|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2026:3313 | | | | | Datum uitspraak | : | 08-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | ROE 24/2911 en ROE 25/159 ROE 24/2911 en ROE 25/159 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Omgevingsvergunning vakantiewoning afwijken beheersverordening Wabo en omgevingsvergunning uitweg APV Omgevingswet. Aanpassingen in plannen in voortraject maken besluitvorming over uiteindelijke aanvraag niet onzorgvuldig. Gelet op beperkt aantal extra verkeersbewegingen voldoende gemotiveerd dat verkeersveiligheid niet in weg staat aan vergunningverlening. Geen onevenredig verlies uitzicht. Beroepen ongegrond. | | Trefwoorden | : | omgevingsvergunning | | | paarden | | | perceel | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 24/2911 en 25/1590
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026
in de zaken tussen
[eiser] , te [woonplaats 1] , eiser,
(gemachtigde: mr. S. Habib),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landgraaf, verweerder,
(gemachtigde: mr. M. Costongs-Muris)
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] , te [woonplaats 2] .
Procesverloop
Bij besluit van 15 februari 2023 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan vergunninghouder een (tijdelijke) omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en gebruiken van een vakantiewoning aan het [adres 1] in [plaats] voor een periode van 10 jaar.
Bij besluit van 19 maart 2024 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar dat eiser tegen het primaire besluit 1 heeft gemaakt, ongegrond verklaard.
Bij besluit van 26 september 2024 (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan vergunninghouder tijdelijk tot 16 februari 2033 een omgevingsvergunning voor een uitweg verleend.
Bij besluit van 4 juni 2025 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar dat eiser tegen het primaire besluit 2 heeft gemaakt, ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten 1 en 2 beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Vergunninghouder heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.
Eiser heeft een brief met een persoonlijke toelichting toegestuurd waarin is weergegeven welke pijnpunten hij heeft ervaren in de procedure.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026, waar eiser is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is eveneens verschenen, vergezeld door zijn partner.
Overwegingen
Het toepasselijke recht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden en is onder andere de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) ingetrokken. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.
2. De aanvraag voor de tijdelijke vakantiewoning is op 1 december 2021 ingediend. Dit betekent dat hierop de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo, van toepassing blijft.
3. De aanvraag voor de uitwegvergunning is op 6 augustus 2024 ingediend. Dat betekent dat op deze aanvraag de Omgevingswet van toepassing is.
De tijdelijke omgevingsvergunning voor de vakantiewoning
De besluitvorming
4. Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo in verbinding met artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor een periode van 10 jaar voor het bouwen en gebruiken in strijd met de beheersverordening ‘Schaesberg Zuid’ van een vakantiewoning op het adres [adres 1] in [plaats] . De vakantiewoning is geschikt voor 6 personen en bedoeld voor de verhuur aan toeristen. In verband daarmee zijn voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden.
5. Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder het bezwaar van eiser onder verwijzing naar het advies van de commissie voor de bezwaarschriften gemeente Landgraaf (hierna: de commissie) ongegrond verklaard en het primaire besluit 1 in stand gelaten met dien verstande dat de motivering van de vergunning in die zin is aangepast dat de vakantiewoning voor gemotoriseerd bestemmingsverkeer alleen bereikbaar is via de Boskriek en het Meidoornpad. Verder zijn 2 extra voorschriften toegevoegd die als volgt luiden:
“De vakantiewoning dient te worden verwijderd na expiratie van de geldigheidsduur van deze vergunning met dien verstande dat deze verplichting komt te vervallen als de vakantiewoning definitief zou worden toegestaan.”
“Het op het perceel aanwezige groen dient zoveel als mogelijk behouden te blijven en de vakantiewoning dient te worden afgeschermd met een hekwerk en een permanent groene laurierhaag.”
