|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2026:10024 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | ROE 25/1750 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Omzetting van een bedrijfswoning naar een plattelandswoning. Beroep gegrond, ten onrechte in bezwaar niet aan nieuwe bestemmingsplan getoetst. Weliswaar zelfs binnenplanse afwijkingsmogelijkheid, maar niet komen vast te staan dat sprake is van goede ruimtelijke ordening. Dus geen reden om rechtsgevolgen in stand te laten. Niet is voldaan aan de eisen die de Afdeling stelt aan (de volgorde van) het toetsen van de maximale planologische mogelijkheden voor de plattelandswoning omringende bedrijven. | | Trefwoorden | : | activiteitenbesluit | | | agrarisch | | | bedrijfswoning | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | eenden | | | geurhinder | | | gewassen | | | intensieve veehouderij | | | kennelijke fout | | | melkvee | | | melkveehouderij | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | pluimvee | | | rundvee | | | stallen | | | varkens | | | veehouderij | | | wabo | | | wet milieubeheer | | | | Uitspraak | RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/1750
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2026
in de zaak tussen
[eiser 1] , tevens h.o.d.n. [handelsnaam] , eiser,
[eiseres 1]
, eiseres,
[eiseres 2]
, eiseres,
[eiser 2]
, eiser,
[eiser 3]
, eiser, allen te [woonplaats] , hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. F.H. Damen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren, verweerder,
(gemachtigde: mr. D.H.A.S. Gidding).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghoudster], te [woonplaats] ,
(gemachtigde: mr. N.M. Buddingh-Ubink).
Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [vergunninghoudster] (hierna: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het omzetten van een bedrijfswoning op het adres [adres 1] te [woonplaats] naar een plattelandswoning.
Bij besluit van 21 mei 2025 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar dat eisers tegen het primaire besluit hebben gemaakt, ongegrond verklaard en het primaire besluit onder aanvulling van de motivering in stand gelaten. Daarbij is vermeld dat een mogelijk toekomstige Bed and Breakfast geen onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Vergunninghoudster heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Eisers hebben een reactie gegeven op het verweerschrift en de schriftelijke uiteenzetting.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2026.
[eiser 1] , [eiseres 1] , [eiser 2] en [eiser 3] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. [eiseres 2] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [eiser 2] en [eiser 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld door haar partner, [naam] .
Overwegingen
Toepasselijk recht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden en is onder andere de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) en het Actviteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Abm) ingetrokken. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt. Het verzoek om een besluit te nemen is op 5 juli 2023 ingediend. Dit betekent dat in dit geval de Wabo, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo, en onder meer het Bor en het Abm, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.
Feiten
2. Vergunninghoudster bewoont de bedrijfswoning, [adres 1] in [woonplaats] , behorend bij de intensieve veehouderij, [adres 2] , waar door [eiser 1] pluimvee wordt gehouden (met rundvee). Vergunninghoudster heeft geen relatie met het bedrijf van [eiser 1] op de locatie [adres 2] . Ten noorden van de woning ligt op de locatie [adres 3] de melkveehouderij van [eiseres 2] . Tegenover de woning [adres 1] is op de locatie [adres 4] een akkerbouwbedrijf, rundveehouderij en een bierbrouwerij gevestigd. Die zijn geen partij in deze procedure. Op 5 juli 2023 heeft vergunninghoudster bij verweerder een aanvraag ingediend voor het omzetten van de woning naar plattelandswoning. Ten behoeve van de aanvraag is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld door [naam bv] (hierna: [naam bv] ) d.d. 12 juni 2024, waarin op de relevante milieuaspecten is ingegaan.
3. Ten tijde van de aanvraag gold ter plaatse onder meer het Bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Echt-Susteren (hierna: het bestemmingsplan Buitengebied). Het plangebied heeft daarin de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden. Tevens geldt de aanduiding ‘bouwvlak’, ‘intensieve veehouderij’ en de maatvoering aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 2’. Genoemd bestemmingsplan laat bewoning van een agrarische bedrijfswoning door een derde niet toe. Tevens gold het Facetbestemmingsplan ‘Deregulering’ (hierna: het Facetbestemmingsplan). Ingevolge artikel 12 van het Facetbestemmingsplan zijn Burgemeester en wethouders bevoegd ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'zone buitengebied' bij omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein.
4. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in verbinding met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo in verbinding met artikel 12 van het Facetbestemmingsplan verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan Buitengebied gebruiken van de woning en aansluitend terrein op het perceel [adres 1] te [woonplaats] . Volgens verweerder is uit de opgestelde ruimtelijke onderbouwing, inclusief de daarbij behorende onderzoeken, gebleken dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en is bij de woning sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zodat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft tevens een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo verleend voor het verbouwen van de woning.
