Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBLIM:2026:2929 
 
Datum uitspraak:27-03-2026
Datum gepubliceerd:30-03-2026
Instantie:Rechtbank Limburg
Zaaknummers:ROE 23/3687 en ROE 25/147
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Weigering van toestemming voor beveilingswerkzaamheden. De betrouwbaarheid van eiser is volgens de korpschef niet boven iedere twijfel verheven. De rechtbank is van oordeel dat de korpschef onvoldoende heeft gemotiveerd dat in dit geval geen kortere terugkijktermijn moet worden gehanteerd. Het beroep is daarom gegrond. In de beroepsprocedure heeft de korpschef alsnog een deugdelijke motivering gegeven. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen in stand.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummers: ROE 23/3687 en ROE 25/1470

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaken tussen



[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. K.E.J. Dohmen),

en



de korpschef van de politie
(gemachtigde: mr. I. Haagmans).




Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beroepen die eiser heeft ingesteld tegen de weigering van de korpschef om hem de toestemming te verlenen om (beveiligings)werkzaamheden te verrichten. Eiser is het niet eens met die besluiten. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank of de korpschef tot deze besluiten had mogen komen.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep met zaaknummer ROE 23/3687 niet-ontvankelijk is. Het beroep met zaaknummer ROE 25/1470 is gegrond, maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. Dat betekent dat de korpschef mocht besluiten om geen toestemming aan eiser te geven, maar dat de korpschef dit beter had moeten uitleggen. In de beroepsprocedure heeft de korpschef alsnog deze uitleg gegeven. Eiser krijgt daarom ook na deze uitspraak geen toestemming. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Beoordeling door de rechtbank


Waar gaan deze zaken over?


2. Om iemand als beveiliger in dienst te kunnen nemen, moet toestemming gevraagd worden aan de korpschef. Die kijkt of de betreffende persoon voldoende betrouwbaar is om als beveiliger te werken. Eiser wilde tijdens zijn opleiding tot beveiliger bij TK Security werken en na het afronden van die opleiding als beveiliger bij het bedrijf All-in Security. Deze bedrijven hebben daarom toestemming gevraagd aan de korpschef om eiser bij hen te laten werken. Beide aanvragen zijn afgewezen. Omdat eiser het daar niet mee eens was heeft hij tegen die besluiten bezwaar gemaakt. Deze bezwaren hebben niet tot andere besluiten geleid. Het gaat in deze uitspraak dus om 2 zaken, de weigering om eiser te laten werken als beveiliger tijdens zijn opleiding (zaaknummer ROE 23/3687), en de weigering om eiser te laten werken als beveiliger na zijn opleiding (zaaknummer ROE 25/1470).

3. De rechtbank heeft de beroepen op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van partijen deelgenomen.


Heeft eiser nog procesbelang in de zaak met zaaknummer ROE 23/3687?


4. De bestuursrechter hoeft een beroep alleen inhoudelijk te beoordelen als de indiener van dat beroep een reëel en actueel belang heeft bij de uitkomst van zijn procedure. Het doel dat de indiener voor ogen staat, moet met het beroep kunnen worden bereikt en feitelijk van betekenis zijn. In dit geval ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of eiser nog een reëel en actueel belang heeft bij de behandeling van zijn beroep tegen de beslissing op bezwaar die ziet op het werken als beveiliger tijdens zijn opleiding. Zij overweegt daarover het volgende.


4.1.
Uit de stukken is gebleken dat eiser inmiddels klaar is met zijn opleiding en wil gaan werken als beveiliger. Hij heeft daarom geen toestemming meer nodig om als beveiliger in opleiding te werk te gaan, maar een ander soort toestemming. Dat is op een later moment ook door eiser verzocht en daar gaat de beroepsprocedure met zaaknummer ROE 25/1470 over.



