Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:7979 
 
Datum uitspraak:16-10-2026
Datum gepubliceerd:23-10-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 25/514
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Omgevingsvergunning sierteelt. Beroep gegrond. Advies STAB. Locatiespecifiek onderzoek niet deugdelijk.
Trefwoorden:activiteitenbesluit
bestemmingsplan
boomteelt
fruitteelt
omgevingsvergunning
perceel
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/514
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2026

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
(gemachtigde: mr. M.J.P. Kamp),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [persoon 1] uit [plaats 2]
(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de nieuwe beslissing op bezwaar. Het college heeft de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor de uitbreiding van bedrijfsactiviteiten met sierteelt in stand gelaten. Aan de beslissing op bezwaar heeft het college een locatiespecifiek onderzoek ten grondslag gelegd. Eiser is het niet eens met de beslissing op bezwaar. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing op bezwaar.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het locatiespecifiek onderzoek niet deugdelijk is. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Het college heeft op 1 oktober 2021 aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de functieaanduiding “sierteelt” op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] in Voorst. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Met de beslissing op bezwaar van 4 februari 2022 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten.


2.1.
De rechtbank heeft in de uitspraak van 18 december 2023 de beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.


2.2.
Met de tweede beslissing op bezwaar van 20 december 2024 is het college bij de verleende omgevingsvergunning gebleven, met een aanvullende motivering en het stellen van voorschriften.



2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college samen met [persoon 2] , bijgestaan door [persoon 3] van Adromi B.V. en de derde-partij met zijn gemachtigde. De rechtbank heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.



2.5.
Op 23 oktober 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) benoemd als deskundige.



2.6.
Op 2 april 2026 heeft de STAB advies uitgebracht.



2.7.
Eiser, het college en de derde-partij hebben schriftelijk gereageerd op het advies van de STAB.



2.8.
De derde-partij heeft aanvullende stukken ingediend.



2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college samen met [persoon 2] en bijgestaan door [persoon 3] van Adromi B.V., en de derde-partij met zijn gemachtigde. Namens de STAB waren drs. J.F. Schuurman en ing. C.A. van Drimmelen MAB aanwezig.




Beoordeling door de rechtbank


Waar gaat deze zaak over?

3. De derde-partij is eigenaar van de percelen [perceel 1] en [perceel 2] aan de [adres] in Voorst. Op 10 september 2021 heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor de uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten met sierteelt op deze percelen. De aanvraag ziet op de activiteit “handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening”.


3.1.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Buitengebied” en de percelen hebben de bestemming “Agrarisch”. Volgens de gebruiksregels is sierteelt toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘sierteelt’. De percelen hebben deze aanduiding niet. Op grond van artikel 3.6.1. van het bestemmingsplan kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van de gebruiksregels om onder andere sierteelt toe staan, met in achtneming van:


de bestaande bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt;


de omschakeling naar bosbouw, sierteelt, fruitteelt of boomkwekerij dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;


de bestaande landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden worden niet onevenredig aangetast.



Volgens het college wordt aan deze voorwaarden voldaan en is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft daarom op 1 oktober 2021 de omgevingsvergunning verleend. Met de beslissing op bezwaar van 4 februari 2022 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten.



3.2.
Eiser woont aan de [adres] in Voorst. Het perceel van eiser grenst aan de percelen van de derde-partij. Hij is het niet eens met de omgevingsvergunning.



3.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Met de uitspraak van 18 december 2023 heeft de rechtbank de beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college opnieuw op het bezwaar moet beslissen. Het college moet opnieuw een belangenafweging maken waarbij ook op de spuitzone moet worden ingegaan. De belangen van eiser moeten kenbaar worden betrokken. Bij deze belangenafweging is van belang dat ‘sierteelt’ in de brede zin is vergund en niet specifiek de teelt van sierbessenstruiken. Ook moet het college de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) betrekken over spuitvrije zones.



3.4.
Het college heeft een onderzoek laten uitvoeren door Adromi B.V. (Adromi). Het is een locatiespecifiek onderzoek zonder modelmatige beoordeling. Adromi heeft op 28 maart 2024 een rapport uitgebracht waaruit volgt dat een goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd.