5. Het bezwaar dat eisers tegen het primaire besluit hebben gemaakt, heeft verweerder voor advies voorgelegd aan de Adviescommissie bezwaarschriften (de commissie). Bij het bestreden besluit heeft verweerder overeenkomstig het advies van de commissie besloten de bezwaren ongegrond te verklaren en het primaire besluit onder aanvulling van de motivering in stand te laten. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
6. Voor de relevante wettelijke bepalingen verwijst de rechtbank naar de bij deze uitspraak gevoegde bijlage die onderdeel van de uitspraak uitmaakt.
Onjuiste tenaamstelling vergunning
7. In beroep is aangevoerd dat de vergunning ten onrechte aan [naam] is geadresseerd. De heer [naam] is namelijk geen eigenaar van de woning en hij heeft de vergunning voor de woning niet aangevraagd. [vergunninghoudster] is eigenaar van de woning en zij heeft de vergunning aangevraagd, aldus eisers.
8. Verweerder heeft zich in de beslissing op bezwaar naar aanleiding van deze beroepsgrond die ook in bezwaar was aangevoerd, op het standpunt gesteld dat in het primaire besluit sprake is geweest van een kennelijke fout die niet van invloed is op de geldigheid van het besluit. De omgevingsvergunning is abusievelijk aan [naam] verleend. Dat is de partner van [vergunninghoudster] . Zij wonen samen op het adres [adres 1] . [naam bv] heeft de omgevingsvergunning namens [vergunninghoudster] aangevraagd. De beslissing op bezwaar wel is aan [naam bv] in diens hoedanigheid van gemachtigde van [vergunninghoudster] toegezonden, aldus verweerder.
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder door de toezending van het bestreden besluit, waarbij de verleende omgevingsvergunning in stand is gelaten, aan de gemachtigde van de derde-partij, de gemaakte fout heeft hersteld. Daardoor is de omgevingsvergunning alsnog op naam van de derde-partij gesteld en de onjuiste tenaamstelling gerepareerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Wat is de vergunde bouwactiviteit en wat is getoetst?
10. Ten aanzien van de vergunde bouwactiviteit hebben eisers onder meer aangevoerd dat in de vergunning niet duidelijk staat wat de vergunde bouwactiviteit is zodat de daarvoor relevante toetsen ook niet kenbaar zijn uitgevoerd. De bouw-omgevingsvergunning is volgens eisers in strijd met het Bouwbesluit 2012 verleend omdat er geen toilet en badruimte op de bouwtekening zijn ingetekend. Omdat de omvang van de woning onduidelijk is, vrezen eisers dat de hele bestaande bebouwing alsnog als (plattelands)woning gebruikt of eventueel vergund zal worden. Nu onduidelijk is wat de omvang van de plattelandswoning is, kan ook niet worden beoordeeld of de uitgebrachte milieurapporten juist zijn, aldus eisers.
11. Verweerder heeft in navolging van de commissie gewezen op de bijlagen bij de omgevingsvergunning die daarvan onderdeel uitmaken. De bouwtekeningen, waarop staat wat is vergund, zijn bij de omgevingsvergunning gevoegd. Daaruit blijkt dat de aanbouw (de loods) geen onderdeel uitmaakt van de vergunde plattelandswoning. Dat er geen toilet en badruimte zijn ingetekend, is volgens verweerder niet van belang. Een woning moet op grond van het Bouwbesluit 2012 weliswaar daarover beschikken maar er is geen verplichting om deze voorzieningen op de bouwtekening weer te geven. De toets ziet op gebruik van de woning in strijd met de planregels en op enkele bouwkundige aanpassingen aan het dak. Tijdens de bezwaarfase is een nieuwe tekening aangeleverd waarop de badkamer en het toilet alsnog op de verdiepingsvloer zijn ingetekend. Hierdoor is duidelijk dat de woning aan de eisen van het Bouwbesluit 2012 voldoet. De badkamer en het toilet die zich eerder op de begane grond bevonden, vallen buiten de omgevingsvergunning en zijn inmiddels verwijderd. De vrees voor strijdig gebruik is volgens verweerder ongegrond omdat duidelijk wat is vergund en tegen gebruik in afwijking van de omgevingsvergunning handhavend kan worden opgetreden.
