Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBLIM:2026:1987 
 
Datum uitspraak:27-02-2026
Datum gepubliceerd:10-03-2026
Instantie:Rechtbank Limburg
Zaaknummers:C/03/348691 / HA RK 26-4
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Erfrecht. Verzoek opheffing testamentair bewind ex artikel 4:178 lid 2 BW en subsidiair wijziging bewindvoerder. De rechtbank wijst het verzoek af.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
testament
 
Uitspraak
RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer / rekestnummer: C/03/348691 / HA RK 26-4


Beschikking van
27
februari 2026


in de zaak van



[verzoekende partij]
,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekende partij] ,
advocaat: mr. B.C. van Hees.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:



[belanghebbende] , h.o.d.n. [bedrijf] , in zijn hoedanigheid van testamentair bewindvoerder over de aan [verzoekende partij] nagelaten goederen uit de nalatenschap van [erflaatster],
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [belanghebbende] ,
procederend in persoon.




1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen 1 t/m 7, ter griffie ontvangen op 15 januari 2026,
- de bijlagen 8 en 9 van [verzoekende partij] , ter griffie ontvangen op 22 januari 2026,
- de mondelinge behandeling van 17 februari 2026,
- het ter zitting overgelegde verweerschrift/spreekaantekeningen van [belanghebbende] met bijlagen 1 t/m 5 alsmede de brief van 2 november 2015 van voormalig testamentair bewindvoerder [naam 1].



1.2.
Ter zitting zijn verschenen:



[verzoekende partij] , vergezeld door haar partner de heer [naam 2], bijgestaan door mr. Van Hees;



[belanghebbende] .





1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.





2De feiten


2.1.
Op [datum] 2009 is overleden [erflaatster] (hierna: erflaatster), de moeder van [verzoekende partij] . Erflaatster heeft bij testament, verleden op 9 januari 2007, over haar nalatenschap beschikt. In het testament staat, geciteerd voor zover hier van belang:
“BESCHERMINGSBEWIND

Ik stel al hetgeen mijn enige kind, mijn dochter [verzoekende partij] , geboren te [plaats 3] op vierentwintig november negentienhonderd zesenzeventig – hierna aangeduid met “onder bewind gesteld” of “rechthebbende” – uit mijn nalatenschap verkrijgt onder bewind en bepaal ten aanzien van dit bewind het navolgende:

1. Aanvang en duur bewind

Het bewind vangt aan op de dag van mijn overlijden en eindigt bij het overlijden van mijn dochter.

2. Strekking bewindHet bewind is ingesteld in het belang van de onder bewind gestelde.

(….)”




2.2.
Bij notariële akte van 23 maart 2016 is [belanghebbende] tot opvolgend bewindvoerder benoemd.



2.3.
Bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 27 juli 2016 zijn alle goederen die (zullen) toebehoren aan [verzoekende partij] wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand onder bewind gesteld met ingang van 1 september 2016. Tot bewindvoerder is [belanghebbende] benoemd. Bij beschikking van 17 juli 2025 is dit bewind opgeheven.





3Het verzoek en het verweer


3.1.
Het verzoek strekt primair tot opheffing van het testamentair bewind, subsidiair is verzocht om [belanghebbende] te ontslaan als testamentair bewindvoerder en de heer [naam 2] als vervangend bewindvoerder te benoemen.



3.2.
Ter onderbouwing van haar verzoek voert [verzoekende partij] aan dat de termijn van vijf jaar na het overlijden van erflaatster inmiddels is verstreken en zij in staat is, met behulp van haar partner, de onder bewind staande goederen op verantwoorde wijze te beheren, zodat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4:178 lid 2 BW.
Het testament dateert uit 2007. Volgens [verzoekende partij] is haar situatie sindsdien op positieve wijze veranderd. Ze heeft diploma’s behaald, ze heeft een baan met een vast inkomen en ze voedt haar dochter zelfstandig op. Haar partner, de heer [naam 2], ondersteunt haar. Er is niet gebleken van een verstandelijke beperking. Ook blijkt nergens uit dat zij beïnvloedbaar is. Haar vermogen zal hoe dan ook niet in een vermogensrechtelijke gemeenschap vallen, gelet op de inhoud van het testament van erflaatster, zodat dit vermogen beschermd blijft. [verzoekende partij] stelt dat het in voldoende mate aannemelijk is dat zij haar financiën zelf kan beheren, zodat opheffing van het testamentaire bewind in haar belang is.



3.3.

[belanghebbende] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Hij acht het niet in het belang van [verzoekende partij] om het testamentair bewind op te heffen en opheffing strookt bovendien niet met de bedoeling van erflaatster. Volgens [belanghebbende] is het contact met [verzoekende partij] altijd goed en constructief geweest en is de huidige discussie pas ontstaan na aanvang van de relatie tussen [verzoekende partij] en [naam 2]. Ook het benoemen van een andere bewindvoerder acht [belanghebbende] niet in het belang van [verzoekende partij] .





4De beoordeling


Opheffing testamentair bewind



4.1.
Vaststaat dat het onderhavige testamentair bewind is ingesteld bij testament van 9 januari 2007 en van kracht is geworden met het overlijden van erflaatster op [datum] 2009. Het betreft een testamentair bewind dat is ingesteld in het belang van [verzoekende partij] .



4.2.
In artikel 4:178 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de rechtbank een testamentair bewind kan opheffen op verzoek van de bewindvoerder op grond van onvoorziene omstandigheden en voorts indien aannemelijk is dat de rechthebbende de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen. Na verloop van vijf jaren na het overlijden van de erflater kan het bewind op deze laatste grond ook worden opgeheven op verzoek van de rechthebbende. Bij afwijzing van een verzoek tot opheffing kan de rechtbank desverzocht de regels omtrent het bewind, al dan niet onder door haar te stellen voorwaarden, wijzigen.



