Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:7937 
 
Datum uitspraak:14-10-2026
Datum gepubliceerd:23-10-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 24/5515
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Wet WOZ. Gemachtigde [naam]. Beroep over hogere kostenvergoeding, kort na instellen beroep alsnog uitbetaald door heffingsambtenaar. Artikel 8:54 Awb. Kennelijk niet ontvankelijk beroep wegens niet overleggen recente machtiging.
Trefwoorden:erfgenamen
woz waarde
woz-beschikking
woz-waarde
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5515


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 14 oktober 2026

in de zaak tussen




[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(beroep ingediend door: [persoon 1] ),

en



de heffingsambtenaar van Tribuut, de heffingsambtenaar.




Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 26 februari 2024.

De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 598.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag onroerendezaakbelastingen van de gemeente Lochem voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag).

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning verlaagd naar € 530.000 en hij heeft aan belanghebbende een vergoeding van de kosten in bezwaar toegekend. Vervolgens is belanghebbende in beroep gekomen tegen het ontbreken van een dwangsombesluit en vraagt hij een hogere kostenvergoeding en immateriële schadevergoeding.

De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.



Feiten

1. Belanghebbende is geboren op [geboortedag] 2011 en is dus minderjarig.

2. De woning behoort tot de nalatenschap van [erflaatster] . Belanghebbende is één van de twee (minderjarige) erfgenamen van erflaatster. Over de erfdelen van de erfgenamen is een testamentair bewind ingesteld tot aan de leeftijd van 28 jaar. De heer [persoon 2] ( [persoon 2] ) is aangewezen als bewindvoerder.

3. [persoon 2] heeft namens belanghebbende op 3 maart 2023 de heer [persoon 1] gemachtigd om hem te vertegenwoordigen bij het voeren van de procedure omtrent de beschikking en de aanslag.

4. De rechtbank heeft aanleiding gezien om een recente machtiging op te vragen. Op 15 mei 2026 heeft de rechtbank [persoon 1] met een digitaal bericht verzocht om een recente machtiging over te leggen. In dit verzoek heeft de rechtbank het volgende vermeld:

“De rechtbank heeft deze zaak bestudeerd. De WOZ-waarde is in beroep niet in geschil. De zaak gaat over toekenning van een dwangsom van 392 euro in verband met een ingebrekestelling die op 25 januari 2025 aangetekend naar het juiste adres zou zijn gestuurd, maar die retour is ontvangen. De heffingsambtenaar betwist gemotiveerd de verzending van deze ingebrekestelling en stelt alleen op 20 februari 2024 een ingebrekestelling (gedateerd op 16 februari 2024) te hebben ontvangen, zodat de uitspraak op bezwaar van 26 februari 2024 tijdig is gedaan.

In deze zaak is het beroep door u ingediend namens [persoon 2] , die als testamentair bewindvoerder is opgetreden van [belanghebbende] , op wiens naam de WOZ-beschikking is gesteld. Medebelanghebbende is zijn broer [medebelanghebbende] . De machtiging dateert van 3 maart 2023.

Gelet op ouderdom van deze machtiging in combinatie met de aard van het beroep, ziet de rechtbank aanleiding u te verzoeken binnen twee weken een recente machtiging van [persoon 2] over te leggen.

Ik verzoek u uiterlijk 29 mei 2026 te reageren.”

5. Op 1 juni 2026 heeft [persoon 1] gereageerd op het verzoek van de rechtbank om een recente machtiging. In de reactie staat het volgende vermeld:

“(…) Het beroep in deze zaak is op 15 maart 2024 ingesteld. Daarbij is een machtiging van 3 maart 2023 overgelegd. Gedurende de daaropvolgende procedure heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om vragen te stellen over mijn vertegenwoordigingsbevoegdheid of de toereikendheid van de overgelegde machtiging.

De rechtbank verzoekt thans, ruim twee jaar na indiening van het beroep, om overlegging van een recente machtiging.

Niet duidelijk is waarom eerst na ruim twee jaar procederen aanleiding wordt gezien om de reeds in het dossier aanwezige machtiging ter discussie te stellen. Tegen deze achtergrond verzoek ik de rechtbank concreet aan te geven welke feiten en omstandigheden maken dat de bestaande machtiging thans niet langer toereikend wordt geacht.

Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de machtiging van 3 maart 2023 onvoldoende is voor de verdere behandeling van het beroep, verzoek ik de rechtbank dit oordeel nader te motiveren, onder vermelding van de feiten en omstandigheden waarop deze conclusie is
gebaseerd.. (…)”

6. Op 5 juni 2026 heeft de rechtbank [persoon 1] met een digitaal bericht een laatste termijn van twee weken gegeven voor de indiening van een recente machtiging. In het bericht staat het volgende vermeld:

“De rechtbank heeft uw bericht van 1 juni jl. ontvangen. In reactie hierop bericht ik u dat het verzoek om een nieuwe machtiging over te leggen van kracht blijft. De termijn hiervoor is twee weken vanaf vandaag.

Als u binnen die termijn geen nieuwe machtiging overlegt, zal de rechtbank hieraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht. Daarbij bestaat de mogelijkheid dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De rechtbank heeft het verzoek al gemotiveerd in het bericht van 15 mei jl en gaat geen nadere motivering geven. Motivering is niet verplicht, zie Hoge Raad 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556.”

7. [persoon 1] heeft vervolgens geen recente machtiging overgelegd.




Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat [persoon 1] desgevraagd geen recente machtiging heeft ingediend waaruit blijkt dat hij in deze zaak als gemachtigde van [persoon 2] beroep mocht instellen namens belanghebbende. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Toetsingskader

9. De Hoge Raad heeft in het arrest van 10 april 2026 het volgende overwogen:

“(…)

4.2
Op grond van artikel 8:24, lid 2, Awb kan de bestuursrechter van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen.