12. De rechtbank is van oordeel dat uit de bouwtekening die bij de omgevingsvergunning is gevoegd duidelijk blijkt wat de omvang van de vergunde plattelandswoning is. De omvang van de woning is met een roze stippellijn begrensd. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat het gebruik van voorzieningen buiten de op de tekening aangeduide plattelandswoning voor bewoning niet is toegestaan. Dat geldt ook voor gebruik van voorzieningen binnen de woning in strijd met de verleende omgevingsvergunning. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning betrekking heeft op het vervangen van het zadeldak op het linkerdeel van het pand door een plat dak, de realisatie van een dakkapel in het linker zijdakvlak en op bouwen/gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Het realiseren van een toilet en badkamer vallen niet onder bouwvergunningplichtige activiteiten en het was daarom niet nodig die voorzieningen op de bouwtekening(en) te vermelden. Het maakt op zich ook niet uit waar in de woning het toilet en badruimte in de woning worden gerealiseerd. In de bezwaarfase zijn genoemde voorzieningen alsnog op de tekening gezet zodat duidelijk is dat die in de woning aanwezig zijn. Voor het oordeel dat de omgevingsvergunning in strijd met het Bouwbesluit 2012 is verleend, bestaat geen grond. Deze beroepsgronden slagen niet.
Ex nunc of ex tunc?
13. Ten aanzien van de omgevingsvergunning voor strijdig gebruik voeren eisers in de eerste plaats aan dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte geen ex nunc toets heeft uitgevoerd. Verweerder had bij het bestreden besluit alsnog aan het ‘Initieel Omgevingsplan Echt-Susteren’ (hierna: het IOP) moeten toetsen dat op 11 december 2024 op grond van de Wet ruimtelijke ordening is vastgesteld en daarna in werking is getreden.
14. Verweerder heeft in het verweerschrift bevestigd dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit inmiddels het IOP in werking was getreden dat onder meer het bestemmingsplan Buitengebied en het Facetbestemmingsplan verving. Volgens verweerder is een uitzondering op de regel dat in bezwaar ex nunc moet worden getoetst, op zijn plaats omdat de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag ongewijzigd blijft. Het gaat erom of een plattelandswoning in strijd met het bestemmingsplan kan worden vergund en of in dat kader sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Verweerder wijst daarbij op de ruimtelijke onderbouwing en de milieuonderzoeken die integraal onderdeel uitmaken van de vergunning. Die heeft verweerder beoordeeld en geaccordeerd. Volgens verweerder blijft de beoordeling hetzelfde als gebruik was gemaakt van de mogelijkheid om buitenplans af te wijken. In het verweerschrift is vermeld dat er ex nunc geen binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid bestaat en de kruimelvrijstelling niet kan worden toegepast. Door de uitgebreide procedure te doorlopen zou volgens verweerder in dit geval de rechtszekerheid in het gedrang komen. Bij de behandeling van het beroep op zitting heeft de gemachtigde van verweerder gewezen op artikel 69.3 van het IOP waarin dezelfde binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is neergelegd als in artikel 12 van het Facetbestemmingsplan.
15. De rechtbank stelt vast dat het IOP op 11 december 2024 en dus na het primaire besluit van 5 juli 2024 maar vóór het nemen van het bestreden besluit op 21 mei 2025 is vastgesteld en inwerking is getreden.
16. Op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rust op een bestuursorgaan de plicht om zijn eerdere besluit op de grondslag van het daartegen gemaakte bezwaar te heroverwegen. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, moet het bestuursorgaan dat eerdere besluit herroepen en voor zover nodig daarvoor in de plaats een nieuw besluit nemen. Hierbij is het vertrekpunt dat het bestuursorgaan zijn eerdere besluit heroverweegt op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de heroverweging en op basis van het op dat moment geldende recht en beleid. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden van ná het eerdere besluit die van belang zijn voor toepassing van de desbetreffende norm. Wat betreft het geldende recht of beleid, betekent dit dat het bestuursorgaan zich bij een wijziging van dat recht of beleid ten tijde van de heroverweging rekenschap moet geven van eventueel overgangsrecht of een in het beleid opgenomen overgangsregel. Dat het tijdsverloop tussen het eerdere besluit en het besluit op bezwaar aanzienlijk is, staat in beginsel niet in de weg aan het meenemen van nieuwe ontwikkelingen.
17. De rechtbank is van oordeel dat zich in dit geval géén van de in de jurisprudentie aanvaarde uitzonderingen op de regel dat in bezwaar ex nunc dient te worden getoetst, voordoet. Het bestreden besluit komt wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Er is een onjuiste bevoegdheidsgrondslag gebruikt en verweerder heeft de aanvraag ten onrechte niet aan de bouw- en gebruiksregels van het IOP getoetst. Verweerder heeft ook niet onderbouwd dat het toetsingskader, de bouw- en gebruiksregels van het IOP ongewijzigd zijn ten opzichte van die van het bestemmingsplan Buitengebied.
