|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2026:1952 | | | | | Datum uitspraak | : | 26-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 18-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | ROE 25/1852 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Beroep tegen herplantplicht in verleende kapvergunning. Eiser is het niet eens met de verplichting om (ten minste) één boom te herplanten. Het beroep ziet dan ook op de verwijdering van de herplantplicht uit de aan eiser verleende kapvergunning. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder geen sluitende redenering ten grondslag heeft gelegd aan het besluit om aan de kapvergunning een herplantplicht te verbinden. Sprake is dus van een ondeugdelijke motivering in de zin van de artikelen 3:2 en 7:12 Awb. Eiser krijgt gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak. | | Trefwoorden | : | omgevingsvergunning | | | paarden | | | perceel | | | | Uitspraak | RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/1852
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem
(gemachtigde: [naam boomdeskundige] ).
Procesverloop
1. Bij het besluit van 19 februari 2025 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van één boom aan de [adres] , [woonplaats] , kadastraal bekend [kadasternummer] (hierna: de kapvergunning). Aan de kapvergunning is een herplantverplichting verbonden van tenminste één boom in maat 14/16 (hierna: de herplantplicht).
1.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
1.2.
Op 27 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden ten overstaan van de Intergemeentelijke Adviescommissie Bezwaarschriften (hierna: de bezwaarschriftencommissie). Op 24 juni 2025 heeft de bezwaarschriftencommissie het college geadviseerd over de behandeling van het bezwaar.
2. Bij het besluit op bezwaar van 26 juni 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit in stand gelaten, onder aanvulling van een nadere motivering.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder, laatstgenoemde vergezeld van mr. A.F.R. Van de Bergh.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Eiser exploiteert een rundveehouderij aan de [adres] in [woonplaats] .
3.1.
Eiser is jaren geleden begonnen met een kale akker met hierop drie bomen (hierna: de oorspronkelijke groenstructuur van eiser). In 2017 of 2018 heeft eiser op diezelfde akker nog 34 jonge hoogstambomen geplant (hierna: de 34 bomen van eiser).
4. Op 2 januari 2025 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het kappen van één van de bomen behorende tot de oorspronkelijke groenstructuur van eiser. Dit betreft een kersenboom (hierna: de kersenboom). Ten tijde van de aanvraag waren de twee andere bomen die onderdeel uitmaakten van de oorspronkelijke groenstructuur van eiser reeds omgewaaid en niet meer op de akker aanwezig.
4.1.
De gemachtigde van verweerder, boomdeskundige [naam boomdeskundige] (hierna: [naam boomdeskundige] ), heeft op 4 februari 2025 de kersenboom visueel geïnspecteerd. Tijdens dat veldbezoek heeft [naam boomdeskundige] vastgesteld dat sprake is van een mogelijk gevaarlijke situatie voor de paarden in de wei van eiser. Volgens de bevindingen van verweerder is uit voornoemde visuele inspectie gebleken dat de kersenboom nagenoeg dood was en dat de vitaliteit een duidelijke indicatie was voor een zeer beperkte levensduur van de kersenboom.
4.2.
Ten grondslag aan het primaire besluit ligt de conclusie van verweerder dat, na afweging van de weigeringsgronden uit artikel 3:14, eerste lid, van de Verordening fysieke leefomgeving Gulpen-Wittem 2024, eerste wijziging (hierna: Vfl 2024) en het gestelde belang van eiser, het laatstgenoemde belang prevaleert. Aan de kapvergunning werd de herplantplicht verbonden.
5. Eiser heeft de kersenboom gekapt op het moment dat de kapvergunning aan hem is verleend. Er is nog geen uitvoering gegeven aan de herplantplicht.
De omvang van het beroep
6. De rechtbank stelt voorop dat de kapvergunning niet ter discussie staat en evenmin dat de kersenboom gekapt moest worden, omdat sprake was van gevaar.
6.1.
Het beroep van eiser ziet enkel op de herplantplicht. Eiser is van mening dat de herplantplicht in dezen niet passend is en hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
Toepasselijk recht en juridisch kader
7. Artikel 5.1, eerste lid onder a, Ow bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit – hier, het kappen van de kersenboom – te verrichten. Vast staat dat verweerder op grond van de artikelen 5.8 tot en met 5.16 Ow bevoegd was om op de aanvraag van eiser te beslissen.
7.1.
Ten tijde van het bestreden besluit waren de voor deze zaak relevante beoordelingsregels vastgesteld in de Vfl 2024. Meer specifiek zijn hier van belang: artikel 3:12 (dat ziet op de vereiste omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden), artikel 3:14 (dat ziet op de gronden waarop een vergunning kan worden geweigerd), en artikel 3:15 (dat ziet op de voorwaarden die aan een omgevingsvergunning tot het vellen van een boom kunnen worden verbonden). Deze bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
7.2.