4.2.
Gelet hierop is de rechtbank niet gebleken dat eiser nog enig belang heeft bij de uitkomst van de beroepsprocedure met zaaknummer ROE 23/3687. Zij verklaart dit beroep daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat zij niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van dat beroep. Voor een proceskostenvergoeding ziet de rechtbank in deze zaak geen aanleiding. De rechtbank zal hierna alleen nog de beroepsprocedure met zaaknummer ROE 25/1470 bespreken.


Wat is het toetsingskader?


5. De korpschef moet de toestemming om een persoon beveiligingswerkzaamheden te laten uitvoeren weigeren als die persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. Bij deze beoordeling bestaat geen ruimte voor een belangenafweging.



5.1.
Bij de beoordeling van de vraag of een bepaald persoon voldoende betrouwbaar is voor het verrichten van werkzaamheden in de particuliere beveiligingsbranche, komt aan de korpschef wél beoordelingsruimte toe. Aan medewerkers in de beveiligingsbranche worden, gelet op de aard van deze branche, hoge eisen gesteld. Gelet daarop mag de korpschef als beoordelingsmaatstaf hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven moeten zijn.



5.2.
In de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (hierna: de Beleidsregels) is de beoordeling van de betrouwbaarheid nader ingevuld. Hieruit volgt dat de toestemming wordt onthouden als bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van veroordelingen of andere rechterlijke uitspraken binnen de daarvoor geldende periode in het verleden. Een strafbeschikking wordt daarbij gelijkgesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak. De persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd mag op het moment van de aanvraag niet binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld voor het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd. Ook mag deze persoon op het moment van de aanvraag niet binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld voor het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd. De korpschef kan van die terugkijktermijnen afwijken als, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.


Waarom heeft de korpschef de toestemming aan eiser geweigerd?


6. Op 29 augustus 2019 is eiser veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking, deze uitspraak staat in rechte vast. Daarnaast zijn met de strafbeschikkingen van 11 november 2023 en 12 december 2023 aan eiser boetes opgelegd voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994. Deze strafbeschikkingen staan ook in rechte vast. Deze veroordelingen vallen binnen de daarvoor geldende terugkijktermijnen, zodat de korpschef in overeenstemming met de Beleidsregels eiser onvoldoende betrouwbaar acht om beveiligingswerkzaamheden uit te kunnen voeren.


Welke rol speelt evenredigheid in deze zaak?


7. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet evenredig is om hem de toestemming te weigeren. Strikte toepassing van het wettelijk kader is volgens eiser in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Ook moet de korpschef volgens eiser van de standaard terugkijktermijnen afwijken gelet op de grote gevolgen voor hem.

8. Zoals hiervoor is overwogen, bepaalt de wet dwingend dat de toestemming wordt onthouden als iemand niet bekwaam of betrouwbaar is. De wet is helder en laat geen ruimte voor een belangenafweging. Er bestaat dan alleen nog ruimte voor het toetsen van de wet aan artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht of aan het evenredigheidsbeginsel als er bijzondere omstandigheden zijn die de wetgever bij het vaststellen van de wet niet heeft meegenomen. Daar is in dit geval niet van gebleken. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat strikte toepassing van de wet niet evenredig is, slaagt deze grond daarom niet.

9. Wel komt de korpschef, zoals hiervoor is overwogen, beoordelingsruimte toe om het begrip betrouwbaarheid in te vullen (r.o. 5.1) en heeft de korpschef ruimte om onder omstandigheden een kortere terugkijktermijn aan te houden (r.o. 5.2). Eiser stelt zich op het standpunt dat de korpschef hierbij geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Eiser heeft in bezwaar (in zijn gronden en tijdens de hoorzitting) als omstandigheden genoemd dat hij zijn opleiding beveiliging naar volle tevredenheid heeft afgerond en werkgarantie heeft gekregen. Hij heeft stage gelopen bij Moveoo en daar kunnen referenties worden opgevraagd. Daarnaast heeft hij een verklaring omtrent het gedrag (hierna: de Vog) gekregen om bij een tankstation te kunnen werken in de verkoop. Hij is ook al enige tijd gestopt met blowen. Dat blijkt ook uit het feit dat hij meerdere keren is staande gehouden bij het autorijden en hij niet meer is aangehouden met te veel drugs of drank. De persoonlijke omstandigheden van eiser zijn veranderd. Hij woont inmiddels op zichzelf en heeft geleerd van zijn fouten. Hij heeft geen nieuwe strafbare feiten gepleegd. In beroep heeft eiser daar nog aan toegevoegd dat hij onlangs vader is geworden en nu kostwinner is.