18. De rechtbank ziet in wat verweerder in het verweerschrift heeft aangevoerd wel aanleiding om te beoordelen of gebruik dient te worden gemaakt van de in artikel 8:72, derde lid, van de Awb aan de rechter toegekende bevoegdheid tot het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het IOP, dat consoliderend van aard is, in artikel 69.3 dezelfde grondslag biedt als in artikel 12 van het Facetbestemmingsplan was opgenomen, namelijk om bij omgevingsvergunning (binnenplans) af te wijken van het bestemmingsplan voor daarmee strijdig gebruik. Overigens is daarin ook in artikel 3.9.4 een wijzigingsbevoegdheid met dezelfde inhoud opgenomen, zoals voorheen in artikel 4.9.5 van het voorheen geldende bestemmingsplan Buitengebied. De rechtbank kan om redenen van proceseconomie van artikel 8:72, derde lid, van de Awb gebruik maken in gevallen waarin het bestuursorgaan vasthoudt aan het besluit, het gebrek herstelt en de andere partijen zich daarover in voldoende mate hebben kunnen uitlaten. Beslissend is of de inhoud van het vernietigde besluit na het herstellen van het gebrek de rechterlijke toets kan doorstaan. Indien vaststaat dat de materiële uitkomst van een nieuw besluitvormingstraject niet tot een andere uitkomst leidt dan neergelegd in het vernietigde besluit, bestaat aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid tot het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.
19. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank hierna aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden beoordelen of vaststaat dat de materiële uitkomst hetzelfde zou zijn indien verweerder bij het bestreden besluit de aanvraag had getoetst aan de planregels van het IOP en artikel 69.3 van het IOP als grondslag voor het verlenen van de omgevingsvergunning had gebruikt.
Voorwaarde voor binnenplanse afwijking
20. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat niet duidelijk is of aan de voorwaarde voor binnenplanse afwijking wordt voldaan dat de bebouwde oppervlakte en het bouwvolume door de bouwactiviteiten niet worden vergroot. Zoals ook volgt uit hetgeen hiervoor onder 12 is overwogen, wordt de bebouwde oppervlakte niet vergroot en neemt het bouwvolume af als gevolg van de aangevraagde en vergunde bouwactiviteiten. In zoverre is aan de voorwaarden voor het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 69.3 van het IOP voldaan en is er geen aanleiding de rechtsgevolgen niet in stand te laten.
Goede ruimtelijke ordening, wijzigingsbevoegdheid, leefklimaat in de tuin
21. Eisers hebben onder meer aangevoerd dat de omgevingsvergunning niet mocht worden verleend omdat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening doordat niet wordt voldaan aan de voorwaarden die door de gemeenteraad zijn gesteld bij een wijziging van de bestemming ten behoeve van een plattelandswoning als bedoeld in artikel 3.9.4 van het IOP. Op grond van dat artikel is verweerder bevoegd de bestemming ‘agrarisch’ te wijzigen in de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch-plattelandswoning’ mits wordt voldaan aan de daaraan onder a tot en met g gestelde voorwaarden. Eisers betogen dat aan die voorwaarden ten onrechte wordt voorbijgegaan omdat daarin het oordeel van de gemeenteraad is vervat wanneer sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Aan die voorwaarden voor een goede ruimtelijke ordening kan kennelijk niet worden voldaan, aldus eisers. In ieder geval geldt dat volgens eisers voor de voorwaarden e (geen onevenredige aantasting gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden), f (geen onevenredige aantasting van belangen van onder meer agrarische bedrijven van derden, waarbij in elk geval een afstand van 50 dient te worden aangehouden tussen de plattelandswoning inclusief tuin en het meest nabijgelegen emissiepunt van een dierenverblijf van derden) en g (verbetering omgevingskwaliteit zoals bedoeld in artikel 74, lid 2.3). In dit verband wijzen eisers er expliciet op dat in het kader van de wijzigingsbevoegdheid ook het leefklimaat in de tuin moet worden beoordeeld. Verweerder heeft dat ten onrechte nagelaten, aldus eisers. De tuin ligt op 6 meter van de stallen op [adres 3] en daarmee wordt (ruim) niet voldaan aan de hiervoor genoemde afstandseis. Ten slotte wijzen eisers erop dat verweerder op
13 mei 2014 schriftelijk heeft bevestigd dat toepassing van de Wet plattelandswoning in dit geval geen soelaas kan bieden vanwege het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde plattelandswoning en bijbehorende tuin.
22. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de ruimtelijke onderbouwing en de daarbij behorende milieuonderzoeken is onderbouwd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De in artikel 3.9.4 van het IOP gestelde voorwaarden kunnen volgens verweerder geen rol spelen omdat de bestemming niet wordt gewijzigd, maar binnenplans wordt afgeweken ten behoeve van met het bestemmingsplan strijdig gebruik. Daarvoor geldt alleen de eis van een goede ruimtelijke ordening. Het deel van de tuin gelegen achter de woning maakt geen deel uit van de aanvraag en de vergunning. In het verweerschrift wordt ter zake vermeld “dat de tuin niet kan worden gebruikt ten behoeve van het plattelandswonen en derhalve niet relevant is voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat in het kader van deze vergunning”. Ten aanzien van de door eisers genoemde brief wijst verweerder erop dat die betrekking had op de beoordeling van een principeverzoek. Daaruit kan niet worden afgeleid op welk plan dat verzoek zag. Inmiddels ligt er een concrete aanvraag die op eigen merites moet worden beoordeeld, aldus verweerder.