3.5.
Op 20 december 2024 heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Hierbij heeft het college een aanvullende motivering gegeven. Ook heeft het college, voor zover relevant, de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden:

“- de vergunninghouder dient een afscherming aan te brengen tussen de woonbestemmingen en het gewasperceel. De afscherming dient langs de gehele perceelsgrens aangebracht te worden. Bij deze afscherming hoeft geen rekening gehouden te worden met opwaarts en zijwaarts spuiten, omdat er sprake is van laagblijvende sierteelt;
- de overhoogte van de afscherming dient 0,5 m boven het aanliggende gewasperceel te zijn. Het teeltgewas zal in volgroeide staat een hoogte van circa 1,2 m hebben. De afscherming dient in volgroeide staat een hoogte van minimaal 2,0 m en maximaal 2,5 m te hebben;
- de afscherming moet een dichte knip/scheerhaag vormen, bestaand uit meidoorn van drie rijen dik met de maat 125/150 bij aanplant. De haag dient minimaal 150 cm breed te zijn;
- tussen de haag en het gewasperceel dient een dichtschermdoek geplaatst te worden. Nadat de haag op hoogte (lees 200 cm) en breedte (lees 150 cm) is, kan het schermdoek eventueel worden weggehaald. Deze tijdelijke voorziening hoeft niet over de gehele perceelsgrens te worden aangebracht, maar alleen op de twee plaatsen zoals is weergegeven op figuur 1. De hoogte van het scherm dient 1,7 m te bedragen. Er mag van deze bepaling worden afgeweken indien bij aanplant al wordt voldaan aan voorschrift 5, de haag een dichte knip/scheerhaag vormt en minimaal 150 cm breed is;
- de functieaanduiding wordt uitgebreid met “sierteelt”. De functie sierteelt behelst voor dit perceel laagblijvende sierteelt. Onder laagblijvend wordt verstaan teelt met een lengte tot ongeveer 120 cm. Concreet behelst het de teelt van Ilex verticillata voor de beshoudende siertakken;
- de vergunninghouder behandelt in het groeiseizoen dit gewas enkele malen ter bestrijding van schimmels, onkruid en insecten. Hierbij is uitsluitend sprake van neerwaarts spuiten. Bij de teelt van de beshoudende takken wordt terughoudend omgegaan met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en er wordt alleen gebruik gemaakt van de middelen zoals beschreven in de ‘Notitie inzake gebruik van gewasbeschermingspercelen op percelen van [persoon 1] nabij de [adres] te Voorst’.”


Wat is het advies van de STAB?

4. De rechtbank heeft in de heropeningsbeslissing van 23 oktober 2025 de STAB benoemd als deskundige voor het uitbrengen van advies. De rechtbank heeft de STAB gevraagd te adviseren over de volgende vraag:

“In het rapport van Adromi B.V. van 28 maart 2024 is geconcludeerd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd bij het hanteren van een kortere spuitvrije zone dan 50 meter tussen de teelt van ilex verticalata en gevoelige functies (wonen). Kan het rapport als een deugdelijk locatiespecifiek onderzoek worden gezien?”



4.1.
Op 2 april 2026 heeft de STAB advies uitgebracht. De conclusie van de STAB is dat het rapport van Adromi van 28 maart 2024 (Adromi-rapport) niet als een deugdelijk locatiespecifiek onderzoek kan worden gezien voor het hanteren van een kortere spuitvrije zone dan 50 m tussen de teelt van winterbes en gevoelige functies (wonen).


Motivering verkleining afstand



4.2.
In het Adromi-rapport wordt gesteld dat in lijn met de halvering van de wettelijke norm voor driftreducerende techniek, de afstand van 50 m kan worden gehalveerd naar 25 m.
Vervolgens is in het Adromi-rapport aangegeven dat de afstand nogmaals kan worden gehalveerd omdat winterbes met een vlakkeveldspuit en alleen naar beneden gericht wordt bespoten. De motivering van Adromi is dat de kritieke afstand van 50 meter is gebaseerd op opwaartse en zijwaartse bespuitingen in de boom- en fruitteelt waardoor het risico op drift groter is dan in het geval van naar beneden gerichte bespuitingen.



4.3.
Volgens de STAB is de halvering van 50 m naar 25 m alleen gebaseerd op de halvering van de wettelijke norm. Een wetenschappelijke onderbouwing voor de halvering van de afstand ontbreekt in het Adromi-rapport. De STAB constateert verder dat in het rapport wordt uitgegaan van een lineair verband tussen de afname van het driftpercentage en de vereiste afstand tot gevoelige functies. Volgens de STAB is er geen wetenschappelijke onderbouwing bekend die deze redenering aannemelijk maakt.