Per 13 februari 2026 is de Verordening Fysieke Leefomgeving Gulpen-Wittem 2026 (hierna: Vfl 2026) in werking getreden. Overeenkomstig artikel 8:3 Vfl 2026 is de Vfl 2024 per diezelfde datum komen te vervallen. Artikel 8:4 Vfl 2026 bepaalt dat besluiten die krachtens de Vfl 2024 zijn genomen, die golden op het moment van de inwerkingtreding van de Vfl 2026 en waarvoor de Vfl 2026 overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens de Vfl 2026.
Is er sprake van beleid dat ten grondslag ligt aan de herplantplicht?
8. Artikel 3:15 Vfl 2024 is een zogeheten ‘kan-bepaling’. Verweerder komt dus beleidsruimte toe om te bepalen of een herplantverplichting aan een kapvergunning wordt verbonden.
8.1.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder gemotiveerd dat in de gemeente Gulpen-Wittem als uitgangspunt geldt dat bij het vellen van een boom – ongeacht of deze dood is of gevaar vormt – een herplantverplichting wordt opgelegd. Dit volgt uit het Groenbeleidsplan Gemeente Gulpen-Wittem van 23 juni 2023 (hierna: het Groenbeleidsplan), waarin behoud, herstel en ontwikkeling van de groenstructuren centraal staan, aldus verweerder. Het loslaten van de herplantverplichting in het geval van eiser zou volgens verweerder de consistente uitvoering van het gemeentelijk beleid ondermijnen.
8.2.
De beroepsgrond van eiser houdt in dat er in de gemeente Gulpen-Wittem geen beleid is over het al dan niet opleggen van een herplantverplichting op grond van artikel 3:15 Vfl 2024, zodat nimmer gesproken kan worden van een inconsistente uitvoering van gemeentelijk beleid. Bovendien volgt volgens eiser uit het Groenbeleidsplan niet een herplantverplichting als uitgangspunt. Integendeel zelfs, in het Groenbeleidsplan is opgenomen (p. 101) dat er alleen een herplantverplichting geldt bij ‘aantoonbaar menselijk falen’, waarvan in dit geval geen sprake is, aldus eiser.
8.3.
Ter zitting is door verweerder het verweer gevoerd dat het Groenbeleidsplan strikt genomen geen beleid is, maar een strategisch plan of een visie. De gemeente Gulpen-Wittem heeft als doel het blijven van een groene gemeente. Uit het Groenbeleidsplan blijkt die intentie, maar de vertaalslag naar daadwerkelijk beleid – althans, in ieder geval wat betreft de herplantverplichting bij kapvergunningen, zo begrijpt de rechtbank – heeft nog niet plaatsgevonden, aldus verweerder.
9. De rechtbank stelt vast dat verweerder vooralsnog geen dwingend beleid hanteert ten aanzien van de beleidsruimte die hem toekomt om al dan niet een herplantverplichting te verbinden aan een verleende kapvergunning. Een tweetal overwegingen liggen aan dit oordeel ten grondslag.
9.1.
Ten eerste is in het voorwoord bij het Groenbeleidsplan te lezen dat de gemeente Gulpen-Wittem aan zet is ‘om werk te maken van het groenbeleid. Niet alles tegelijk, maar in stappen.’ De inleiding van het Groenbeleidsplan voegt daaraan toe dat het Groenbeleidsplan ‘invulling geeft aan de kaders uit de Omgevingswet en daarmee richting geeft aan de ontwikkeling van de groenstructuur binnen de gemeente Gulpen-Wittem voor de komende 10-20 jaar.’ De inhoud van het Groenbeleidsplan komt aldus overeen met het standpunt van verweerder dat het Groenbeleidsplan een strategisch plan of visie betreft.
9.2.
Ten tweede is het Groenbeleidsplan vastgesteld door de gemeenteraad van Gulpen-Wittem (hierna: de raad). Gelet op eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is de rechtbank van oordeel dat de bevoegdheid in de zin van artikel 3:15 Vfl 2024 aan verweerder (het college) toekomt, niet aan de raad. Het Groenbeleidsplan ziet niet op de toepassing van voornoemde bevoegdheid. Verweerder was, bij de keuze om al dan niet de herplantplicht aan de kapvergunning te verbinden, dan ook niet gehouden om te handelen overeenkomstig het Groenbeleidsplan.