23. Bij de behandeling van het beroep ter zitting heeft verweerders gemachtigde desgevraagd bevestigd dat alleen het deel van de tuin achter de plattelandswoning geen onderdeel uitmaakt van de aanvraag en de omgevingsvergunning. Wat is vergund blijkt uit de luchtfoto/tekening bij de vergunning, B00.1, M218180. Daarop is de plattelandswoning rood gearceerd en is de daarbij behorende, vergunde, tuin met erf rood omkaderd. De gemachtigde heeft verder bevestigd dat alleen een beoordeling van het woonklimaat in de woning heeft plaatsgevonden en het leefklimaat in de tuin niet is beoordeeld. De reden daarvan is dat voor het voldoen aan de afstandseisen uit de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) de buitenkant van de plattelandswoning relevant is. Voor het woon- en leefklimaat is de tuin volgens verweerder niet van belang omdat daarvan slechts een beperkt gebruik wordt gemaakt. Het is uitsluitend een buitenruimte die deels als erf en opstelplaats voor de auto wordt gebruikt. Gezien de inrichting en het feitelijk gebruik is ook geen sprake van een echte tuin, aldus verweerders gemachtigde.
24. De rechtbank is van oordeel dat eisers terecht hebben aangevoerd dat verweerder in het kader van een beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening het leefklimaat in het bij de plattelandswoning als erf/tuin vergunde aansluitend terrein had moeten beoordelen. Dat de tuin anders is ingericht of niet als tuin wordt gebruikt, is, daargelaten of dit inderdaad zo is, niet relevant omdat bestaand gebruik op elk moment kan worden gewijzigd.
25. Ten aanzien van het door eisers gestelde niet voldoen aan de voorwaarden voor een bestemmingswijziging op grond van artikel 3.9.4 van het IOP is de rechtbank met verweerder van oordeel dat deze voorwaarden niet rechtstreeks van toepassing zijn. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik ten behoeve van een plattelandswoning wijzigt de onderliggende bestemming niet. In die zin gaat het verlenen van een omgevingsvergunning minder ver. De rechtbank volgt echter eisers wel in hun betoog dat de criteria van artikel 3.9.4 van het IOP het standpunt van de gemeenteraad weergeven wanneer het omzetten van een voormalige bedrijfswoning naar plattelandswoning voldoet aan de eis van een goede ruimtelijke ordening. Bij een binnenplanse afwijking van het bestemmingsplan geldt de eis dat de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In die zin kleuren deze criteria de motiveringsverplichting van verweerder in. Nu eisers deze grond ook al in bezwaar hebben aangevoerd, had verweerder die criteria alsnog kenbaar bij het nemen van het bestreden besluit moeten betrekken. Deze beroepsgronden slagen en daaruit volgt reeds dat voor het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geen aanleiding bestaat. De rechtbank zal de overige beroepsgronden die betrekking hebben op de strijd met een goede ruimtelijke ordening omdat de planologische uitbreidingsmogelijkheden van de bedrijven, gevestigd op [adres 3] , [adres 2] en [adres 4] en de gevolgen die dat kan hebben voor het woon- en leefklimaat bij de plattelandswoning volgens eisers onjuist zijn beoordeeld, hierna bespreken voor zover dat eveneens aanleiding geeft de rechtsgevolgen niet in stand te laten.
