Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBLIM:2026:2236 
 
Datum uitspraak:11-03-2026
Datum gepubliceerd:23-03-2026
Instantie:Rechtbank Limburg
Zaaknummers:11670899 CV EXPL 25-2116
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:Werkgeversaansprakelijkheid; val van de trap; werkgever voldaan aan zorgplicht. Reikwijdte van kwijtingsbeding. Uitlegkwestie. Werknemer krijgt ongelijk.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
uitkering
vaststellingsovereenkomst
 
Uitspraak
RECHTBANK
LIMBURG


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 11670899 \ CV EXPL 25-2116


Vonnis van 11 maart 2026


in de zaak van



[werknemer]
,
wonende te [plaats 1] (België),
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. J. van Eck,

tegen



[werkgever] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. E.A. Roest.




1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is medegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de brief van 24 oktober 2025, met productie 16 van [werknemer] .



1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 november 2025. Beide partijen hebben bij die gelegenheid spreekaantekeningen in het geding gebracht.



1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De feiten


2.1.
Op 1 september 2007 is [werknemer] bij [werkgever] in dienst getreden in de functie van Quality Operator.



2.2.
In de periode vanaf maart tot en met mei 2021 heeft [werknemer] in totaal om en nabij € 18.000,00 verstrekt aan zijn collega mevrouw [collega] . Zij is bij [werkgever] werkzaam in een functie hoger in rang dan [werknemer] en zij was tot eind 2020 zijn leidinggevende. [werknemer] heeft meermaals enveloppen met geld bij de receptie / beveiliging van [werkgever] achtergelaten voor mevrouw [collega] . [werkgever] was daar op dat moment niet van op de hoogte.



2.3.

[werknemer] heeft op enig moment aan mevrouw [collega] laten weten dat hij het geld terug wilde. Omdat mevrouw [collega] het geld niet meer had, heeft zij contact opgenomen met haar leidinggevende de heer [leidinggevende 1] .



2.4.
Op 25 mei 2021 heeft de heer [leidinggevende 1] , Unit Production Manager bij [werkgever] , in bijzijn van een medewerker van HR, de heer [HR-medewerker 1] , gesproken met mevrouw [collega] en haar echtgenoot, die eveneens werkzaam is bij [werkgever] . Op diezelfde dag heeft de leidinggevende van mevrouw [collega] eveneens gesproken met [werknemer] , in bijzijn van voormelde medewerker van HR. [werknemer] heeft dit gesprek opgenomen.



2.5.

[werknemer] is vanaf 5 juni 2021 arbeidsongeschikt.



2.6.
Bij brief van 10 juni 2021 heeft [werkgever] , naar aanleiding van de gevoerde gesprekken, aan [werknemer] het volgende medegedeeld:

“Geachte heer [werknemer] , Beste [werknemer]


Op dinsdag 25 mei heb ik met jou gesproken in het bijzijn van [HR-medewerker 1] (Human Resources).


Aanleiding voor dit gesprek was om met jou te praten naar aanleiding van gesprekken die ik met [collega] en haar man [naam] heb gevoerd.


Gebleken is dat jij ruim 18.000 EURO aan [collega] , tot einde 2020 jouw leidinggevende, hebt verstrekt. Na onderlinge onenigheid hierover is, besloten dat jij het geld op korte termijn terug wilde. Tijdens ons gesprek heb jij aangegeven dat alles wat gezegd en gesproken is wat jou betreft geheim blijft en tussen jou en [collega] . Tevens heb jij onder andere aangegeven dat je er met [collega] verder wel uit zal komen. Zoals je weet heb ik uitgebreid met [collega] gesproken. Haar kant van het verhaal is bij ons bekend. Inclusief datums en bedragen. Ons standpunt is dat [werkgever] geen betrokkenheid heeft bij de financiële afspraak die jij met jouw leidinggevende in de privé sfeer hebt gemaakt. Het kan en mag echter niet zo zijn dat hierdoor onwerkbare of onveilige situaties op de werkvloer gaan ontstaan. Jij zult je professioneel en verantwoordelijk dienen te gedragen. Op het moment dat er zich situaties gaan voordoen, als gevolg van deze financiële afspraak, waardoor veiligheid en/of de situatie op werkvloer negatief worden beïnvloed en jij dit niet ken voorkomen zul je dit onmiddellijk bij [werkgever] dienen te melden. Zodat [werkgever] de nodige maatregelen kan treffen.


Het past niet binnen de [werkgever] waarden en normen om onze beveiliging te betrekken bij financiële transacties. Dit is voor [werkgever] onacceptabel. Dit mag nooit meer gebeuren. Wij zullen een afschrift hiervan in je personeelsdossier bewaren en gaan er van uit dat je in de toekomst niet meer in dergelijke situaties terecht komt waardoor wij andere, verder strekkende, maatregelen dienen te nemen. Wij gaan er van uit dat met jouw goede wil en voortdurende positieve inzet wij deze situatie snel achter ons kunnen laten en een productieve toekomst tegemoet gaan.”




2.7.
De bedrijfsarts heeft op 27 juli 2021 mediation geadviseerd. Partijen zijn vervolgens een mediationtraject aangegaan. Tijdens de mediation is blijkens een door [werknemer] in het geding gebracht gespreksverslag ook de kwestie met mevrouw [collega] aan de orde gekomen. Het mediationtraject is in goede harmonie afgerond op 20 september 2021.


2.8.
Op 11 oktober 2021 is [werknemer] gestart met zijn re-integratie. Op enig moment is [werknemer] opnieuw volledig arbeidsongeschikt uitgevallen. Op 9 december 2021 is [werknemer] vervolgens weer gestart met zijn re-integratie. [werknemer] verrichte in het kader van zijn re-integratie administratieve werkzaamheden in een ruimte die toegankelijk is via een trap. De trap ziet er als volgt uit:

[afbeelding geanonimiseerd]



2.9.
Op 13 december 2021 heeft [werknemer] aan mevrouw [HR-medewerker 2] , HR-medewerker, laten weten:

“(…)


Welnu, bij het lezen van mijn mails ondervind ik persoonlijke problemen, nl. wazig zien, moeilijke concentratie.


Na een korte interval zelfs duizeligheid…heb dan tijd nodig….uiteindelijk hoofdpijn.


Gelieve hier rekening mee te houden.”




2.10.
Mevrouw [HR-medewerker 2] heeft in reactie hierop op 14 december 2021 aan [werknemer] laten weten:

“Bedankt voor je bericht. We starten gewoon rustig aan, dus dat gaat goed komen. Goed dat je het aangeeft.”