Driftbeperking door windhaag



4.4.
In het Adromi-rapport worden voor het toepassen van een haag om verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen te voorkomen verschillende wetenschappelijke rapporten aangehaald.



4.5.
Volgens de STAB is de onderbouwing van Adromi met verwijzing naar het PRI-rapport 2015 onvoldoende. Volgens de STAB kan met een haag worden voldaan aan de bepaling van artikel 3.78a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In dat besluit is echter geen afstand voorgeschreven tussen gevoelige functies en het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen, waarbij sprake is van een voldoende beschermd woon- en leefklimaat.


Locatiespecifieke kenmerken




4.6.
Volgens de STAB is beperkt ingegaan op de locatiespecifieke kenmerken en de specifieke teelt. De motivering voor de kortere afstand en de plaatsing van een windhaag is gebaseerd op meer algemene omstandigheden. In hoeverre deze van toepassing zijn op de teelt van winterbes aan de [adres] is nauwelijks gemotiveerd. Verder is volgens STAB de bedrijfssituatie zoals beschreven in de “Notitie [naam] ” niet betrokken in het Adromi-rapport.


Is het advies van de STAB deugdelijk tot stand gekomen?

5. Als de bestuursrechter twijfelt over de juistheid van de advisering die het bestuursorgaan aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, heeft hij de mogelijkheid om een deskundige te benoemen (artikel 8:47 van de Awb). De bestuursrechter mag in beginsel afgaan op de inhoud van het advies van de door hem benoemde deskundige. Dat is anders als dat advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen of andere gebreken bevat.



5.1.
De STAB heeft haar onderzoek gebaseerd op het procesdossier, de door de partijen aangereikte nadere documenten, gesprekken met partijen, nadere informatie in antwoord op vragen van de STAB gedurende het onderzoek, openbare bronnen en vakinhoudelijke kennis van STAB-adviseurs. De STAB heeft op 20 januari 2026 en 28 januari 2026 locatiebezoeken uitgevoerd. Tijdens de gesprekken hebben eiser, de derde-partij en het college hun standpunten nader toegelicht.


Reactie Adromi



5.2.
Volgens Adromi is het onduidelijk wat de STAB vindt van de reacties op de conceptversie van het rapport. Het is ook niet duidelijk of een bepaalde opmerking wel of niet tot aanpassing van het advies heeft geleid. Het is ook niet duidelijk in welke wetenschappelijke databanken de STAB gezocht heeft. Het advies van de STAB is daarom volgens Adromi onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende onderbouwd.



5.3.
Bij het definitieve advies van de STAB zit een appendix waarin de reacties van partijen op het conceptadvies staan. Ook de reactie van de STAB op de reacties en of, en zo ja hoe de reacties tot wijziging van het advies hebben geleid staan in de appendix. Dat in het advies niet vermeld staat van welke wetenschappelijke databanken de STAB gebruik heeft gemaakt, is voor de rechtbank geen reden om het advies als niet deugdelijk te beschouwen. In het advies staat dat de STAB gebruik heeft gemaakt van openbare bronnen. De onderzoeken waar Adromi in het rapport naar heeft verwezen, zijn bekend bij de STAB en daar heeft de STAB ook op gereageerd in het advies, zoals ook ter zitting nogmaals is besproken en bevestigd. De rechtbank is van oordeel dat het advies van de STAB deugdelijk tot stand is gekomen.


Is de STAB buiten de grenzen van de opdracht getreden?

6. Volgens de derde-partij is de STAB buiten de grenzen van de opdracht getreden door de omgevingsvergunning te beoordelen, in plaats van het locatiespecifieke onderzoek.



6.1.
In reactie op het conceptadvies heeft de derde-partij aangegeven dat zij een noord-zuid richting van plantenrijen toepast. De STAB heeft hierover in de appendix opgemerkt dat dat niet is vastgelegd in de omgevingsvergunning. Ook geeft de STAB aan dat dit geen aanleiding is om de tekst van het conceptadvies aan te passen. Dit is een reactie op dat wat de derde-partij zelf heeft aangegeven. De rechtbank ziet hierin niet dat de STAB buiten de grenzen van de opdracht is getreden.