10. Nu verweerder in het bestreden besluit het Groenbeleidsplan ten onrechte heeft gebruikt als beleid, ter motivering van de herplantplicht, is sprake van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond van eiser slaagt.
11. De rechtbank merkt volledigheidshalve nog op dat voor zover verweerder het Groenbeleidsplan in de besluitvorming kon en mocht betrekken, hieruit niet het door verweerder gestelde uitgangspunt volgt dat bij het vellen van een boom een herplantverplichting wordt opgelegd – ongeacht of deze dood is of gevaar vormt. Verweerder heeft ter zitting niet kunnen aanwijzen waar in het Groenbeleidsplan dit uitgangpunt staat waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen. Pagina 101 van het Groenbeleidsplan biedt daarentegen aanknopingspunten op grond waarvan de rechtbank vaststelt dat de raad als strategisch plan of visie hanteert dat juist géén herplantplicht volgt ingeval van vitaliteit en gevaarzetting, tenzij sprake is van ‘aantoonbaar menselijk falen (bij ondoordacht handelen of het bewust doden van de boom).’ Vast staat dat vitaliteit en gevaarzetting ten grondslag liggen aan de onderhavige kapvergunning. Niet is daarnaast gesteld en evenmin is gebleken dat eiser enig ‘aantoonbaar menselijk falen’ kan worden verweten.
Ligt aan het bestreden besluit een draagkrachtige belangenafweging ten grondslag?
12. Aangezien is komen vast te staan dat er geen beleid is ten aanzien van de beleidsruimte die verweerder toekomt op grond van artikel 3:15 Vfl 2024, zal verweerder per ieder afzonderlijk geval een belangenafweging dienen te maken.
12.1.
Eiser is van mening dat aan het bestreden besluit een deugdelijke belangenafweging ontbreekt. Volgens eiser blijkt uit de luchtfoto’s en historische kaarten opgenomen in het dossier dat met het planten van de 34 bomen van eiser de volledige hoogstamboomgaard uit 1850 reeds is hersteld. Drie van die 34 bomen staan bovendien volgens eiser binnen een afstand van vijftien meter van de (reeds gekapte) kersenboom. Deze nieuwe boomgaard compenseert ruimschoots het verwijderen van één boom die verwijst naar een boomgaard, aldus eiser. Bovendien heeft het college onvoldoende in de afweging betrokken dat de kersenboom ziek was en toch zou omvallen. Indien eiser had afgewacht, en zodoende mogelijk schade had opgelopen door het omvallen van de kersenboom, had het college de herplantplicht niet opgelegd.
12.2.
De rechtbank stelt vast dat het advies van de bezwaarschriftencommissie – welk advies verweerder heeft overgenomen – luidt dat in het primaire besluit onvoldoende naar voren kwam welke betrokken belangen door verweerder waren afgewogen. Daarbij noemde zij, enerzijds, het belang van verweerder dat er bij de kap van een boom een nieuwe boom geplant moet worden en, anderzijds, het belang van eiser bij de (eerder geplante) 34 bomen van eiser, alsmede dat de kersenboom ziek was en dat het geld kost om een nieuwe boom te planten. De bezwaarschriftencommissie stelde daarnaast vast dat verweerder in bezwaar had aangegeven dat de herplantplicht er niet zou zijn geweest, als de kersenboom (door ouderdom) vanzelf was omgevallen.
12.3.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het standpunt dat de herplantplicht in dit geval passend is, gehandhaafd en die beslissing nader gemotiveerd. Daarbij heeft verweerder zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat de kersenboom een relict is van een historische groenstructuur die oorspronkelijk deel uitmaakte van een hoogstamboomgaard die dateert van vóór 1900. Deze structuren zijn kenmerkend voor het Zuid-Limburgse cultuurlandschap en dragen in hoge mate bij aan de identiteit, herkenbaarheid en historische continuïteit van het gebied. Het betreft hier niet alleen ecologische, maar ook cultuurhistorische en esthetische waarden in de zin van artikel 3:14 Vfl 2024, aldus verweerder. Deze wegen volgens verweerder zwaarder dan het belang van eiser. Verweerder heeft bovendien gesteld dat de 34 bomen van eiser, geplant op eigen initiatief en elders op het perceel, de verwijdering van de kersenboom niet compenseren. Herplant op de oorspronkelijke locatie is noodzakelijk vanwege de plaatsgebonden functie binnen het historisch landschap, zo luidt de nadere motivering van verweerder.