Invulling planologische mogelijkheden
26. Eisers hebben in dit verband verder onder meer aangevoerd dat voor de beoordeling of bij de plattelandswoning sprake is van een goed woon- en leefklimaat moet worden onderzocht wat een representatieve invulling is van de maximale planologische mogelijkheden voor de omliggende bedrijven. Voor de agrarische bedrijven [adres 3] en [adres 4] is dat volgens eisers niet gebeurd. Zij betogen dat dat voor [adres 2] onvolledig en dus onjuist is gedaan. Ten aanzien van de beoordeling door [naam bv] voeren eisers aan dat [naam bv] drie situaties heeft beoordeeld: de bestaande vergunde (1), het verlengen van de bestaande stallen (2) en het omschakelen naar ‘1 ster Beter Leven systeem’ met slopen van een bestaande stal en realiseren van een nieuwe stal (3). Eisers wijzen erop dat bij deze opties nog heel veel uitbreidingsruimte overblijft. Op het perceel [adres 2] resteert achter de bestaande stallen nog een ruimte van circa 7.600 m². In de door [naam bv] beoordeelde situatie 2 resteert daarna nog circa 3.190 m² ongebruikte ruimte op het perceel. De vergunningaanvraag van [adres 2] die ziet op een omschakeling naar het Beter Leven 1 sterkeurmerk (BLK) is geen representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden, aldus eisers. Eisers hebben in bezwaar (en in beroep) een rapport van ForFarmers overgelegd waarin van een andere maximale invulling wordt uitgegaan waarbij de geurbelasting kan oplopen tot 88,1 ouE/m³. Volgens eisers heeft verweerder verzuimd om eerst de maximale planologische mogelijkheden te beschrijven. Daarbij moeten ook wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden worden betrokken. Daarna kan worden bepaald wat als een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden kan worden beschouwd. Ten aanzien van [adres 3] voeren eisers aan dat er binnen het bestaande bouwvlak ook ruime uitbreidingsmogelijkheden zijn mits sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Er resteert op dat perceel een ruimte van circa 10.348 m². Ten aanzien van [adres 4] geldt hetzelfde volgens eisers. Er resteert daar binnen het bouwvlak een oppervlakte van circa 6.259 m² en ook daar kunnen onder andere nieuwe stallen worden gerealiseerd. Ten slotte betogen eisers onder meer dat een cumulatieve beoordeling van de milieugevolgen qua geur, geluid bij een representatie invulling van de maximale planologische mogelijkheden van de omliggende bedrijven voor het woon- en leefklimaat bij de plattelandswoning ten onrechte niet heeft plaatsgevonden. Ook is volgens eisers niet gewaarborgd dat het bedrijf [adres 2] niet in zijn uitbreidingsmogelijkheden wordt beperkt omdat bij een uitbreiding bij de woning [adres 1] altijd moet worden voldaan aan de luchtkwaliteitseisen.
27. Verweerder erkent dat [adres 2] aan de oostzijde nog ruime uitbreidingsmogelijkheden (circa 7.600 m²) heeft. Volgens verweerder is op 5 december 2025 een omgevingsvergunning verleend waarbij de bestaande 3 stallen zijn vervangen door 2 (1 Beter Leven Keurmerk (BLK) en 1 rundveestal) stallen. Dat is volgens verweerder een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden en die uitbreiding gaat qua milieugevolgen minder ver dan de door [naam bv] onderzochte opties. Verweerder acht de beide door [naam bv] beschreven uitbreidingsmogelijkheden een representatieve invulling. Voor [adres 3] en [adres 4] erkent verweerder dat de uitbreidingsmogelijkheden niet in beeld zijn gebracht. Dat was ook niet nodig omdat de bedrijven [adres 3] en [adres 4] altijd al rekening moesten houden met de agrarische (bedrijfs)woning van derden aan de [adres 1] als geluid- en geurgevoelig object. De statuswijziging brengt daar geen verandering in en daardoor kan geen sprake zijn van een beperking van uitbreidingsmogelijkheden. Verder wijst verweerder op de ter plaatse van deze bedrijven thans geldende bestemming en planregels waardoor de mogelijkheid van het houden van landbouwdieren in stallen wordt beperkt.
28. Zoals de rechtbank hiervoor onder 15 en 16 heeft overwogen heeft verweerder in strijd met artikel 7:11 van de Awb bij het bestreden besluit niet getoetst aan het inmiddels in werking getreden IOP. Dat is ook niet alsnog gebeurd. Zoals de Afdeling in de zaak Taurushoeve heeft overwogen, begint de vraag wat een representatieve invulling is van de maximale planologische mogelijkheden van de agrarische bedrijfsvoering van in dit geval de omliggende bedrijven [adres 3] , [adres 2] en [adres 4] met een beschrijving van wat het bestemmingsplan, in dit geval het IOP, ter plaatse maximaal mogelijk maakt. Vervolgens moet worden onderbouwd wat als een “representatieve invulling” daarvan kan worden beschouwd. Deze stappen zijn niet te herleiden uit de aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoeken van [naam bv] . Dat geldt met name voor de intensieve veehouderij gelegen aan de [adres 2] . De maximale bouw- en gebruiksmogelijkheden op grond van het IOP zijn voor [adres 2] niet beschreven. [naam bv] heeft wel twee door haar bedachte opties onderzocht. Nu de maximale planologische mogelijkheden van het IOP niet zijn beschreven, kan de rechtbank die opties niet beoordelen (in het licht van wat eisers daartegen aanvoeren) en vervolgens ook niet of de onderzochte opties een representatieve invulling daarvan zijn.
Uitbreidingsmogelijkheden [adres 3] en [adres 4]
29. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich wel terecht op het standpunt stelt dat de statuswijziging naar plattelandswoning op zich niet van invloed is op de uitbreidingsmogelijkheden van de percelen aan de [adres 3] en [adres 4] , omdat het beschermingsniveau van de woning daardoor niet verandert. Dat neemt naar het oordeel van de rechtbank echter niet weg dat ook bij deze percelen had moeten worden onderzocht wat een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden is en wat de gevolgen daarvan zouden zijn voor het woon- en leefklimaat bij de woning. Dat heeft [naam bv] niet onderzocht en dus ook niet of bij die invulling nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning.