4.3.1
Bij het gebruik van deze bevoegdheid mag de bestuursrechter met het oog op een goede rechtspleging in redelijkheid eisen stellen aan de machtiging. Hij wordt daarin niet beperkt door de wijze waarop een rechter in een vorige instantie de bevoegdheid van artikel 8:24, lid 2, Awb heeft gebruikt, noch door de wijze waarop die rechter een aan hem overgelegde schriftelijke machtiging heeft beoordeeld.


4.3.2
De hiervoor in 4.3.1 bedoelde bevoegdheid van de bestuursrechter houdt onder meer in dat hij mag vragen om een recente machtiging. Hij mag eveneens vragen om een machtiging die is gegeven na de bestreden uitspraak. Ook mag hij om een machtiging vragen die specifiek ziet op de procedure die zich afspeelt voor zijn gerecht.


4.3.3
Voor het opvragen van een machtiging als hiervoor in 4.3.2 bedoeld, is niet vereist dat de bestuursrechter aanwijzingen heeft dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde, zoals die is vastgelegd in een eerdere machtiging, op grond van de bepalingen over volmacht in Titel 3 van Boek 3 BW zou zijn geëindigd, en die rechter daarom in redelijkheid aanleiding kon vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid is blijven voortbestaan.


4.3.4
De Hoge Raad is in zoverre teruggekomen van zijn arrest van 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840.3 Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat de bepalingen van Titel 3 van Boek 3 BW weliswaar op grond van artikel 3:79 BW buiten het vermogensrecht van overeenkomstige toepassing zijn, maar dat dit slechts geldt voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. In de parlementaire toelichting bij Boek 3 BW is in verband met dit voorbehoud onder meer opgemerkt dat men met overeenkomstige toepassing van (onder meer) Titel 3 van Boek 3 BW op procesrechtelijke rechtshandelingen uitermate voorzichtig dient te zijn.4



4.4
Om te kunnen beoordelen of een schriftelijke machtiging is ondertekend door de rechtzoekende op wiens naam zij is gesteld, en dus kan dienen als bewijs van volmacht, mag de bestuursrechter binnen een door hem te stellen redelijke termijn om legitimatie van deze persoon vragen.


4.5
De bestuursrechter is niet verplicht te motiveren waarom hij een recente machtiging en/of legitimatie van de volmachtgever vraagt, noch waarom hij de hiervoor in 4.3.1 bedoelde eisen stelt.


4.6
Indien degene die zich bij het instellen van beroep als gemachtigde heeft gesteld, niet een (nieuwe) machtiging als hiervoor in 4.3.2 bedoeld overlegt binnen de daartoe door de rechter gestelde termijn, of indien binnen een dergelijke termijn geen legitimatie als hiervoor in 4.4 bedoeld plaatsvindt van degene op wiens naam het beroep is ingesteld, is sprake van een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb.5 De rechter is bevoegd het bij hem ingestelde rechtsmiddel vanwege een dergelijk verzuim niet-ontvankelijk te verklaren, op voorwaarde dat de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe door de rechter gestelde redelijke termijn, en geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is.6
(…)
Voetnoten:
3 Vgl. HR 28 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1558, rechtsoverweging 3.2, en HR 11 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1441.
4. Kamerstukken II 1970/71, nr. 3770, nr. 5, blz. 81.
5 Vgl. HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2, rechtsoverwegingen 3.3.3 en 3.3.4, en ABRvS 16 maart 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT0580, rechtsoverweging 2.7.
6 Vgl. ABRvS 18 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1675, rechtsoverweging 3.3, CRvB 16 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3583, rechtsoverweging 4.4, en CBb 20 juni 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB2227.”


Is [persoon 1] gemachtigde van [persoon 2] ?

10. Het beroepschrift is op 15 maart 2024 ingediend door [persoon 1] namens [persoon 2] , de testamentair bewindvoerder van belanghebbende. Bij het beroepschrift is een machtiging overgelegd die door [persoon 2] is ondertekend en dateert van 3 maart 2023. De rechtbank heeft in de omstandigheden van het geval aanleiding gezien om een recente machtiging op te vragen. De redenen hiervoor zijn uiteengezet in het hiervoor geciteerde bericht van 15 mei 2026 (zie punt 4.). Na de reactie hierop van [persoon 1] heeft de rechtbank op 5 juni 2026 nogmaals de mogelijkheid gegeven om een recente machtiging over te leggen (zie punt 6.). [persoon 1] heeft niet op dit laatste bericht gereageerd en heeft geen recente machtiging ingediend. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is.

11. De rechtbank verbindt aan het uitblijven van een recente machtiging de gevolgtrekking dat [persoon 1] niet is gemachtigd om namens [persoon 2] beroep in te stellen namens belanghebbende en dat het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is.


Verzoek immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

12. [persoon 1] heeft op 15 maart 2024 verzocht om een schadevergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

13. Gezien het feit dat niet is gebleken dat [persoon 1] gemachtigd is om namens [persoon 2] beroep in te stellen namens belanghebbende, is hij ook niet bevoegd om een verzoek om immateriële schadevergoeding in te dienen. Ook dit verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.




Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug en hij krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten. Ook het verzoek om immateriële schadevergoeding is kennelijk niet-ontvankelijk.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep en het verzoek om schadevergoeding kennelijk niet-ontvankelijk.



Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Wildenbeest, griffier.
Uitgesproken op 14 oktober 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




















griffier


rechter











Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.




ECLI:NL:HR:2026:556.
Link naar deze uitspraak