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, de belangen van eiser en het daarmee samenhangende advies van de bezwaarschriftencommissie in aanmerking genomen, niet in redelijkheid tot het bestreden besluit kunnen komen. Aan het bestreden besluit kleeft (nog steeds) een motiveringsgebrek.
13.1.
Vast is komen te staan dat de oorspronkelijke groenstructuur van eiser drie bomen omvatte, waarvan ten tijde van de aanvraag voor de kapvergunning enkel nog de (nagenoeg dode) kersenboom overeind stond. Dit was dan ook de enige boom die nog overeind stond van de oorspronkelijke ‘historische hoogstamboomgaard’ ter plaatse. De rechtbank ziet niet in dat op basis van één zieke, nagenoeg dode boom (de kersenboom) nog gesproken kan worden van een belang van verweerder om een voor het Zuid-Limburgse cultuurlandschap kenmerkende structuur, dan wel een historische hoogstamboomgaard te waarborgen. Anders gezegd komt het beroep van verweerder op dit (prevalerende) belang niet overeen met de feitelijke situatie ten tijde van het bestreden besluit. De rechtbank wijst er verder op dat verweerder de 34 bomen van eiser niet als compenserend aanmerkt ten opzichte van de kersenboom, met als argument dat die elders op het perceel staan (dan waar de kersenboom stond). Vast staat echter dat verweerder aan de herplantplicht geen locatie voor de herplant heeft verbonden. Ook op dit punt houdt de motivering van verweerder dus geen stand.
14. Uit het voorgaande volgt dat ook deze beroepsgrond van eiser slaagt.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt.
16. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Trifunović, rechter, in aanwezigheid van
F.G.A. Claessen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op: 26 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 26 februari 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Verordening fysieke leefomgeving Gulpen-Wittem 2024, eerste wijziging
Artikel 3:12 – Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstand in privaat eigendom op percelen van minder dan 120m2, tenzij het een monumentale boom betreft.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor:
a. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud.
b. het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud.
c. het vellen van naaldbomen en coniferen.
d. bomen met een stamdiameter kleiner dan 25 centimeter, gemeten op 1,30 meter boven het maaiveld.
4. Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.
5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 3:14 – Weigeringsgronden
1. Een vergunning wordt geweigerd indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden:
a. natuur en milieuwaarden;
b. landschappelijke waarden;
c. cultuurhistorische waarden;
d. waarden van stads en dorpsschoon;
e. waarden voor recreatie en leefbaarheid;
f. beeldbepalende waarde van de houtopstand.
2. Een vergunning voor het vellen van een monumentale en beschermingswaardige boom of houtopstand wordt slechts bij uitzondering verleend, indien:
a. een zwaarwegend maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de monumentale of beschermingswaardige boom of houtopstand;
b. geen alternatieven aanwezig zijn;
c. naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade.
Artikel 3:15 – Bijzondere vergunningsvoorschriften
1. Aan een vergunning kunnen tevens de navolgende voorwaarden worden verbonden:
a. een herplantverplichting;
b. indien herplant niet mogelijk is de verplichting tot storting van een geldelijke bijdrage in het gemeentelijk herplantfonds;
2. Degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.
Groenbeleidsplan Gemeente Gulpen-Wittem van 23 juni 2023, p. 101
Herplantverplichting
Op basis van het verwijderingsbelang wordt ook de herplantplicht gedefinieerd. Waar de gemeente zichzelf in alle gevallen een herplantplicht oplegt in verband met haar maatschappelijke positie, geldt dit niet voor particulieren. Voor particulieren en ondernemers geldt de herplantplicht als volgt:
Vitaliteit en gevaarzetting: geen herplantplicht, tenzij aantoonbaar menselijk falen (bij ondoordacht handelen of bewust doden van boom);
Bouw- en andere werkzaamheden: altijd herplantplicht (andere soortkeuze is toegestaan, mits gelijke grootteklasse);
Hinder of overlast: altijd herplantplicht (andere soortkeuze is toegestaan, mits gelijke grootteklasse).
De herplant vindt in beginsel plaats op de locaties waar de boom of houtopstand gerooid is. In overleg met gemeente kan hier echter ook van af worden geweken, bijvoorbeeld omdat de locatie van de boom wordt bebouwd of omdat de boom op een andere locatie een beter toekomstperspectief heeft of landschappelijk beter past.
Zie ook het Verslag van de in het gemeentehuis van Eijsden-Margraten, 27 mei 2025 gehouden openbare zitting van de kamer VROM van de onafhankelijke intergemeentelijke adviescommissie bezwaarschriften, p. 4.
Vgl. ABRvS 7 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3591, rov. 6.1.
Zie rov. 4.1.
Zie rov. 4. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|