10. Over de aard van de feiten heeft eiser aangevoerd dat de aanhouding voor rijden onder invloed van alcohol slechts een klein beetje over de limiet was. Nadat hij op het politiebureau nog een keer geblazen heeft, mocht hij alweer verder rijden. De verduistering heeft onder druk plaatsgevonden, aldus eiser.


Heeft de korpschef voldoende gemotiveerd dat eiser niet betrouwbaar is?


11. De rechtbank is van oordeel dat de korpschef in de beslissing op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet betrouwbaar is en dat in dit geval geen kortere terugkijktermijn passend is. Daarbij heeft hij onvoldoende (kenbaar) rekening gehouden met de door eiser aangevoerde omstandigheden, met name het feit dat hij tijdens zijn studie met succes stage heeft gelopen bij Moveoo, zijn opleiding heeft afgerond, en dat hij na verkrijgen van een Vog heeft gewerkt op een tankstation. De korpschef moest beoordelen of eiser, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing van de termijnen van 8 en 4 jaar een voor eiser onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang. De korpschef heeft voornoemde belangen daarbij onvoldoende duidelijk meegewogen. Het beroep van eiser is daarom gegrond en het de beslissing op bezwaar moet om die reden worden vernietigd.


Kunnen de rechtsgevolgen in stand blijven?


12. Hoewel het beroep gegrond is, betekent dit niet dat de toestemming alsnog wordt gegeven. De korpschef heeft namelijk in het verweerschrift en op zitting verder gemotiveerd waarom de door eiser genoemde belangen niet maken dat er een kortere terugkijktermijn moet worden toegepast, of dat eiser wel betrouwbaar moet worden bevonden. De korpschef heeft daarbij overwogen dat het hier om meerdere feiten gaat, en dat de drie feiten als ernstige aantasting op de rechtsorde worden gezien. De door eiser aangevoerde omstandigheden maken dat niet anders. De rechtbank kan de korpschef daarin volgen. De korpschef heeft overwogen dat niet is gebleken dat de kans op recidive gering is. Het enkele feit dat er sinds de drie feiten geen nieuwe strafbare feiten zijn gepleegd, is daarvoor niet voldoende, aldus de korpschef. Ook omdat eiser in korte tijd twee transacties voor rijden onder invloed heeft gekregen. Dat eiser naar eigen zeggen sinds medio 2024 is gestopt met blowen, werpt daar geen ander licht op en is bovendien ook niet nader onderbouwd. Dat eiser de opleiding tot beveiliger met goed gevolg heeft afgerond, er sprake is van een (mogelijke) arbeidsovereenkomst en hij vader en kostwinner is, brengt de korpschef uiteindelijk niet tot het oordeel dat de terugkijktermijn moet worden verkort. De korpschef overweegt daarbij dat eiser zijn gestelde persoonlijke ontwikkeling onvoldoende heeft onderbouwd. Eiser heeft verder niet onderbouwd waarvoor hij een Vog heeft gekregen en waarom dit zou betekenen dat hij nu (voldoende) betrouwbaar is. De Vog is in elk geval niet afgegeven voor beveiligingswerk. Verder heeft de korpschef aangegeven dat eiser niet onderbouwd heeft dat het besluit onevenredig nadelige gevolgen voor hem heeft. Weliswaar kan hij door het besluit op dit moment niet in de beveiliging werken, terwijl hij aangeeft dat hij dit graag zou willen, maar hij kan in zijn levensonderhoud voorzien op een andere manier. Bovendien kan hij later alsnog een nieuwe aanvraag doen. Eind 2027 loopt de terugkeertermijn voor alle drie de feiten af. Tegenover dit beperkte belang van eiser staat het grote belang van de korpschef om ervoor te zorgen dat beveiligers, die de veiligheid moeten waarborgen, betrouwbaar zijn. Ten slotte wijst de korpschef erop dat het onthouden van toestemming geen inmenging vormt in het recht op respect voor het privéleven van eiser, met verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 mei 2024. Ook op dat punt volgt de rechtbank het standpunt van de korpschef.