2.11.
Op 21 december 2021 heeft [werknemer] zich opnieuw volledig ziek gemeld. Op 27 december 2021 heeft de bedrijfsarts telefonisch gesproken met [werknemer] . In het verslag van de bedrijfsarts (werkhervattingsadvies van 27 december 2021) is niets opgenomen over duizeligheidsklachten, hoofdpijn of wazig zien. Afgesproken is dat [werknemer] in week 1 van 2022 (met een opbouw) start met re-integreren.


2.12.
Op 4 januari 2022 heeft [werknemer] wederom telefonisch gesproken met de bedrijfsarts. In het verslag van de bedrijfsarts (werkhervattingsadvies van 4 januari 2022) is niets vermeld over duizeligheidsklachten, hoofdpijn of wazig zien.



2.13.
Op 7 januari 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [werknemer] , zijn leidinggevende en zijn casemanager over de re-integratie die op 8 januari 2022 zou starten.



2.14.
Op 8 januari 2022 is [werknemer] gestart met re-integreren.



2.15.
Vervolgens is [werknemer] op 9 januari 2022 tijdens de uitvoering zijn werkzaamheden bij [werkgever] van de trap, de hiervoor al genoemde en afgebeelde trap die toegang verschaft tot zijn werkplek, gevallen. Na de val van de trap is de re-integratie van [werknemer] beëindigd. [werknemer] is volledig arbeidsongeschikt gebleven.



2.16.
Op 3 maart 2022 heeft [werknemer] [werkgever] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en te lijden schade als gevolg van de val van de trap. [werkgever] heeft de aansprakelijkheid van de hand gewezen.



2.17.
Met ingang van 3 juni 2023 is aan [werknemer] een WIA-uitkering toegekend.



2.18.

[werknemer] en [werkgever] hebben op 2 oktober 2023 een overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst gesloten. Zij zijn overeengekomen dat het dienstverband van [werknemer] eindigt per 3 oktober 2023. De beëindigingsovereenkomst bevat een finaal kwijtingsbeding, waarover hierna meer. [werknemer] heeft geen gebruik gemaakt van zijn recht om deze overeenkomst binnen veertien dagen na de datum van totstandkoming, te ontbinden.



2.19.
Zowel [werknemer] als [werkgever] heeft zich tijdens de onderhandelingen voorafgaand aan de totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst laten bijstaan door een advocaat.



2.20.
Het finaal kwijtingbeding luidt als volgt (onderstreping kantonrechter):


“(…)10.6 Door ondertekening van de Overeenkomst verklaart Werknemer uitdrukkelijk dat (a) hij een goed en volledig begrip heeft van de inhoud en consequenties van de Overeenkomst, (b) hij instemt met de inhoud en consequenties van de Overeenkomst, (c) hij de gelegenheid heeft gehad zich te laten bijstaan c.q. adviseren door een juridisch adviseur en (d) geen feiten en/of omstandigheden heeft verzwegen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed hadden kunnen zijn op de inhoud van de Overeenkomst, in het bijzonder de hoogte van de vergoeding.




10.7

Met inachtneming van het vorenstaande verlenen Partijen elkaar over en weer algehele en finale kwijting ter zake van de arbeidsovereenkomst en/of het einde daarvan en alles wat daaruit direct of indirect kan voortvloeien. Deze finale kwijting ziet tevens uitdrukkelijk op, maar is niet beperkt tot, de tot de groep van de Werkgever behorende vennootschappen.
Van deze finale kwijting is uitdrukkelijk uitgezonderd de aanspraken uit het op dit moment tussen Werkgever en Werknemer lopende geschil, alsmede eventueel toekomstige geschillen, met betrekking tot de ziekte c.q. letsel c.q. schade van Werknemer als gevolg van een bedrijfsongeval, waarvoor Werknemer Werkgever aansprakelijk houdt/zal houden en waarbij Werkgever enige aansprakelijkheid ontkent, ongeacht de grondslag waarop de aansprakelijkheid ten aanzien van het vermeende bedrijfsongeval wordt gebaseerd.


Van de finale kwijting is tevens uitgezonderd de zogenaamde CHUBB uitkering, bij Partijen genoegzaam bekend. (…)”




2.21.
Op 15 december 2023 heeft [werknemer] een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend. Bij beschikking van de kantonrechter in deze rechtbank van 1 mei 2024 is het verzoek van [werknemer] afgewezen. De kantonrechter heeft het volgende overwogen:

“5.4. (…) Op vragen van de kantonrechter wat de grondslag is waarop [werknemer] zijn vordering zal baseren, heeft [werknemer] concreet gemaakt voornemens te zijn een werkgeversaansprakelijkheidsprocedure tegen [werkgever] te starten omdat hij meent dat [werkgever] zich niet als goed werkgever heeft gedragen conform artikel 7:611 BW dan wel haar zorgplicht ex artikel 7:658 lid 1 BW heeft geschonden. Daarmee is sprake van vorderingen betreffende de arbeidsovereenkomst, zoals die tussen [werknemer] en [werkgever] heeft bestaan en de invulling van het werkgeverschap door [werkgever] in dat kader en de beëindiging daarvan en dat is nu juist waar de kwijtingsbepaling van artikel 10.7 van de vaststellingsovereenkomst specifiek op ziet. [werknemer] heeft ook geen andere feiten en omstandigheden aan zijn verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor ten grondslag gelegd dan die welke reeds bij het tot stand komen van de beëindigingsovereenkomst bekend waren. Partijen hebben elkaar over en weer algehele en finale kwijting verleend ter zake van de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging daarvan en alles wat daaruit direct of indirect kan voorvloeien. Wel hebben partijen van de finale kwijting uitgesloten aanspraken met betrekking tot het bedrijfsongeval van 9 januari 2022. [werkgever] heeft in haar verweerschrift en ter zitting gewezen op de door [werknemer] geparafeerde ‘bijlage vso’ bij de vaststellingsovereenkomst en betoogd dat het bedrijfsongeval specifiek ziet op de val van de trap op 9 januari 2022. [werknemer] heeft dit niet bestreden zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. De vorderingen die [werknemer] overweegt in te stellen, zien aldus op de afhandeling door [werkgever] van het conflict tussen hem en mevrouw [collega] waarvoor partijen elkaar over en weer finale kwijting hebben verleend. De afhandeling ziet niet op het bedrijfsongeval dat uitgesloten is van de finale kwijting. De vorderingen die [werknemer] overweegt in te stellen betreffen de uitoefening van het werkgeverschap door [werkgever] en het beëindigen van de arbeidsovereenkomst terwijl partijen elkaar over en weer finale kwijting hebben verleend voor alle vorderingen die direct of indirect uit deze rechtsverhouding kunnen voortvloeien. Nu de door [werknemer] voorgenomen vorderingen afstuiten op de overeengekomen finale kwijting en derhalve geen kans van slagen hebben, heeft [werknemer] ook geen belang als bedoeld in artikel 3:303 BW bij het bevelen van een op deze vorderingen gebaseerd voorlopig getuigenverhoor zodat de kantonrechter het verzoek zal afwijzen.”




