zonnepark gerealiseerd mag worden. De wijzigingen op de onherroepelijke omgevingsvergunning zijn volgens het college nodig vanwege gewijzigde technieken. Het inkoopstation is veranderd van één bouwwerk naar twee kleinere bouwwerken. De totaal oppervlakte wordt 0,79 m2 meer dan eerder vergund, maar de gewijzigde bouwwerken komen niet meer 2,57 meter, maar 2 meter boven maaiveld. Verder gaat het om drie transformatorstations in plaats van zeven. De oppervlakte van de transformatorstations is afgenomen. Eerst was dit in totaal ongeveer 70 m2, met de wijziging is het totaal ongeveer 63 m2. Verder is de locatie van de toegangspoort door de gewijzigde uitweg veranderd.



6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de wijzigingen niet van dien aard zijn dat hierdoor de ruimtelijke uitstraling en de uiterlijke verschijningsvorm van het bouwplan zodanig veranderen. De rechtbank oordeelt dat daarom geen sprake is van een nieuw initiatief. De derde-partij kon daarom volstaan met het aanvragen van een wijzigingsvergunning. In de onherroepelijke omgevingsvergunning is uitgebreid beoordeeld of het zonnepark in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Van de wijzigingen gaan geen grotere ruimtelijke impact uit dan van het onherroepelijk vergunde project. Niet is gebleken dat de gevraagde wijzigingen zullen leiden tot een grotere of meer ingrijpende impact op het uitzicht, de omgeving of het gebruik van de grond dan het onherroepelijke vergunde project al zou hebben. Het college heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat alleen de wijzigingen en de gevolgen hiervan ten opzichte van de vergunde situatie ter beoordeling voorliggen en niet die van het al vergunde zonnepark in volle omvang.



6.3.
De uitspraken van de Afdeling waar eiseres naar verwijst maken het oordeel van de rechtbank niet anders. In de uitspraken uit 2014 en 2016 ging het om revisietekeningen bij een onherroepelijke omgevingsvergunning, zonder dat daar een nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning aan ten grondslag lag. In het nu voorliggende geval gaat het wel om een nieuwe aanvraag. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling uit 2012 volgt de rechtbank in dit geval ook niet. In die zaak heeft de Afdeling overwogen dat wanneer een omgevingsvergunning met een vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend, dat geen grond is voor een wijzigingsvergunning zónder vrijstelling. Datzelfde geldt voor verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling uit 2018. In de zaak die voorligt is ook een omgevingsvergunning verleend voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Er is dus een afwijking van het bestemmingsplan vergund.



6.4.
De beroepsgrond slaagt niet.


Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

7. Eiseres betoogt dat het college in het besluit ten onrechte concludeert dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) volgt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende vergunning voor een omgevingsplanactiviteit. De bestaande vergunningen zijn van rechtswege gelijkgesteld aan vergunningen voor omgevingsplanactiviteiten op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet. Volgens eiseres had het college expliciet moeten onderkennen en motiveren waarom artikel 12.27a van het Bkl van toepassing is op de nu voorliggende wijzigingen. Eiseres meent dat dit artikel niet van toepassing is, omdat dit artikel uitsluitend betrekking heeft op een situatie waarin een omgevingsvergunning is verleend voor hetzelfde bouwplan, en dus ook dezelfde afwijking van het omgevingsplan, waar de nieuwe aanvraag betrekking op heeft. Dat doet zich volgens eiseres hier niet voor. Bovendien blijft de toets aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties verplicht op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl.


7.1.
De rechtbank heeft onder 6.2. geoordeeld dat het zonnepark niet in volle omvang ter beoordeling voorligt. Dat neemt niet weg dat het college voor de wijzigingen heeft moeten motiveren of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank oordeelt niet zelf of met het besluit over de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan, binnen het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.