Is het locatiespecifieke onderzoek van Adromi deugdelijk?

7. Eiser betoogt dat het locatiespecifieke onderzoek niet deugdelijk is. Uit het Adromi-rapport blijkt niet dat de sierteelt geen nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat vanwege de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Volgens eiser is het onderzoek gebaseerd op een onvolledige analyse van de omgevingsfactoren.



7.1.
Uit het advies van de STAB volgt dat het locatiespecifieke onderzoek niet deugdelijk is. De rechtbank bespreekt hierna de inhoudelijke reacties van Adromi en de derde-partij op het advies van de STAB. Eiser kan zich vinden in het advies van de STAB, zodat eisers reactie geen bespreking behoeft.


Halvering afstand van 50 meter naar 25 meter

8. Adromi meent dat bij een halvering van de emissie, door een aanscherping van een driftreductie van 50% naar 75% in het Activiteitenbesluit milieubeheer ten opzichte van dezelfde referentiesituatie, ook de immissie ten minste wordt gehalveerd. Dit is een juridische redenering. Adromi heeft desgevraagd na het locatiebezoek van de STAB deze redenering nader onderbouwd met een wetenschappelijke publicatie. Uit deze publicatie volgt dat sprake is van een meer dan lineaire afname van druppeldrift als extra driftreductie wordt toegepast. Dat ondersteunt volgens Adromi de juridische stellingname dat de afstand minstens kan worden gehalveerd door de strenger geworden driftreductie.



8.1.
De derde-partij geeft aan dat de STAB ten onrechte heeft geadviseerd dat een wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt. Dat is volgens de derde-partij een onjuiste maatstaf. De beoordeling van de STAB is te beperkt gebleven tot een literatuuronderzoek, terwijl een inhoudelijke vaktechnische waardering van de concrete locatiespecifieke omstandigheden volgens de derde-partij had moeten plaatsvinden. Verder meent de derde-partij dat uit het onderzoek waar Adromi naar heeft verwezen volgt dat extra driftreductie leidt tot een meer dan lineaire afname van de afstand.



8.2.
Uit het STAB-advies volgt dat de halvering van de afstand van 50 meter naar 25 meter is gebaseerd op de halvering van de wettelijke norm. Volgens de STAB ontbreekt een wetenschappelijke onderbouwing voor de verlaging van de afstand. In het Adromi-rapport is ook uitgegaan van een lineair verband tussen een afname van het driftpercentage en de afstand. Volgens de STAB is geen wetenschappelijke onderbouwing bekend die een lineair verband tussen een afname van het driftpercentage en de afstand aannemelijk maakt. Adromi’s verwijzing naar het hierboven genoemde onderzoek heeft bij de STAB geen nieuwe inzichten opgeleverd die tot andere conclusies leiden. Dat onderzoek laat zien dat drift vooral beïnvloed wordt door wind, waarbij een grovere druppel en toevoegingen de drift kunnen verminderen. In het rapport waar Adromi naar verwijst is een fijnere spuitnevel onderzocht dan bij de bespuitingen van winterbes. Volgens de STAB wordt drift beperkt door bespuitingen uit te voeren bij weinig wind en een grove druppel.



8.3.
De rechtbank oordeelt, onder verwijzing naar het advies van de STAB, dat de eerste halvering van 50 meter naar 25 meter niet houdbaar is op basis van de juridische redenering van Adromi. De aanscherping van de driftreductie van 50% naar 75% betekent niet dat de afstand gehalveerd kan worden. De motivering bevat ook geen locatiespecifieke onderbouwing. Alleen daarom al is het locatiespecifieke onderzoek ondeugdelijk. In de opmerking van de derde-partij ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het locatiespecifiek onderzoek wel deugdelijk is. Het Adromi-rapport gaat voor de halvering van 50 meter naar 25 meter namelijk uit van een juridische benadering en niet van een locatiespecifieke benadering. De rechtbank benadrukt verder dat het de opdracht van de STAB was om het Adromi-rapport beoordelen. De STAB heeft van de rechtbank niet de opdracht gekregen om zelf een locatiespecifiek onderzoek uit te voeren.



8.4.
In het kader van finale geschilbeslechting, gaat de rechtbank hierna in op de volgende punten uit het locatiespecifieke onderzoek van Adromi.