2.22.

[werknemer] is in hoger beroep gekomen van deze beschikking. Bij beschikking van 28 november 2024 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.
Het gerechtshof heeft (onder meer) overwogen:

“(…) 3.5.5. Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten. In die overeenkomst hebben zij elkaar “algehele en finale kwijting [verleend] ter zake van de arbeidsovereenkomst en/of het einde daarvan en alles wat daaruit direct of indirect kan voortvloeien”. Van die kwijting zijn volgens de overeenkomst uitgezonderd “de aanspraken uit het op dit moment tussen Werkgever en Werknemer lopende geschil, alsmede eventueel toekomstige geschillen, met betrekking tot de ziekte c.q. letsel c.q. schade van Werknemer als gevolg van een bedrijfsongeval (…)”. Dat met “een bedrijfsongeval” de val van de trap (verder “de val”) op 9 januari 2022 wordt bedoeld is tussen partijen niet in geschil.


3.5.6.


[werknemer] heeft met zijn eerste grief – samengevat – betoogd dat een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor niet de juiste procedure is (voor de rechtbank) om zich uit te laten over het kwijtingsbeding en dat de rechtbank het kwijtingsbeding ten onrechte juridisch inhoudelijk heeft behandeld. Deze grief treft geen doel.



3.5.7.

Dat een eindoordeel over het kwijtingsbeding aan de bodemrechter (indien en voor zover aan deze voorgelegd) is voorbehouden, is natuurlijk juist. Maar dat neemt niet weg dat – totdat een bodemrechter heeft geoordeeld – het een vaststaand feit is, dat het kwijtingsbeding onderdeel is van de door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Ook in het kader van een verzoek als het onderhavige zal dat feit, mede, in de beoordeling moet worden betrokken. Het kwijtingsbeding kan, met andere woorden, niet zomaar weggedacht of buiten beschouwing gelaten worden.



3.5.8.

Met zijn vierde grief komt [werknemer] op tegen de door de rechtbank vastgestelde uitleg van het kwijtingsbeding. Ook die grief treft geen doel. Volgens [werknemer] zijn van de kwijting uitgesloten “ziekte” (ook zijn ziekte voorafgaand aan de val), “letsel (in het algemeen)” (naar het hof begrijpt dus ook ander letsel dan als gevolg van de val) en “schade van werknemer als gevolg van het ongeval” (beroepschrift randnummer 37). [werknemer] onderbouwt dit met de verwijzing naar de in de kwijtingsbepaling veelgebruikte afkorting “c.q.” Het hof is voorshands van oordeel dat de door [werknemer] aan de uitzondering op het kwijtingsbeding gegeven uitleg (veel) te ruim, en daarmee zijn uitleg van het kwijtingsbeding zelf te beperkt is en geen steun vindt in de tekst van de bepaling. Niet alleen schade van de werknemer moet het gevolg zijn de val om van de kwijting te zijn uitgesloten. Datzelfde geldt naar het oordeel van het hof ook voor ziekte van de werknemer en letsel van de werknemer. Dat in de tekst de afkorting “c.q.” meermalen is gebruikt, maakt dit niet anders, nu die afkorting in een tekstsamenstelling als deze in het normale spraakgebruik doorgaans wordt gelezen als “en/of”. Dat in dit geval een andere betekenis aan de afkorting (en daarmee de bepaling als geheel) toekomt is door [werknemer] onvoldoende onderbouwd.



3.5.9.

Het voorgaande brengt met zich dat het hof er voorshands van uit moet gaan dat partijen hebben afgesproken dat alle ziekte en/of letsel en/of schade, die niet is of zijn veroorzaakt door de val, onder de in de vaststellingsovereenkomst verleende kwijting vallen.



3.5.10.

Voor zover [werknemer] wil onderzoeken of [werkgever] aansprakelijk gehouden kan worden voor het handelen van mevrouw [collega] en de wijze waarop [werkgever] daar vervolgens mee is omgegaan geldt dat dit zich allemaal voorafgaand aan de val heeft afgespeeld. Hieruit voortvloeiende ziekte, letsel en/of schade kunnen reeds daarom geen gevolg zijn van de val. Eventuele daarop gegronde vorderingen vallen naar het voorshands oordeel van het hof onder de verleende finale kwijting. Hoewel, zoals hiervoor overwogen (r.o. 3.5.7.), een definitief oordeel over de reikwijdte van de kwijting aan de bodemrechter is voorbehouden, is naar het oordeel van het hof, bij de huidige stand van zaken, de kans dat vorderingen op deze grondslag in de bodemprocedure op de kwijting zullen afketsen dermate groot, dat het in strijd met de eisen van een goed procesorde is om daar nu al getuigen over te gaan horen.



3.5.11.

Gebeurtenissen van voor de val zouden wel onderwerp van voorlopig getuigenverhoren kunnen zijn indien en voor zover [werknemer] daarmee zou willen aantonen dat er enig (belangrijk) oorzakelijk verband tussen die omstandigheden en zijn latere val bestaat (op grond waarvan dan mogelijk aansprakelijkheid van [werkgever] voor de val, en de gevolgen daarvan, zou kunnen worden vastgesteld). Dat zo’n oorzakelijk verband bestaat en waar dat dan in zou bestaan heeft [werknemer] echter niet (voldoende) concreet en gemotiveerd gesteld. Ook zien de door [werknemer] bij elke voorgestelde getuige beschreven mogelijke onderwerpen van vraagstelling niet op een dergelijke oorzakelijk verband. Ook in dat licht bezien zal het hof het verzoek afwijzen. (…)”








3Het geschil


3.1.