30. Zoals de rechtbank hiervoor onder 28 heeft overwogen betekent de omstandigheid dat de bedrijven aan [adres 3] en [adres 4] niet in hun bedrijfsmogelijkheden worden beperkt, niet automatisch dat ter plaatse van de plattelandswoning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Weliswaar geldt dat indien door een individueel bedrijf aan de voor dat bedrijf geldende milieunormen wordt voldaan, in beginsel sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij een in de nabijheid daarvan gelegen woning maar in het ruimtelijke spoor is soms een bredere beoordeling aan de orde dan in het milieuspoor. Dat is hier het geval. Zoals onder 23 is overwogen dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook het leefklimaat in de tuin te worden beoordeeld terwijl de tuin voor geur en geluid op grond van de milieuwetgeving geen gevoelig object is. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestaat in het kader van de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening geen ruimte voor een aanvullende beoordeling van de luchtkwaliteit ten opzichte van de normen van de Wet milieubeheer. In het ruimtelijk spoor dient in dit geval echter ook beoordeeld te worden of bij een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden van de omliggende bedrijven [adres 3] , [adres 2] en [adres 4] cumulatieve milieugevolgen (kunnen) optreden en zo ja, of dan nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dat geldt ook voor de gevolgen van ontwikkelmogelijkheden van de omliggende bedrijven voor de luchtkwaliteit bij de plattelandswoning. [naam bv] heeft weliswaar de gevolgen van de representatief geachte opties voor [adres 2] qua geur, geluid en luchtkwaliteit onderzocht maar voor geluid en luchtkwaliteit niet onderzocht wat de gevolgen van een cumulatieve representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden bij de agrarische bedrijven [adres 3] , [adres 2] en [adres 4] kunnen zijn voor het woon- en leefklimaat bij de woning [adres 1] .
Conclusie
31. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op grond van voorgaande overwegingen ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Aan een beoordeling van wat eisers overigens hebben aangevoerd, komt de rechtbank niet toe. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals eisers hebben gevorderd, zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zoals bijvoorbeeld in haar uitspraak van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1752, overweging 5.1, staat voorop dat de rechter bij de beslissing tot het zelf in de zaak voorzien de overtuiging moet hebben dat de uitkomst van het geschil in het geval het bestuursorgaan opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zou zijn. In dit geval heeft de rechtbank die overtuiging niet. Verweerder zal daarom een nieuw besluit op de bezwaren van eisers moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
32. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
33. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1). Voor het toepassen van een hogere wegingsfactor vanwege de door eisers vermeende zwaarte van de zaak bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming
van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 385,00 aan eisers te
vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van
€ 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.A. Timmers, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 23 september 2026.
De griffier is verhinderd om te ondertekenen rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 23 september 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bijlage bij de uitspraak ROE 25/1750.
Bestemmingsplan Buitengebied
Ingevolge artikel 4.1 van het bestemmingsplan Buitengebied zijn de voor ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ aangewezen gronden bestemd voor (onder meer) een bedrijfswoning, met dien verstande dat het aantal bedrijfswoningen per bouwvlak niet meer mag bedragen dan 1, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is geen bedrijfswoning toegestaan (aanhef en onder h).
In artikel 1.17 van het bestemmingsplan Buitengebied is bepaald dat onder bedrijfswoning wordt verstaan: één woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor het huishouden van een persoon, wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op het feitelijk gebruik van het gebouw en/of terrein in overeenstemming met de bestemming”.
Op grond van artikel 32.1 (Gebruiksverbod) van het bestemmingsplan Buitengebied is het verboden de gronden en bouwwerken in dit plan te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemming(en).
Initieel Omgevingsplan Echt-Susteren (IOP)
Ingevolge artikel 1.16 van het IOP wordt onder ‘agrarisch bedrijf’verstaan:
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van:
het telen van gewassen, waaronder mede begrepen houtteelt en/of;
het houden van dieren;
Ingevolge artikel 1.94 van het IOP wordt onder ‘grondgebonden agrarisch bedrijf’ verstaan:
een agrarisch bedrijf waarbij voor de bedrijfsvoering hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van open grond.