Halvering afstand van 25 meter naar 12,5 meter

9. Adromi geeft in het locatiespecifieke onderzoek aan dat de afstand nog eens gehalveerd kan worden, omdat sprake is van neerwaarts spuiten. De bedoelde afstand van 50 meter is gebaseerd op gewasbehandeling bij boomteelt en in boomgaarden. Bij dergelijke teelten wordt opwaarts en zijwaarts gespoten. Omdat de derde-partij alleen neerwaarts gaat spuiten, kan de afstand om die reden nogmaals gehalveerd worden tot 12,5 meter. In reactie op het advies van de STAB geeft Adromi aan dat de STAB ten onrechte ervan uitgaat dat er geen wetenschappelijke onderbouwing is waaruit volgt dat er minder drift plaatsvindt bij neerwaartse toepassing. In de “Nota gewasbescherming en ruimtelijke ordening” wordt uitsluitend ingegaan op op- en zijwaartse bespuitingen, omdat de neerwaartse bespuiting een niet relevante bijdrage aan driftblootstelling geeft. Ook uit andere publicaties volgt dat er bij neerwaartse toepassing een initiële, veel lagere drift(depositie) plaatsvindt dan bij de op- en zijwaartse toepassingen. Op korte afstand is er bij neerwaartse teelten sprake van aanzienlijk lagere driftblootstelling. Dit is procentueel meer dan de helft kleiner.



9.1.
Uit het STAB-advies volgt dat het op zich juist is dat de 50 meter grens gebaseerd is op de boom- en fruitteelt. Bij deze teelten wordt opwaarts en zijwaarts gespoten. Het risico op drift is groter dan bij bespuitingen met een vlakkeveldspuit waarbij alleen naar beneden wordt gespoten. Volgens de STAB is de constatering wel juist, maar deze onderbouwing rechtvaardigt wetenschappelijk gezien niet de halvering van de afstand. Een onderzoek daarnaar in de praktijk en de publicatie van de resultaten daarvan zijn nog niet uitgebracht.



9.2.
De rechtbank oordeelt, onder verwijzing naar het advies van de STAB, dat de tweede halvering van 25 meter naar 12,5 meter op deze wijze niet kan. Adromi heeft het locatiespecifieke onderzoek niet gebaseerd op de wetenschappelijke publicatie waar zij naar verwijst in de reactie op het definitieve advies van de STAB. Op de zitting heeft de STAB toegelicht dat dit onderzoek ook niet tot andere inzichten heeft geleid. Bovendien is de verdere halvering van de afstand niet gebaseerd op een locatiespecifiek onderzoek, maar op basis van een algemene redenering. Het is niet duidelijk waarom in dit locatiespecifieke geval een verdere halvering van de afstand in dit concrete geval volgens Adromi mogelijk is.


Driftreducerende windhaag

10. Uit het Adromi-rapport volgt dat een verdere verkleining van de afstand tot de perceelsgrens mogelijk is door een driftreducerende windhaag. Dit volgt zowel uit rechtspraak als uit wetenschappelijke onderzoeken. Volgens Adromi is van belang dat een windhaag erkend is als driftreducerende techniek.



10.1.
De STAB constateert in het advies dat Adromi verwijst naar het PRI-rapport 609 uit maart 2015. Over dat rapport heeft de STAB meermaals geadviseerd. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de onderbouwing van de driftreducerende werking van de haag met het PRI-rapport 2015 niet voldoende is.
De STAB geeft verder aan dat een windhaag is op genomen in de DTR-lijst. Met de aanwezigheid van een haag kan aan artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit worden voldaan. Volgens de STAB is in het Activiteitenbesluit of de DTR-lijst geen afstand voorgeschreven tussen gevoelige functies, zoals wonen, en het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen waarbij, al dan niet met toepassing van driftreducerende spuittechniek, sprake is van een voldoende beschermd woonklimaat. De STAB vindt daarom dat de motivering in het Adromi-rapport naar artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit geen afdoende onderbouwing is dat de aanwezigheid van een haag zoals die in de omgevingsvergunning is voorgeschreven de negatieve effecten voor de menselijke gezondheid voorkomt of beperkt.