[werknemer] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


voor recht te verklaren dat [werkgever] op grond van artikel 7:658 BW dan wel artikel 7:611 BW aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade van [werknemer] als gevolg van de val van de trap van 9 januari 2022;


voor recht te verklaren dat de gedragingen van mevrouw [collega] en de wijze waarop [werkgever] daarmee is omgegaan niet onder het finaal kwijtingsbeding in de beëindigingovereenkomst vallen;



[werkgever] te veroordelen in de proces- en nakosten, vermeerderd met rente.





3.2.

[werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.






4De beoordeling


Rechtsmacht en toepasselijk recht


4.1.
De zaak heeft internationale aspecten. [werknemer] woont in België en [werkgever] is gevestigd te [plaats 2] in Nederland. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of zij als Nederlandse rechter in internationale zin bevoegd is van het geschil kennis te nemen. Als dat het geval is, moet vervolgens worden beoordeeld welk rechtsstelsel van toepassing is.



4.2.
De bevoegdheidsvraag dient aan de hand van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo) te worden beantwoord. Op grond van artikel 21 EEX-Vo dient de werkgever te worden opgeroepen voor het gerecht in de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft. [werkgever] is statutair gevestigd te [plaats 2] . De kantonrechter is als Nederlandse rechter dan ook bevoegd van het geschil kennis te nemen.



4.3.
De vraag welk rechtsstelsel van toepassing is, moet worden beantwoord aan de hand van Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I). Uitgangspunt is dat het recht van toepassing is dat partijen uitdrukkelijk hebben gekozen (artikel 3 Rome I). Partijen zijn in artikel 10.8 van de beëindigingsovereenkomst overeengekomen dat op deze overeenkomst en alle eventueel daaruit voortvloeiende of daarmee verband houdende geschillen Nederlands recht van toepassing is. De vordering die ziet op de vraag of de manier waarop [werkgever] met de kwestie tussen [werknemer] en mevrouw [collega] is omgegaan al dan niet onder het finaal kwijtingsbeding valt, moet dan ook met toepassing van Nederlands recht worden beoordeeld. Dit geldt ook voor de vraag of [werkgever] aansprakelijk is voor de door [werknemer] als gevolg van de val van de trap geleden schade. De rechtskeuze in de beëindigingsovereenkomst ziet niet (ook) op deze kwestie, maar ook als partijen in de arbeidsovereenkomst niet voor de toepasselijkheid van Nederlands recht hebben gekozen, dan volgt de toepasselijkheid van Nederlands recht uit artikel 8 lid 2 van de Verordening.


Waar gaat het in deze zaak om?



4.4.
In deze zaak spelen twee kwesties. De eerste kwestie ziet op de vraag of [werkgever] aansprakelijk is voor de door [werknemer] geleden schade als gevolg van de val van de trap. De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] daarvoor niet aansprakelijk is. De tweede kwestie ziet op de vraag hoe het tussen partijen overeengekomen kwijtingsbeding dient te worden uitgelegd; heeft dit ook betrekking op het handelen van [werkgever] jegens [werknemer] aangaande de gebeurtenis met mevrouw [collega] , of niet? De kantonrechter is van oordeel dat de wijze waarop [werkgever] hiermee is omgegaan onder het finaal kwijtingsbeding valt. Alle vorderingen van [werknemer] worden daarom afgewezen. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot deze oordelen is gekomen.


Val van de trap



Toetsingskader



4.5.
In artikel 7:658 lid 1 BW is bepaald dat de werkgever, [werkgever] in dit geval, verplicht is de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. In lid 2 van dit artikel is bepaald dat de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Op de werkgever rust de stelplicht en bewijslast van feiten en/of omstandigheden waaruit dit volgt.



4.6.
Het uitgangspunt is dus dat de werkgever aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW omvat een vergaande aansprakelijkheid voor gevaarzetting en de drempel voor aansprakelijkheid is laag. Artikel 7:658 BW beoogt echter niet de werknemer een absolute waarborg te bieden voor bescherming tegen gevaar. De bepaling heeft blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad tot strekking een zorgplicht in het leven te roepen en verplicht de werkgever voor het verrichten van arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De zorgplicht gaat dus niet zo ver dat de werkgever zijn werknemers tegen iedere vorm van gevaar moet beschermen en hen absolute veiligheid moet bieden bij de uitoefening van hun werkzaamheden. Hetgeen van de werkgever in redelijkheid mag worden verwacht, hangt af van de omstandigheden van het geval. Een werkgever dient daarbij tevens rekening te houden met “de ervaringsregel”, inhoudende dat het dagelijks verkeren van een werknemer in een bepaalde werksituatie tot een vermindering leidt van de raadzame voorzichtigheid. Dit geldt in het bijzonder in gevallen waarin aanzienlijke risico’s zijn verbonden aan de door de werknemer verrichte werkzaamheden.

Stap 1: Is sprake van een bedrijfsongeval?



4.7.
Allereerst dient de werknemer te stellen en - bij voldoende gemotiveerde betwisting door de werkgever - te bewijzen (dat wil zeggen: voldoende aannemelijk moeten maken) dat hij schade heeft geleden tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. Dat [werknemer] schade heeft geleden tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden, staat niet ter discussie. Er is immers sprake van een ongeval dat heeft plaatsgevonden tijdens de uitoefening van de werkzaamheden in het bedrijf van [werkgever] . Partijen zijn het daarover eens.


Stap 2: Heeft [werkgever] voldaan aan haar zorgplicht?



4.8.
Als sprake is van een bedrijfsongeval, zoals in deze zaak, is de werkgever aansprakelijk, tenzij de werkgever stelt en - bij voldoende betwisting door de werknemer - bewijst dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Met andere woorden, [werkgever] moet stellen, en bij voldoende betwisting, bewijzen dat zij de maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd om het ontstaan van de schade te voorkomen.



4.9.

[werkgever] stelt dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. Zij stelt hiertoe dat de trap veilig is ingericht. Het betreft volgens [werkgever] een normale stalen stevige trap, waarvan iedere trede is voorzien van anti-slipmateriaal. Daarnaast is de trap aan weerszijden voorzien van een stalen stevige leuning. Door middel van een boven de leuning aan de kant van de muur hangend bord wordt duidelijk gemaakt dat een ieder de trapleuning moet vasthouden. Van een struikelrisico was geen sprake. Nooit zijn er met betrekking tot de trap in de risico-inventarisaties risico’s gesignaleerd. De val van de trap hoort thuis in de categorie huis- tuin- en keukengevaren waarvoor een werkgever niet kan of hoeft te waarschuwen, aldus [werkgever] .