13. De rechtbank is van oordeel dat de korpschef hiermee voldoende heeft gemotiveerd waarom geen kortere terugkijktermijn is toegepast en waarom eiser niet voldoende betrouwbaar is bevonden. De terugkijktermijn van acht jaar is, wanneer sprake is van verduistering in persoonlijke dienstbetrekking, naar het oordeel van de rechtbank hier geen onredelijke invulling van de beoordelingsruimte die de korpschef heeft. Bovendien zijn aan eiser niet één enkel feit, maar drie feiten tegengeworpen. Hij heeft dus meerdere keren achter elkaar de rechtsregels naast zich neergelegd. Eiser heeft het een en ander gesteld over zijn persoonlijke omstandigheden, maar hij heeft niet met stukken onderbouwd dat sprake is van persoonlijke ontwikkeling. De korpschef heeft dan ook tot de conclusie kunnen komen dat de betrouwbaarheid en integriteit van eiser niet boven alle twijfel verheven zijn.





Conclusie en gevolgen

14. Hoewel de korpschef in de beslissing op bezwaar onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op de door eiser aangedragen omstandigheden, heeft de korpschef dit met het verweerschrift en ter zitting hersteld. Dit betekent dat de korpschef de toestemming, op het moment dat de beslissing op bezwaar is genomen, mocht weigeren. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand. Dit betekent dat de korpschef geen nieuw besluit hoeft te nemen en dat aan eiser de toestemming geweigerd blijft om beveilingswerkzaamheden uit te voeren voor All-In Security.

15. Omdat het beroep tegen het besluit met zaaknummer ROE 25/1470 gegrond is, moet de korpschef het griffierecht vergoeden dat eiser in die zaak betaald heeft. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten in die zaak. De korpschef moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).




Beslissing

De rechtbank:



verklaart het beroep met zaaknummer ROE 23/3687 niet-ontvankelijk:


verklaart het beroep met zaaknummer ROE 25/1470 gegrond;


vernietigt de beslissing op bezwaar van 13 mei 2025;


bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing op bezwaar in stand blijven;


bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;


veroordeelt de korpschef tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026




De rechter is verhinderd deze uitspraak


te ondertekenen.










griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 27 maart 2026




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Dit volgt uit artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.


De eerste aanvraag is gedaan op 17 december 2022 door TK Security. Op 7 juni 2023 is deze aanvraag geweigerd. Vervolgens is op 30 oktober 2023 het bezwaar ongegrond verklaard.
De tweede aanvraag is gedaan op 1 augustus 2024 door All-in Security. Op 30 september 2024 is deze aanvraag geweigerd. Vervolgens is op 13 mei 2025 het bezwaar ongegrond verklaard.


Vergelijk wat is overwogen onder 3.2 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1145.


Dit volgt uit artikel 7, vierde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wpbr).


Zie wat is overwogen onder 5.2 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4841.


Zie wat is overwogen onder 5 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3878.


Dit volgt uit paragraaf 3.3, onder a, van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019.


Zie bijvoorbeeld r.o. 6.1 van de hiervoor genoemde uitspraak ECLI:NL:RVS:2025:3878.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.


ECLI:NL:RVS:2024:1794.


Zie ter vergelijk wat is overwogen onder 11.1 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5317 waarin het ook gaat om verduistering.
Link naar deze uitspraak