Art. 1.95 ‘grondgebonden veehouderij’:
het bedrijfsmatig houden van dieren waarbij voor de bedrijfsvoering hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van open grond. Waar in dit bestemmingsplan wordt gesproken over grondgebonden veehouderij wordt in principe gedoeld op het hebben van een bedrijfsmatige tak van melkvee, schapenhouderij, paardenhouderij (voorzover deze paardenhouderij niet gebruiksgericht is);
Art. 1.114 ‘intensieve veehouderij’:
het bedrijfsmatig houden van dieren zonder dat het bedrijf hoeft te beschikken over grond bestemd voor de voerproductie van deze dieren. De dieren worden in stallen of hokken gehouden. Waar in dit bestemmingsplan wordt gesproken over intensieve veehouderij wordt in principe gedoeld op het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen of parelhoenders (waarvoor een omgevingsvergunning is verleend). De melkveehouderij wordt niet als intensieve veehouderij beschouwd.
Art. 3.1 (Bestemmingsomschrijving Agrarisch):
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. agrarisch grondgebruik;
…
d. de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven’, waaronder grondgebonden veehouderijen, met dien verstande dat dierhuisvesting niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - dierhuisvesting';
e. landschapswaarden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - landschapswaarden';
….
m. intensieve veehouderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen 'intensieve veehouderij' en 'reconstructiewetzone - zonering intensieve veehouderij', met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' de oppervlakte van de intensieve veehouderij niet meer mag bedragen dan de bestaande oppervlakte;
3.2
Bouwregels
Art. 3.2.1 (Toegestane bouwwerken binnen bouwvlakken):
Op de gronden als bedoeld in artikel 3 lid 1 mogen de onderstaande bouwwerken uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd:
de bij één agrarisch bedrijf behorende bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat uitsluitend de bestaande veestallen zijn toegestaan;
…
In artikel 3.9.4 (Plattelandswoning) is het volgende bepaald:
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen in die zin dat ter plaatse van een agrarische bedrijfswoning inclusief de bijbehorende tuin de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning' wordt opgenomen, onder de voorwaarden dat:
a. de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - zonering intensieve veehouderij';
b. sprake is van een bestaande agrarische bedrijfswoning;
c. aangetoond is dat de uitoefening van een agrarisch bedrijf ter plaatse daadwerkelijk wordt voortgezet;
d. het aantal woningen op het desbetreffende perceel niet toeneemt;
e. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
f. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen ten aanzien van omwonenden, (agrarische) bedrijven en andere omgevingswaarden. In elk geval dient, wanneer er sprake is van dierenverblijven bij agrarische bedrijven van derden, een afstand van 50 m aangehouden te worden tussen de plattelandswoning inclusief de tuin en het meest nabij gelegen dierenverblijf. De afstand wordt gemeten vanaf het emissiepunt;
g. sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit zoals bedoeld in artikel 74 lid 2.3.
Art. 69.3 (Afwijkingsregel gebruik):
“ Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van bestemmingsplan ten behoeve van het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein”.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Ingevolge artikel 1.1a, eerste lid, van de Wabo wordt een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald.
Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking;
Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)
Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij wordt onder een geurgevoelig object verstaan: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot met 9.
Ingevolge het derde lid is in afwijking van het eerste lid artikel 1.1a van de Wabo van overeenkomstige toepassing op het nemen van een beslissing als bedoeld in dat lid. De eerste volzin is niet van toepassing op gevallen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, voor zover het betreft een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, en artikel 14, tweede lid.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder, voor zover hier van belang, wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object hoger is dan op grond van dit lid is toegestaan.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object:
a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen en;
b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder bedraagt onverminderd de artikelen 3 en 4 de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minste 25 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Wet milieubeheer
Ingevolge hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer, samen met bijlage 2 bij deze wet, gelden grenswaarden voor de luchtkwaliteit, waaronder voor zwevende deeltjes (PM10).
Activiteitenbesluit milieubeheer
Artikel 1.3c van het Abm, zoals dat gold tot 1 januari 2024:
“Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, wordt met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde beschouwd als onderdeel van die inrichting.”.
Controle op 21 augustus 2024 met fotomateriaal.
Tekening B 03, projectnummer M218180, d.d. 8 november 2023.
Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo.
Onderdeel 9 van artikel 4 van Bijlage II van het Bor is buiten de bebouwde kom alleen van toepassing voor zover het een logiesfunctie voor werknemer of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen betreft.
Uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571.
Zie r.o. 6.2.4 van genoemde uitspraak van 28 oktober 2020.
Bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 22 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9003 en 21 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2025:3336.
Productie 5 bij het beroepschrift met kenmerk 347239.
Reactie ‘Leefklimaat’ op blz. 7 van het verweerschrift.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2707, r.o. 4.4. (Taurushoeve).
Eisers wijzen op de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9954, r.o. 16.7.
Eisers wijzen daarvoor op de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5122, r.o. 11.6.
Eiser verwijzen naar uitspraken van de Afdeling van 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1339, 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2579, 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:166 en 3 juli 2024:2706.
Op blz. 8 van het verweerschrift onder Reactie, de derde alinea, laatste zin.
RVS:2024:2706, r.o. 4.4.
Uitspraak van de Afdeling van 9 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3747 en 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1281. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|