4.10.
De kantonrechter stelt vast dat [werknemer] deze stellingen van [werkgever] over de veiligheid van de trap als zodanig niet heeft bestreden. Bij de verdere beoordeling dient dan ook tot uitgangspunt dat de trap op zichzelf aan de daaraan te stellen veiligheidseisen voldoet en dat [werkgever] daarenboven, door ook nog duidelijk te maken dat de leuning moet worden gebruikt, afdoende maatregelen heeft genomen om redelijkerwijs te voorkomen dat haar werknemers schade lijden. Dat leidt dan in beginsel tot de conclusie dat [werkgever] voldoende heeft onderbouwd dat zij aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan. In ieder geval is geen sprake van een situatie waarin de trap als zodanig een veiligheidsrisico oplevert waarvoor [werkgever] meer of andere maatregelen had behoren te treffen dan zij heeft gedaan.



4.11.
Desondanks betwist [werknemer] dat [werkgever] in zijn geval aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan. Volgens [werknemer] wist [werkgever] dat hij last had van duizeligheidsklachten en wazig zien, reden waarom zij hem überhaupt niet had mogen blootstellen aan het risico dat hij van de trap zou vallen. [werkgever] had zonder enige moeite voorzorgsmaatregelen kunnen nemen, door [werknemer] op de begane grond zijn werkzaamheden te laten uitvoeren, zo betoogt [werknemer] . [werknemer] wijst in dit verband erop dat hij [werkgever] in zijn e-mail van 13 december 2021 heeft laten weten dat hij last had van duizeligheid en wazig zien. Daarnaast heeft hij verwezen naar het door hem als productie 16 in het geding gebrachte medisch verslag van de bedrijfsarts. Ten slotte heeft [werknemer] (overigens voor het eerst) ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hieraan toegevoegd dat hij ook geregeld tegen zijn leidinggevende heeft gezegd dat hij duizelig was.



4.12.
Ook als de kantonrechter, hoewel dat niet vast staat, veronderstellenderwijs aanneemt dat [werknemer] als gevolg van duizeligheid en wazig zien van de trap is gevallen, kan een en ander niet het oordeel dragen dat [werkgever] de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] ook in dat geval, in het licht van de betwisting door [werknemer] , voldoende heeft onderbouwd dat zij aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan. In de gegeven omstandigheden was geen sprake van een situatie waarin redelijkerwijs van [werkgever] mocht worden verwacht dat zij een werkplek voor [werknemer] op de begane grond zou regelen. De kantonrechter legt dit oordeel hierna uit.



4.13.
Het staat vast, want [werkgever] heeft dat onweersproken gesteld, dat [werknemer] niet aan [werkgever] heeft gevraagd om zijn re-integratiewerkzaamheden op de begane grond te mogen verrichten. Op basis van de e-mail van [werknemer] van 13 december 2021 hoefde [werkgever] niet erop bedacht te zijn dat [werknemer] van de trap zou kunnen vallen en dat [werkgever] dus een werkplek diende te regelen voor [werknemer] op de begane grond. [werknemer] noemt in die e-mail weliswaar dat hij last heeft van duizeligheid en wazig zien, maar [werkgever] heeft terecht erop gewezen dat hij in deze e-mail melding maakt van klachten die hij bij het lezen van e-mails ervaart. [werkgever] hoefde niet erop bedacht te zijn dat [werknemer] ook buiten het lezen van zijn e-mails om last had van duizeligheid en wazig zien, laat staan dat zij erop bedacht had moeten zijn dat [werknemer] in zodanige mate last daarvan had dat dit een risico op valgevaar opleverde.



4.14.
Uit de bij [werkgever] bekende rapporten / adviezen van de bedrijfsarts volgt ook niet dat [werkgever] had moeten begrijpen dat zij moest voorzien in een werkplek op de begane grond. Er staat niets in over duizeligheidsklachten of andere klachten die erop wijzen dat [werknemer] traplopen dient te vermijden vanwege het risico op vallen. De door [werknemer] als productie 16 in het geding gebrachte door de bedrijfsarts opgestelde medische notitie naar aanleiding van het consult op 27 december 2021, leidt niet tot een ander oordeel. [werknemer] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling namelijk erkend dat dit een notitie uit zijn medisch dossier betreft, die de bedrijfsarts niet naar [werkgever] heeft gezonden. [werkgever] was met de inhoud daarvan dus niet bekend. Overigens wordt in deze notitie geen melding gemaakt van duizeligheidsklachten.



4.15.
Hiervoor is al aan de orde geweest dat [werknemer] voor het eerst ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aan zijn bij dagvaarding ingenomen stellingen heeft toegevoegd dat hij ook geregeld tegen zijn leidinggevende, de heer [leidinggevende 2] , heeft gezegd dat hij last had van duizeligheidsklachten. [werkgever] heeft dit weersproken. Echter, ook als na bewijslevering vast zou komen te staan, dat [werknemer] in december 2021 / januari 2022 herhaaldelijk tegen de heer [leidinggevende 2] heeft gezegd dat hij last had van duizeligheid(sklachten) is dit onvoldoende om tot het oordeel te komen dat [werkgever] de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. Voor dit oordeel is het volgende redengevend.



4.16.

[werknemer] stelt niet dat hij tegen zijn leidinggevende heeft gezegd dan wel dat voor deze duidelijk moet zijn geweest dat [werknemer] deze klachten constant, dus niet alleen bij het lezen van e-mails, had. Ook stelt hij niet dat hij tegen zijn leidinggevende heeft gezegd althans dat voor deze duidelijk moet zijn geweest dat zijn klachten van dien aard waren dat deze het traplopen belemmeren. In dit verband overweegt de kantonrechter dat noch uit het Kelderluik arrest noch uit andere rechtspraak van de Hoge Raad (ook niet de door [werknemer] aangehaalde uitspraken van 11 november 2005, ECLI:NL:2005:AU3313 en van 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3519) over aansprakelijkheid van werkgevers, volgt dat een werkgever op basis van de enkele mededeling van een werknemer over duizeligheid, want concreter is [werknemer] op dit punt niet geworden, ervoor moet zorgen dat de werknemer geen (op zichzelf veilige) trap die aan weerszijden van een leuning is voorzien, meer hoeft te lopen.



