|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:8365 | | | | | Datum uitspraak | : | 03-11-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 06-11-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | ARN 25/1048 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | afwijzing handhavingsverzoek; beroep; ongegrond; geen proceskostenvergoeding. | | Trefwoorden | : | omgevingsvergunning | | | perceel | | | vee | | | waterschap | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1048
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. drs. C.R. Jansen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe, het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een handhavingsverzoek. Eiser had het college verzocht handhavend op te treden in verband met een uitweg die zonder vergunning is aangelegd. Eiser is het niet eens met de afwijzing van het handhavingsverzoek. Hij voert daartoe één beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van het handhavingsverzoek door het college terecht was. Het college heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat ten tijde van het besluit op het handhavingsverzoek geen sprake (meer) was van een overtreding. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 22 april 2024 een handhavingsverzoek ingediend. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 januari 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde waren met kennisgeving afwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen een onrechtmatig aangelegde uitweg. De uitweg is ontstaan doordat op enig moment zand in een sloot is gestort, waarschijnlijk om een doorgang voor bouwwerkzaamheden te creëren. Hierdoor is, zonder vereiste vergunning, een uitweg van de openbare weg naar een perceel dat in eigendom is van de gemeente, ontstaan. Eiser is eigenaar van een perceel dat grenst aan de uitweg. Hij wil een groenstrook inplanten en heeft een onveilig gevoel omdat de uitweg gebruikt wordt en voertuigen voor zijn perceel langs racen.
3.1.
Het college heeft het verzoek afgewezen. Het college erkent dat voor de uitweg geen omgevingsvergunning was verleend en dat een dergelijke uitweg wel vergunningsplichtig is. Na toetsing door de verkeersdeskundige blijkt dat het niet mogelijk dan wel wenselijk is om deze vergunning te verstrekken. De verantwoordelijkheid om de sloot te herstellen en het zand daaruit te verwijderen, ligt bij het waterschap. Omdat dit herstel nog op zich liet wachten, heeft de gemeente ervoor gekozen om de uitweg provisorisch ongedaan te maken. Er is een greppel gegraven en een verhoging van zand aangelegd. Daarmee is er geen sprake meer van een uitweg. Daarom is er geen overtreding die handhavend optreden rechtvaardigt. In overeenstemming met het advies van de bezwaarschriftencommissie heeft het college de afwijzing van het handhavingsverzoek in bezwaar in stand gelaten.
Toetsingskader
4. Artikel 5:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat onder een overtreding een gedraging wordt verstaan die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Op grond van artikel 2:12 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Overbetuwe 2021 (APV) is het verboden om zonder (omgevings-)vergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken voor de weg. In artikel 1 van de Beleidsregel uitwegen gemeente Overbetuwe 2012 (de Beleidsregel) is voor de gemeente Overbetuwe bepaald dat onder ‘uitweg’ wordt verstaan: het hebben van zodanige voorzieningen op en nabij de grens tussen eigen terrein en de weg dat het mogelijk is van en naar de weg te gaan als fietser, bromfietser van een motorvoertuig, ruiter, geleider van rij- of trekdieren of vee dan wel als bestuurder van een bespannen of onbespannen wagen.
5. In beroep betoogt eiser dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij met de greppel de overtreding ongedaan heeft gemaakt en dat verder handhaven niet noodzakelijk is. De greppel is namelijk slechts een tijdelijke maatregel. Pas als de sloot hersteld is kan er van een uitweg geen sprake meer zijn. Eiser merkt daarbij op dat het feit dat de grond al sinds vele jaren in de sloot ligt, geen reden is om niet handhavend op te treden. Legalisatie van de uitweg is niet mogelijk, zodat ook dat geen reden is om niet handhavend op te treden. Eiser merkt op dat de greppel is gegraven op grond die in eigendom is van hem.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Voorop staat dat voor een verplichting tot handhaving een overtreding vereist is. De aanvankelijke overtreding bestond erin dat er een uitweg bestond zonder de vereiste vergunning. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat er bij het nemen van het besluit op het handhavingsverzoek geen sprake was van een overtreding, omdat er geen sprake meer was van een uitweg door het graven van de greppel en de zandophoging. Door die maatregelen was er namelijk geen sprake meer van voorzieningen waardoor het mogelijk is om van en naar de weg te gaan in de zin van artikel 1 van de Beleidsregel. Dit is ook vastgesteld in een overgelegd inspectierapport, waarin de inspecteur vermeldt dat de uitweg niet meer gebruikt kan worden. Eiser heeft dit niet weersproken. Eisers betoog dat de maatregelen ‘tijdelijk’ zijn betekent niet dat er toch nog steeds sprake was van een overtreding, omdat deze gestelde ‘tijdelijkheid’ niet maakt dat het na het treffen van de maatregelen (de greppel en de zandophoging) nog mogelijk was om van en naar de weg te gaan. Overigens merkt de rechtbank daarbij op dat het college ter zitting een foto heeft getoond die is gemaakt op 12 oktober 2026 waarop te zien is dat de greppel nog steeds aanwezig is. Eiser heeft geen informatie overgelegd waaruit anders blijkt. Omdat geen sprake is van een overtreding en dus geen verplichting tot handhavend optreden, ziet de rechtbank geen reden om het betoog van eiser te beoordelen voorzover dat ziet op genoemde uitzonderingen die kunnen gelden op de verplichting om te handhaven, zoals de lange duur van overtreding en legalisering. Ook het betoog van eiser dat de greppel is gegraven op grond die in zijn eigendom zou zijn, wat overigens niet wordt onderbouwd door de overgelegde kadastrale gegevens en (lucht)foto’s, behoeft om deze reden geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G. Noordhof, rechter, in aanwezigheid van Y.J.L. Murk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In de processtukken worden de woorden ‘uitrit’, ‘inrit’ en 'uitweg’ alle gebruikt. Deze betekenen voor het doel van deze procedure hetzelfde. In deze uitspraak wordt het woord ‘uitweg’ gebruikt, zoals in de Beleidsregel uitwegen gemeente Overbetuwe 2012.
In zijn beroepschrift verwijst eiser naar ABRvS 1 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1829, overweging 5.3. en ABRvS 14 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3282.
Verslagformulier inspectie, toezichthouder bouw en ruimtelijke ordening, van 21 augustus 2024. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|