10.2.
De rechtbank oordeelt dat het Adromi-rapport op dit punt niet deugdelijk is. Het is onvoldoende onderzocht of de driftreducerende windhaag bij de perceelsgrens in het locatiespecifieke geval zorgt voor voldoende bescherming zodat de negatieve effecten voor de gezondheid worden voorkomen of beperkt. Daarbij werkt natuurlijk ook door dat de eerste stap voor de halvering van de afstand al niet op deze wijze genomen kon worden. Onder verwijzing naar het advies van de STAB oordeelt de rechtbank dat een windhaag weliswaar een driftreducerende werking heeft en in de DTR-lijst is opgenomen, maar het is niet duidelijk op welke afstand van gevoelige functies een windhaag geplaatst kan worden om voldoende bescherming te bieden. Het plaatsen van een windhaag wil niet zeggen dat geen afstand meer hoeft worden aangehouden tot gevoelige functies. Dat hangt af van meerdere locatiespecifieke kenmerken en die onderbouwing ontbreekt.
11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het locatiespecifieke onderzoek van Adromi niet deugdelijk is. Dit betekent dat op basis van dit onderzoek het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat en een goede ruimtelijke ordening. De beroepsgrond van eiser slaagt.




Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond omdat uit het advies van de STAB volgt dat het locatiespecifiek onderzoek niet deugdelijk is. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing op bezwaar zal vernietigen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat opnieuw een belangenafweging door het college gemaakt moet worden. Dit kan leiden tot het opnieuw onderbouwen van de verleende vergunning of een nieuw besluit met inachtneming van het advies van de STAB, of tot het alsnog weigeren van de vergunning. De rechtbank draagt het college ook niet op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus) omdat aanvullend onderzoek nodig is en de rechtbank niet op voorhand kan inschatten of het college zal kiezen voor een nieuwe onderbouwende motivering of alsnog tot weigering van de aanvraag zal overgaan.


12.1.
De rechtbank merkt daarbij op dat deze zaak al lang loopt. Ondanks dat de rechtbank dit geschil niet verder definitief kan beslechten, is wel duidelijk dat het voor alle partijen van belang is dat deze zaak niet in een impasse belandt. De omgevingsvergunning is in 2021 verleend en de werking van de omgevingsvergunning is niet geschorst. Op de zitting is besproken of de rechtbank een voorlopige voorziening moet treffen. Eiser heeft daarop aangegeven dat het niet in zijn belang is om een voorlopige voorziening te treffen. Dit omdat het bestemmingsplan ook agrarische teelt toelaat tot aan de bestemmingsgrens. De rechtbank geeft het college mee dat het van belang is om oog te hebben voor de belangen van alle partijen. Dat geldt voor de belangen van eiser en alle andere omwonenden bij een goed woon- en leefklimaat, maar ook voor de belangen van de derde-partij. Hij heeft op zitting aangegeven groot belang te hebben bij definitieve duidelijkheid over zijn omgevingsvergunning en bereid te zijn in overleg te treden en afspraken te maken, als partijen daar onderling uit kunnen komen. Het college kan bijvoorbeeld voordat hij een nieuwe beslissing op bezwaar neemt in overleg gaan met partijen en omwonenden.



12.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De bijstand door een gemachtigde levert 3 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 1 punt voor het verschijnen op de zitting na heropening van het onderzoek). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.802,-, De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding voor het indienen van een zienswijze op het deskundigenadvies, omdat de reactie van de gemachtigde van eiser alleen een zeer beknopte instemming met het advies van de STAB betreft.




Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 20 december 2024;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser ter hoogte van
€ 2.802,-,




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zaaknummer ARN 22/1497, niet gepubliceerd.


Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).


Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1˚, van de Wabo en artikel 3.6.1. van het bestemmingsplan “Buitengebied”.


Zaaknummer ARN 22/1497, niet gepubliceerd.


Uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1382, r.o. 12.1.


Jomantas, T., Kemzūraitė, A., Steponavičius, D. et al. Management measures for the mitigation of spray drift of very fine droplets sprayed by a spraying robot. Sci Rep 15, 27741 (2025).


ECLI:NL:RVS:2024:1263.


Holterman, H.J., Ter Horst, M. & Adriaanse, P. (2025).


De STAB verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:855, 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1741 en 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3018.


Lijst met indeling van spuittechnieken in Driftreducerende Techniek-klassen.
Link naar deze uitspraak