4.17.
Daarbij geldt dat duizeligheid (en wazig zien, maar daarvoor geldt dat [werknemer] niet heeft gesteld dat hij hierover iets tegen de heer [leidinggevende 2] heeft gezegd) nou typisch klachten zijn die qua ernst in velerlei verschijningsvormen kunnen optreden. Daarom kan niet worden gezegd dat een werkgever te allen tijde dan wel in alle gevallen erop bedacht moet zijn dat hierdoor een groter risico op valgevaar bestaat en dat dus veiligheidsmaatregelen moeten worden getroffen inhoudend dat de werkgever moet voorkomen dat de werknemer moet traplopen. Dit hangt af van de informatie die de werkgever in voorkomend geval heeft over de aard en ernst van de klachten. Hierover heeft [werknemer] , zoals gezegd, niet meer gesteld dan dat hij tegen de heer [leidinggevende 2] heeft gezegd dat hij last had van duizeligheid. Hij heeft niets gesteld over de verdere inhoud van zijn meldingen. Zo stelt hij niet dat hij de heer [leidinggevende 2] heeft geïnformeerd over de ernst van zijn duizeligheid. Ook stelt [werknemer] niet dat hij (bijvoorbeeld) heeft gezegd dat hij bang is om te vallen. Ten slotte heeft [werknemer] ook overigens niet geconcretiseerd wat hij tegen zijn leidinggevende heeft gezegd. Er zijn in ieder geval geen feiten of omstandigheden gesteld over de inhoud van die gesprekken die maken dat, zo een en ander vast zou komen te staan, kan worden geconcludeerd dat [werkgever] (in de persoon van de heer [leidinggevende 2] althans op basis van diens informatie over hoe het met [werknemer] ging) had moeten zorgen voor een werkplek op de begane grond. Die conclusie kan pas worden getrokken op het moment dat voor [werkgever] kenbaar was althans op het moment dat zij erop bedacht had moeten zijn dat [werknemer] bij het opgaan dan wel afgaan van de trap een groter risico op vallen zou lopen dan normaliter het geval zou zijn geweest. Het beroep van [werknemer] op de uitspraak van deze rechtbank van 30 maart 2022 slaagt dan ook niet. Zo uit dat vonnis zou moeten worden afgeleid dat de enkele melding over duizeligheid ertoe moet leiden dat een werkgever ervoor moet zorgen dat de betreffende werknemer geen op zichzelf veilige trap (meer) hoeft te lopen, dan volgt de kantonrechter dat niet, nu dat niet uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt.



4.18.
Uit al het voorgaande volgt dat [werkgever] , ook in het geval ervan zou moeten worden uitgegaan dat de val van [werknemer] is veroorzaakt door duizeligheidsklachten en / of wazig zien, in het licht van de betwisting daarvan door [werknemer] voldoende heeft onderbouwd dat zij aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan. Daarom is zij noch op grond van artikel 7:658 BW noch op grond van artikel 7:611 BW aansprakelijk voor de door [werknemer] als gevolg van de trap geleden en te lijden schade. De conclusie is dan ook dat de op dit punt gevorderde verklaring voor recht, dient te worden afgewezen.


Finaal kwijtingsbeding




4.19.
De in verband met het finaal kwijtingsbeding gevorderde verklaring voor recht is hoe dan ook niet toewijsbaar voor zover deze ziet op de gedragingen van mevrouw [collega] . Zij was immers geen partij bij de beëindigingsovereenkomst waarin het beding is opgenomen en zij is ook geen partij in deze procedure. Voor zover de vordering ertoe strekt dat voor recht wordt verklaard dat de manier waarop [werkgever] met de kwestie tussen [werknemer] en mevrouw [collega] is omgegaan, niet onder het finaal kwijtingsbeding valt, geldt het volgende.



Toetsingskader



4.20.
Bij de beantwoording van vraag of [werknemer] door middel van het finaal kwijtingsbeding afstand heeft gedaan van een eventuele vordering op [werkgever] vanwege haar handelen jegens [werknemer] inzake de kwestie tussen hem en mevrouw [collega] , komt het aan op de uitleg van het kwijtingsbeding. De vraag is dus wat in deze zaak de reikwijdte is van het kwijtingsbeding. Met andere woorden: ziet het ook op een eventuele vordering van [werknemer] op [werkgever] in verband met de hiervoor genoemde kwestie?



4.21.
De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.



4.22.

[werknemer] stelt dat hij schade heeft geleden als gevolg van de manier waarop [werkgever] met de situatie tussen hem en mevrouw [collega] is omgegaan. Volgens hem is [werkgever] daarvoor aansprakelijk en ziet de door hem in de beëindigingsovereenkomst aan [werkgever] verleende finale kwijting niet op de vordering die hij uit hoofde van de kwestie met mevrouw [collega] op [werkgever] stelt te hebben. [werknemer] verwijst hiertoe naar rechtspraak van onder andere de Hoge Raad, naar diverse conclusies van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad en naar literatuur over dit onderwerp. Volgens hem volgt daaruit dat [werkgever] niet erop mocht vertrouwen dat hij afstand wilde doen van de (door hem gestelde) vordering, onder andere omdat [werknemer] niet eens wist dat hij uit hoofde van de kwestie met mevrouw [collega] mogelijk een vordering op [werkgever] heeft. [werknemer] stelt in dit kader ook dat [werkgever] niet heeft nagevraagd of voor [werknemer] duidelijk was dat hij afstand deed van aanspraken die op dat moment nog niet duidelijk waren. Daarbij wijst hij ook erop dat [werkgever] in eerdere procedures het standpunt heeft ingenomen dat zij niet bekend was met mogelijke vorderingen voortvloeiend uit de kwestie met mevrouw [collega] . Daaruit volgt volgens hem dat dit niet onder het finaal kwijtingsbeding valt. Verder stelt hij dat de door hem ontvangen beëindigingsvergoeding niet is verhoogd vanwege de door hem verleende finale kwijting. Ten slotte stelt hij dat de kwestie met mevrouw [collega] niet los kan worden gezien van de val van de trap, aangezien [werknemer] als gevolg van haar gedrag en de verwijten die [werkgever] hem, zo stelt hij, vervolgens maakte, arbeidsongeschikt is geraakt.



4.23.

[werkgever] betwist de stellingen van [werknemer] . Volgens haar zijn uitsluitend aanspraken uit hoofde van de val van de trap en de CHUBB uitkering uitgezonderd van het finaal kwijtingsbeding. Daarbij geldt volgens [werkgever] dat de door [werknemer] bepleite samenhang tussen de val van de trap en de kwestie met mevrouw [collega] niet bestaat, althans dat niet kan worden volgehouden dat dit laatste om die reden onder het finaal kwijtingsbeding valt.