4.3.
Gelet op de termijn die verstreken is sinds het overlijden van erflaatster, komt het door erflaatster ingestelde testamentair bewind voor opheffing in aanmerking, indien ook aan de tweede voorwaarde zoals genoemd in artikel 4:178 lid 2 BW wordt voldaan. De rechtbank is van oordeel dat [verzoekende partij] - mede in het licht van het gevoerde verweer - niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.



4.4.
In het testament is uitdrukkelijk bepaald dat het testamentair bewind eindigt op de dag van overlijden van [verzoekende partij] . In beginsel dient er dan ook van uitgegaan te worden dat erflaatster de bedoeling heeft gehad om het testamentair bewind te doen gelden voor de duur van het leven van [verzoekende partij] . De reden voor het levenslange testamentair bewind is gemotiveerd toegelicht door [belanghebbende] met de door hem overgelegde verklaring van de voormalig testamentair bewindvoerder [naam 1], die in het verleden ook toeziend voogd was van [verzoekende partij] . Hoewel artikel 4:178 lid 2 BW een opheffingsmogelijkheid biedt, hecht de rechtbank waarde aan de afweging die erflaatster gemaakt heeft bij het opstellen van het testament. Dat erflaatster de inhoud van het testament op het punt van het levenslange testamentair bewind niet goed begrepen zou hebben, omdat zij van Duitse komaf was, zoals [verzoekende partij] betoogt, acht de rechtbank, tegen de achtergrond van de verklaring van [naam 1], niet aannemelijk.


4.5.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat [verzoekende partij] niet voldoende onderbouwd heeft dat zij de onder testamentair bewind staande goederen zelf op een verantwoorde wijze zal kunnen besturen. Zij verwijt de bewindvoerder tijdens de mondelinge behandeling dat het saldo van de effectenrekening is gedaald. De bewindvoerder heeft als reactie onbetwist aangevoerd dat [verzoekende partij] jaarlijks via die effectenrekening een vast bedrag krijgt - verspreid over het jaar - als aanvulling op haar inkomen. Uit de bijlagen van de bewindvoerder is gebleken dat zij frequent de bewindvoerder verzoekt extra geld aan haar over te maken, terwijl de bewindvoerder kritische kanttekeningen plaatst bij haar uitgavenpatroon en de keuzes die [verzoekende partij] daarbij maakt. Verder valt op dat zij aan de bewindvoerder een brief gestuurd heeft, die door haar ondertekend is, gedateerd op 26 december 2025, waarin onder meer het volgende staat:
“TERUGVORDERINGSBRIEF – ONVERSCHULDIGDE BETALING
(…)

Hierbij stel ik vast dat u gedurende een periode van vijf maanden vergoedingen/betalingen heeft ontvangen in uw hoedanigheid van bewindvoerder, terwijl u daartoe niet (meer) bevoegd was.


Er bestond in deze periode:

- geen geldige benoeming van u als testamentair bewindvoerder (bij gebreke van een notariële akte), (…)”De benoeming van [belanghebbende] volgt uit een notariële akte van ‘overdracht bewindvoering’ van 23 maart 2016. Wat op dit punt in de brief van 26 december 2025 staat is dus onwaar. De rechtbank kan niet uitsluiten dat [verzoekende partij] deze brief gestuurd heeft onder invloed van een derde. De bewindvoerder heeft immers onbetwist aangevoerd dat de discussie over de opheffing van het testamentair bewind pas ontstaan is nadat [verzoekende partij] en haar huidige partner een relatie kregen. Op grond van al het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat [verzoekende partij] in staat is zelfstandig haar belangen te behartigen.


4.6.
Het verzoek tot opheffing van het door erflaatster ingestelde testamentair bewind zal daarom worden afgewezen.


Benoeming opvolgend bewindvoerder



4.7.
Subsidiair is verzocht om [belanghebbende] te ontslaan als testamentair bewindvoerder en de heer [naam 2] als vervangend bewindvoerder te benoemen. De rechtbank heeft het subsidiaire verzoek opgevat als een verzoek in de zin van artikel 4:178 lid 2 laatste volzin BW. Hierin is bepaald dat de rechtbank bij afwijzing van een verzoek tot opheffing van een testamentair bewind dat uitsluitend is ingesteld in het belang van rechthebbende, desverzocht de regels van het bewind kan wijzigen. Dit artikel voorziet blijkens voorbeelden uit de literatuur in de situatie dat rechthebbende nog niet geheel zelfstandig de onder bewind staande goederen kan besturen, maar er wel aanleiding is om de bevoegdheden van rechthebbende uit te breiden (Asser/Perrick 4 2021/762 en T.J. Mellema-Kranenburg, Executele en bewind (Mon. BW nr. B21b) 2016/44.3). Met deze voorbeelden in het achterhoofd is de rechtbank van oordeel dat deze bepaling niet zover strekt, dat het als grondslag kan dienen voor de benoeming van een opvolgend bewindvoerder. De rechtbank zal het verzoek tot benoeming van een opvolgend bewindvoerder afwijzen.





5De beslissing

De rechtbank


5.1.
wijst zowel het primair als het subsidiair verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken.




bijlage 4 bij verweerschrift/spreekaantekeningen


bijlage 3 bij verzoekschrift


bijlage 4 bij verzoekschrift


bijlage 7 bij verzoekschrift


Zie rov. 2.1


Bijlage 5 bij verweerschrift/spreekaantekeningen


Zie rov. 2.2
Link naar deze uitspraak