7.2.
De rechtbank stelt voorop dat het college bij de motivering van het besluit niet heeft verwezen naar artikel 12.27a van het Bkl. In het advies van de commissie bezwaarschriften wordt dat artikel wel genoemd. Uit de motivering van het besluit volgt niet dat het college de aanvraag heeft beschouwd als een ‘opvolgende’ buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In artikel 12.27a van het Bkl staat dat in ieder geval sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Het college heeft de wijzigingen allemaal beoordeeld en in overeenstemming geacht met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit de motivering volgt dat de wijzigingen van beperkte invloed zijn. Er zijn geen stedenbouwkundige bezwaren. De nieuwe bouwwerken zijn lager dan de eerder vergunde bouwwerken. De impact op de omgeving neemt hierdoor af. Verder verandert het straat- en bebouwingsbeeld niet. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het college getoetst heeft aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zoals artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl dat voorschrijft. In dat wat eiseres heeft betoogd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.


Omgevingsverordening Gelderland (Omgevingsverordening)


Instructieregel

8. Eiseres betoogt dat het college ten onrechte niet getoetst heeft aan de instructieregel van artikel 5.90 van de Omgevingsverordening. In deze instructieregel staat:

1. Als een omgevingsplan zonneparken in het buitengebied mogelijk maakt, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik rekening gehouden met:
a. De bijdrage van zonne-energie aan de lokale energiebehoefte.



8.1.
Uit artikel 8.0b van het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit ook getoetst moet worden aan de instructieregels voor omgevingsplannen. De rechtbank oordeelt dat het college in dit geval de aanvraag niet hoefde te toetsen aan artikel 5.90 van de Omgevingsverordening, omdat met de nu voorliggende omgevingsvergunning geen zonnepark mogelijk wordt gemaakt. Het gaat namelijk om een aantal wijzigingen van een onherroepelijke omgevingsvergunning. De beroepsgrond slaagt niet.

Stiltegebied

9. Eiseres betoogt dat het college ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 4.54 en artikel 4.55 van de Omgevingsverordening. Hieruit volgt dat de locatie in een stiltegebied ligt. Volgens eiseres heeft het college ten onrechte geen geluidsonderzoek gedaan naar de gevolgen van het zonnepark op het stiltegebied.



9.1.
In artikel 4.54 van de Omgevingsverordening staat dat de betreffende paragraaf van toepassing is op activiteiten in een stiltegebied. In artikel 4.55 van de Omgevingsverordening staat dat het in een stiltegebied verboden is om een toestel te gebruiken dat het ervaren van de natuurlijke geluiden kan verstoren.



9.2.
De rechtbank oordeelt dat uit de Omgevingsverordening niet volgt dat geen geluid mag worden geproduceerd in een stiltegebied. Een stiltegebied garandeert ook geen volledige stilte. Dat volgt ook uit de toelichting bij artikel 4.56 van de Omgevingsverordening. Artikel 4.55 van de Omgevingsverordening ziet ook niet op installaties zoals zonnepanelen, transformatoren en andere onderdelen van een zonnepark. In de toelichting bij artikel 4.55 van de Omgevingsverordening staat: “de regels over het voorkomen of beperken van geluidbelasting in stiltegebieden zien op het gebruiken van «toestellen» en «motorvoertuigen». Het gebruik van dit type geluidsbronnen is verboden, zodat het stille karakter van het gebied niet onnodig wordt verstoord. Tot dit type geluidsbronnen behoren in ieder geval: a. een airgun en andere knalapparatuur; b. een apparaat of toestel om geluid te versterken of voort te brengen, zoals een omroep- of muziekinstallatie, een muziekinstrument, een sirene of een hoorn; c. een modelvliegtuig, aangedreven door een verbrandingsmotor; d. een drone; e. een modelboot en jetski, aangedreven door een verbrandingsmotor; f. gemotoriseerde modelauto's.” Hoewel dit geen limitatieve opsomming is, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat onderdelen van een zonnepark zijn bedoeld als ‘toestel’ in de zin van de Omgevingsverordening. In dat kader had het college ook geen geluidsonderzoek hoeven uit te voeren. Door eiseres is ook niet onderbouwd uit welke normen voortvloeit dat geen geluid mag worden geproduceerd in een stiltegebied. Van strijd met de Omgevingsverordening is daarom niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.