4.24.
Bij de beoordeling neemt de kantonrechter tot uitgangspunt, want daarover zijn partijen het eens, dat beide partijen voorafgaand aan en bij de totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst rechtsbijstand hadden. Zowel [werknemer] als [werkgever] werd bijgestaan door een advocaat. Tijdens de mondelinge behandeling is vast komen te staan dat [werknemer] destijds werd bijgestaan door een andere advocaat dan zijn huidige advocaat en dat [werkgever] tijdens de onderhandelingen werd bijgestaan door de advocaat die haar ook in deze procedure bijstaat. Ook neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat de onderhandelingen over de inhoud van de beëindigingsovereenkomst door de advocaten zijn gevoerd, die daarbij ruggenspraak hebben gehouden met hun respectieve cliënten. Dit hebben beide partijen namelijk verklaard. Over de inhoud van die onderhandelingen overweegt de kantonrechter het volgende.



4.25.
Tijdens de mondelinge behandeling is vast komen te staan, want [werkgever] heeft dat onweersproken gesteld, dat de onderhandelingen telefonisch zijn gevoerd buiten aanwezigheid van partijen zelf. [werknemer] heeft tijdens de mondelinge behandeling hierover verklaard dat hij niet in staat is om iets te zeggen over hoe de onderhandelingen (inhoudelijk) zijn verlopen. Ook heeft hij verklaard dat hij destijds door zijn advocaat wel steeds over het verloop en de inhoud van de onderhandelingen is bijgepraat en is geïnformeerd. Tevens heeft [werknemer] verklaard dat hij ten tijde van de onderhandelingen ook al heel boos was op [werkgever] , vanwege de manier waarop zij hem tijdens het gesprek op 25 mei 2021 over de situatie met mevrouw [collega] heeft bejegend en over de inhoud van de brief van 10 juni 2021 die [werkgever] naar aanleiding van het gesprek naar [werknemer] heeft verzonden.



4.26.
Verder geldt dat tussen partijen niet in geschil is dat de kwestie rondom mevrouw [collega] en de wijze waarop [werkgever] daarmee om is gegaan niet expliciet onderwerp van gesprek was tijdens de onderhandelingen. Wel heeft de toenmalige advocaat van [werknemer] , zoals [werkgever] onweersproken heeft gesteld, tijdens de onderhandelingen aan de orde gesteld dat [werkgever] een hogere beëindigingsvergoeding dan de transitievergoeding moest betalen, “omdat [werknemer] ziek was geworden door alles wat er op het werk was gebeurd”. [werkgever] heeft ook onweersproken gesteld dat zij het niet zag zitten om een hogere vergoeding te betalen, omdat zij vond (en vindt) dat zij op geen enkele manier ernstig verwijtbaar jegens [werknemer] heeft gehandeld, maar dat uiteindelijk een vergoeding is overeengekomen die € 3.000,00 à € 4.000,00 hoger was dan de wettelijke transitievergoeding. Hoewel [werknemer] bij dagvaarding heeft gesteld dat hij een “standaard transitievergoeding” heeft ontvangen, heeft hij tijdens de mondelinge behandeling de door [werkgever] geschetste gang van zaken over de onderhandelingen over de beëindigingsvergoeding en de hoogte van het uiteindelijk overeengekomen bedrag in relatie tot de transitievergoeding, niet bestreden. De kantonrechter gaat daarom ervan uit dat de overeengekomen beëindigingsvergoeding € 3.000,00 à € 4.000,00 hoger was dan de transitievergoeding waarop [werknemer] op dat moment aanspraak had en dat deze is betaald omdat [werknemer] “ziek was geworden door alles wat er op het werk was gebeurd.” Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen op basis waarvan kan worden aangenomen dat dit laatste niet (ook) ziet op de kwestie [collega] . Deze kwestie is in ieder geval niet (uitdrukkelijk) hiervan uitgezonderd.



4.27.
Afgezien daarvan geldt dat het feit dat de kwestie [collega] niet expliciet is besproken, in de gegeven omstandigheden niet betekent dat [werkgever] redelijkerwijs niet erop mocht vertrouwen dat [werknemer] door in te stemmen met het finaal kwijtingsbeding waarvan enkel uitdrukkelijk is uitgezonderd een vordering uit hoofde van de val van de trap en uit hoofde van de CHUBB-uitkering, afstand heeft willen doen van mogelijke vorderingen uit dien hoofde. Integendeel.


4.28.
Partijen hebben de tekst van het finaal kwijtingsbeding ruim geformuleerd. Zij zijn overeengekomen dat zij elkaar over en weer algehele en finale kwijting ter zake van de arbeidsovereenkomst en/of het einde daarvan en alles wat daaruit direct of indirect kan voortvloeien, verlenen. Hierop hebben [werknemer] en [werkgever] vervolgens twee uitzonderingen gemaakt, te weten “de aanspraken uit het op dit moment tussen Werkgever en Werknemer lopende geschil, alsmede eventueel toekomstige geschillen, met betrekking tot de ziekte c.q. letsel c.q. schade van Werknemer als gevolg van een bedrijfsongeval, waarvoor Werknemer Werkgever aansprakelijk houdt/zal houden en waarbij Werkgever enige aansprakelijkheid ontkent, ongeacht de grondslag waarop de aansprakelijkheid ten aanzien van het vermeende bedrijfsongeval wordt gebaseerd.” en de CHUBB uitkering. Ten aanzien van de kwestie rondom mevrouw [collega] is geen uitzondering gemaakt.



4.29.
De kwestie rondom mevrouw [collega] en de wijze waarop [werkgever] daarmee is omgegaan speelde in mei/juni 2021 en was dus ten tijde van de onderhandelingen en totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst in 2023 al jarenlang bij beide partijen bekend. Naast de gesprekken die partijen hierover hebben gevoerd, hebben zij ook een mediationtraject doorlopen over deze kwestie. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de contacten tussen partijen sinds deze kwestie moeizaam en lastig verliepen, omdat [werknemer] boos was (en is gebleven) over de manier waarop [werkgever] hem in dezen heeft behandeld. Sterker nog, [werknemer] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling zelf verklaard. Als [werknemer] ook deze kwestie had willen uitzonderen van het kwijtingsbeding, had het op zijn weg gelegen om dat tijdens de onderhandelingen (via zijn advocaat) aan de orde te stellen.



4.30.
Dit klemt te meer nu [werknemer] (via zijn advocaat) heel duidelijk heeft gemaakt dat hij niet akkoord kon en wilde gaan met de door [werkgever] gewenste algehele finale kwijting en dat hij een mogelijke vordering uit hoofde van de val van de trap daarvan wilde uitsluiten. Ook is een mogelijke vordering voortvloeiend uit de CHUBB-uitkering op initiatief van [werknemer] , zo heeft [werkgever] onweersproken gesteld, uitgesloten van het kwijtingsbeding. Bij deze stand van zaken kan niet worden volgehouden dat [werkgever] desondanks rekening ermee moest houden dat [werknemer] geen afstand wilde doen van een mogelijke vordering in verband met de kwestie mevrouw [collega] . Zij mocht redelijkerwijs erop vertrouwen dat [werknemer] in dat geval tijdens de onderhandelingen kenbaar zou hebben gemaakt dat hij ook voor deze kwestie een uitzondering op het kwijtingsbeding wenste. Dat is niet gebeurd. Daarom mocht [werkgever] redelijkerwijs verwachten dat [werknemer] , net als zij, alle overige onderwerpen - waaronder de kwestie met mevrouw [collega] onder het finaal kwijtingsbeding schaarde. Hierbij is ook van belang dat [werkgever] , zoals zij tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft verklaard, tijdens de onderhandelingen heeft gezegd dat zij vanwege het lange ziektedossier van [werknemer] van ruim twee jaar en de situatie vóórafgaand aan de val van de trap, een zo ruim mogelijk kwijtingsbeding wilde afspreken en dat zij, omdat [werknemer] de val van de trap en de CHUBB-uitkering daarvan wilde uitzonderen, hiermee heeft ingestemd.



4.31.

[werknemer] stelt weliswaar ook nog dat hij destijds nog niet bekend was met het feit dat hij uit hoofde van deze kwestie mogelijk een vordering had op [werkgever] , maar hiervoor geldt dat hij hierover informatie had kunnen inwinnen. Hij had immers rechtsbijstand. Dat de toenmalige advocaat van [werknemer] niet op de hoogte was van alle details over de kwestie [collega] , maakt dit oordeel niet anders. Hierover had [werknemer] zijn advocaat kunnen informeren. De stelling van [werknemer] dat [werkgever] hem had moeten informeren over het feit dat hij mogelijk een vordering had vanwege deze kwestie, volgt de kantonrechter niet. Die opvatting vindt geen steun in het recht. Dat zou immers feitelijk betekenen dat een werkgever op moet treden als juridisch adviseur van de werknemer en zó ver reikt de op een werkgever rustende verplichting om zich, ook in het kader van de onderhandelingen over een beëindigingsovereenkomst, als goed werkgever te gedragen niet. Hetzelfde geldt voor de stelling dat [werkgever] (in ieder geval) bij [werknemer] had moeten verifiëren of hij de kwestie mevrouw [collega] van het kwijtingsbeding zou willen uitzonderen. Een en ander volgt overigens ook niet uit de door [werknemer] aangehaalde rechtspraak en literatuur.



4.32.
Verder leidt de stelling van [werknemer] dat [werkgever] tijdens de procedures naar aanleiding van zijn verzoek om het houden van een voorlopig getuigenverhoor, (zelf ook) het standpunt heeft ingenomen dat zij niet bekend was met een mogelijke vordering van [werknemer] uit hoofde van de kwestie mevrouw [collega] , tegen de achtergrond van al het voorgaande niet tot het oordeel dat [werkgever] redelijkerwijs mocht verwachten dat [werknemer] , hoewel hij ter zake van de arbeidsovereenkomst en/of het einde daarvan en alles wat daaruit direct of indirect kan voortvloeien, behoudens de twee gemaakte uitzondering, algehele en finale kwijting heeft verleend, geen afstand wilde doen van deze mogelijke vordering. Zoals uit het voorgaande volgt was het aan deze kwestie ten grondslag liggende feitencomplex wel ook bij [werkgever] bekend, net als het feit dat tussen haar en [werknemer] verschil van mening bestond over de vraag of [werkgever] [werknemer] in dezen heeft bejegend op de manier zoals van een goed werkgever mag worden verwacht. Mede hierom mocht [werkgever] juist erop vertrouwen dat ook deze kwestie onder het kwijtingsbeding valt.



4.33.
Ten slotte stelt [werknemer] dat sprake is van samenhang tussen de kwestie mevrouw [collega] en de val van de trap en dat deze samenhang meebrengt dat ook de kwestie mevrouw [collega] onder de finale kwijting valt. [werkgever] betwist dat. [werknemer] heeft in het geheel geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op basis waarvan kan of moet worden geoordeeld dat tijdens de onderhandelingen voor [werkgever] duidelijk was dan wel duidelijk had moeten zijn dat [werknemer] de val van de trap en de kwestie mevrouw [collega] als samenhangend beschouwde en dat deze kwestie in zijn ogen dus ook onder de door hem bepleite uitzondering viel. Bij deze stand van zaken kan niet worden volgehouden dat [werkgever] redelijkerwijs mocht verwachten dat de in het kwijtingsbeding gemaakte uitzondering ten aanzien van de val van de trap óók de kwestie mevrouw [collega] omvatte.



4.34.
Kortom, in de gegeven omstandigheden kon en mocht [werkgever] redelijkerwijs erop vertrouwen dat [werknemer] met het finale kwijtingsbeding bereid was afstand te doen van alle mogelijke vorderingen verband houdend met zijn arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan, met uitzondering van de val van de trap en de CHUBB-uitkering.


Proceskosten




4.35.

[werknemer] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [werkgever] betalen. De proceskosten van [werkgever] worden begroot op:









- salaris gemachtigde





576,00


(2 punten × € 288,00)




- nakosten





144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





720,00














5De beslissing

De kantonrechter:


5.1.
wijst de vorderingen van [werknemer] af,



5.2.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.





Hoge Raad 13 maart 1981, NJ 1981/635 (Haviltex)


Volgens [werknemer] zou hij niet van de trap zijn gevallen als hij niet arbeidsongeschikt was geraakt, hetgeen volgens hem is gebeurd als gevolg van de manier waarop [werkgever] is omgegaan met de kwestie mevrouw [collega] .
Link naar deze uitspraak