Archeologie

10. Eiseres betoogt dat een nieuw archeologisch onderzoek had moeten plaatsvinden. Zij voert daartoe aan dat met de gewijzigde omgevingsvergunning andere grondwerkzaamheden plaatsvinden. Er geldt een dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 6”. Volgens eiseres beslaan de grondwerkzaamheden een groter oppervlak dan 5000 m2 en gaat het dieper dan 0,3 meter. Het college heeft dat ten onrechte niet gedaan.



10.1.
De bestemmingsplanregels die strekken tot bescherming van het algemeen belang van archeologische waarden, strekken niet tot bescherming van het belang van eiseres die bescherming zoekt tegen de door haar gestelde nadelige gevolgen van het zonnepark. Dat individuele belang is ook niet verweven met het algemeen belang van archeologische waarden die de planregels beogen te beschermen. Wanneer een rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept, kan de rechtbank een besluit op grond van het relativiteitsvereiste niet vernietigen op de grond dat het besluit in strijd is met die regel of dat rechtsbeginsel. De rechtbank is daarom van oordeel dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan het inhoudelijk bespreken van deze beroepsgrond.


Beleidsnotitie Ruimtelijke Ordening en Duurzame Energieopwekking in Berkelland

11. Eiseres betoogt dat de derde-partij de opgewekte stroom doorverkoopt aan een derde. Dat is volgens eiseres in strijd met de beleidsnotitie Ruimtelijke Ordening en Duurzame Energieopwekking in Berkelland (de beleidsnotitie). Uit de beleidsnotitie volgt namelijk dat de gemeente Berkelland net zoveel stroom wil opwekken als verbruiken. Volgens eiseres moet het college overeenkomstig zijn beleid handelen.



11.1.
De rechtbank oordeelt dat de beleidsnotitie geen toetsingskader is voor de hier voorliggende omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning ziet niet op de verkoop van opgewekte stroom. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit de beleidsnotitie volgt dat de gemeente Berkelland de ambitie heeft om in 2030 energieneutraal te zijn. Het beleid zegt niet iets over waar de opgewekte stroom naar toe moet gaan, voor zover dat al mogelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.


De omgevingsplanactiviteit ‘uitweg’


12. Eiseres betoogt dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de uitweg noodzakelijk is. Uit de in 2020 verleende omgevingsvergunning volgt dat een uitweg niet noodzakelijk is. Daar staat namelijk dat: “het zonnepark wordt ontsloten via de Ruilverkavelingsweg, er is een uitweg op het zonnepark voorzien aan de noordelijkste westpunt van het zonnepark. Na ingebruikname wordt het zonnepark incidenteel bezocht in het kader van beheer en onderhoud. Voor zover er al sprake is van een verkeer aantrekkende werking is deze beperkt. Het uitgangspunt is dat een ontwikkeling voorziet in de eigen parkeerbehoefte. Op het park is voldoende parkeergelegenheid aanwezig voor het eerder genoemde incidentele bezoek.”
Eiseres betoogt verder dat de uitweg afwijkt van het beleid van het college. Uit artikel 9.3 van de beleidsregels uitwegen Berkelland 2025 volgt dat de breedte van een uitweg ten behoeve van een agrarisch perceel maximaal 6 meter breed mag zijn. Daar voldoet de gevraagde uitweg niet aan. Ook had het college volgens eiseres beter moeten motiveren waarom sprake is van een landschappelijke inpassing en waarom het visuele straatbeeld en de leefomgeving van direct omwonenden niet worden aangetast.

13. De rechtbank oordeelt dat het college terecht de omgevingsvergunning voor de uitweg heeft verleend. Uit het toetsingskader van de Apv volgt niet dat sprake moet zijn van een noodzaak voor een uitweg. Dat is alleen het geval als de uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. Daarvan is niet gebleken. Dat uit de omgevingsvergunning uit 2020 zou volgen dat een uitweg niet noodzakelijk is, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Met die omgevingsvergunning is namelijk een uitweg vergund. De nu voorliggende omgevingsvergunning ziet op een wijziging daarvan. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat de uitweg niet aan artikel 9.3 van de beleidsregels voldoet. In dat artikel staat dat een uitweg ten behoeve van een agrarisch perceel maximaal 6 meter breed mag zijn. In dit geval gaat het niet om een agrarisch perceel, maar om een perceel waarop een zonnepark is gerealiseerd. De beleidsregels kennen daar geen maximale breedte aan toe. Dat betekent dat een 30 meter brede uitweg is toegestaan. De rechtbank oordeelt tot slot dat het college niet had hoeven motiveren waarom sprake is van een landschappelijke inpassing en waarom het straatbeeld niet wordt aangetast. Daar zien de weigeringsgronden van artikel 2:12 van de Apv niet op. Er doen zich geen weigeringsgronden uit de Apv voor. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning moest verlenen. De beroepsgrond slaagt niet. III. Beroep tegen de vaststelling van de hoogte van de dwangsom
13. Eiseres betoogt dat de vastgestelde dwangsom van € 322,- niet klopt. Zij voert daartoe aan dat er geen sprake is van een rechtsgeldige bekendmaking van het bestreden besluit en dat de dwangsom wegens het niet tijdig beslissen doorloopt tot ontvangst van het besluit. Eiseres stelt dat zij op 20 juni 2025 van het college een brief heeft ontvangen waarin staat dat op 18 juni 2025 een besluit is genomen op het bezwaarschrift. Volgens eiseres heeft zij het besluit daarbij niet ontvangen. Op 24 juni 2025 heeft eiseres nogmaals een brief van het college ontvangen, gedateerd op 18 juni 2025. In die brief staat dat het college het advies van de commissie bezwaarschriften overneemt. Daarbij wordt verwezen naar een bijlage waarin het besluit is opgenomen, maar die bijlage ontbrak volgens eiseres bij ontvangst.



14.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft op 18 juni 2026 beslist op het bezwaar van eiseres. In de brief waar eiseres naar verwijst staat dat het bezwaar ongegrond is verklaard. Daarmee heeft eiseres een besluit ontvangen en is ook de beslistermijn geëindigd. Eiseres heeft het college op 21 mei 2025 in gebreke gesteld. Hoewel eiseres één dag te vroeg was met het in gebreke stellen van het college, heeft het college besloten de ingebrekestelling inhoudelijk te behandelen. De rechtbank gaat daarom uit van een tijdige ingebrekestelling. Het college moest uiterlijk 4 juni 2025 een besluit nemen om geen dwangsom te verbeuren. Omdat het college op 18 juni 2026 een beslissing op bezwaar heeft genomen, moet het college een dwangsom over 14 dagen betalen ter hoogte van € 23,- per dag. Dat betekent dat het college terecht € 322,- aan verbeurde dwangsommen heeft toegekend aan eiseres.


Conclusie en gevolgen


15. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 18 juni 2025, is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Het beroep tegen het dwangsombesluit is ook ongegrond. Dat betekent dat de door het college vastgestelde dwangsom in stand blijft. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding, omdat eisers het beroep niet tijdig beslissen zonder gemachtigde hebben ingediend. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit op bezwaar van 18 juni 2025, ongegrond;
- verklaart het beroep tegen het dwangsombesluit van 18 juni 2025 ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zaaknummers AWB 21/19 en AWB 21/35, niet gepubliceerd.


Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, in samenhang met artikel 22.26 van het Omgevingsplan gemeente Berkelland (omgevingsplan).


Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet en artikel 2.12 van Algemene plaatselijke verordening 2024 (Apv).


Artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.


Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb.


ECLI:NL:RVS:2014:4168.


ECLI:NL:RVS:2016:3277.


ECLI:NL:RVS:2012:BV9516, r.o. 2.4.1.


ECLI:NL:RVS:2018:2981, r.o. 7.1.


Uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:842.


Uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3652.


Artikel 30.2.1. onder a, van de planregels.


Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 10.74 en 10.75.


Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Artikel 4:17, derde lid, van de Awb.


Artikel 4:17, tweede lid, van de Awb.
Link naar deze uitspraak