De beroepsgronden
6. Eiser heeft in zijn beroepschrift is onder meer het bezwaar herhaald dat in de aanvraag omgevingsvergunning [adres 2] was vermeld en dat vergunning is verleend voor het adres [adres 1] . Het gaat eiser er in de kern om dat de overheid correcte informatie verstrekt en zorgvuldig en objectief te werk gaat. De hele gang van zaken die tot verlening van de onderhavige vergunning heeft geleid, getuigt volgens eiser niet van een zorgvuldige besluitvorming en objectieve belangenafweging. Zo is in het voortraject de indruk gewekt dat het om een kleine vakantiewoning van 56 m² zou gaan en er geen inrit aan het Meidoornpad zou komen. De ontsluiting zou via de Rukkerweg gerealiseerd worden. Dat heeft eisers voorkeur en daar pleit hij nog steeds voor gelet op de verkeersveiligheid. Verweerder stond onder druk omdat een vergunning van rechtswege zou ontstaan en heeft volgens eiser de omgevingsvergunning daarom erdoor gedrukt. Uiteindelijk is vergunning verleend voor een vakantiewoning van 125 m² met een inrit aan het Meidoornpad zeer dichtbij eisers tuin. Inmiddels is nog een tuinhuisje gebouwd en een overkapping vergund van 8 bij 3 meter. Eiser vraagt zich af waar dit ophoudt en of er niet nog meer vakantiewoningen komen. Er lijkt alleen gekeken te worden naar het belang van vergunninghouder en niet naar de belangen van de omwonenden, aldus eiser. De vakantiewoning gaat ten koste zijn uitzicht. Jarenlang keek hij uit op alleen maar groen en nu kijkt hij ook uit op de vakantiewoning omdat zijn perceel hoger is gelegen. Belangrijker vindt eiser nog de verkeersveiligheid. Hij en zijn gezin maken ook gebruik van het Meidoornpad waar door de in- en uitrit en omdat dit een plaatselijk erg smalle weg is verkeersonveilige situaties kunnen ontstaan. Eiser pleit daarom nog steeds voor de alternatieve ontsluiting via de Rukkerweg die eerder een optie was.
Beoordelingskader
7. Verweerder komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van de beheersverordening een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en hij moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
8. De rechtbank gaat hierna in op de beroepsgronden van eiser.
Zorgvuldigheid van en rondom de besluitvorming
9. Eiser heeft op zitting, desgevraagd, toegelicht dat hem duidelijk is dat de adressering in de aanvraag fout was – dit betrof het adres van de voormalige sportkantine op dit perceel – en dat in de vergunning het juiste adres is vermeld en dat daardoor niet onduidelijk is op welk perceel de vergunning betrekking heeft. Dat in het traject tot aan de vergunningaanvraag de plannen zijn gewijzigd, betekent verder niet dat sprake is geweest van onzorgvuldige besluitvorming bij beoordeling van de uiteindelijke aanvraag. Verweerder moet op de aanvraag beslissen zoals die is ingediend. Dat er eerder een principeverzoek is ingediend, waarin van een kleinere vakantiewoning en een ontsluiting via het parkeerterrein ter plaatse van [adressen] werd uitgegaan, waarin destijds zowel verweerder als eiser zich konden vinden, neemt niet weg dat vergunninghouder uiteindelijk een aanvraag heeft ingediend voor het onderhavige bouwplan met ontsluiting via het Meidoornpad. Verweerder dient beoordelen of die aanvraag vergund kan worden en dat er eerder een principe akkoord bestond over een ander bouwplan betekent op zich niet dat verweerder onzorgvuldig handelt of geen blijk geeft van een objectieve belangenafweging door aan het definitief aangevraagde bouwplan medewerking te verlenen. Het tuinhuisje en de overkapping die eiser noemt, maken geen onderdeel uit van de vergunning(aanvraag) die nu voorligt en de rechtbank kan daarover in deze procedure dan ook niet oordelen. Tegen de na het bestreden besluit verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een overkapping aan de vakantiewoning heeft eiser bezwaar gemaakt; daarvoor loopt dus een separate procedure.
Verkeersveiligheid
10. Eiser heeft bij de behandeling van het beroep op zitting de beroepsgrond dat ontsluiting via het Meidoornpad niet mogelijk is en de omgevingsvergunning daarom niet uitvoerbaar is, ingetrokken.
11. Eiser voert aan dat verweerder geen gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid een omgevingsvergunning te verlenen omdat de verkeersveiligheid daaraan in de weg staat. Specifiek heeft eiser in dit verband aangevoerd dat het verkeer op het Meidoornpad zal toenemen als gevolg van de vergunningverlening. Het pad is daarvoor ongeschikt en toeristen die het gebied niet kennen, kunnen ’s nachts voor verkeersonveilige situaties zorgen, aldus eiser. Verweerder heeft daarmee bij zijn besluitvorming onvoldoende rekening gehouden. Volgens eiser blijkt uit het door verweerder gehanteerde argument dat het om beperkte extra verkeersbewegingen gaat, dat verweerder de extra verkeersbewegingen wil toestaan terwijl dat verkeerstechnisch niet inpasbaar is.
12. De rechtbank overweegt dat verweerders besluit is gebaseerd op het advies van de commissie waarin uitgebreid is ingegaan op de bezwaren van onder meer eiser. In navolging van dat advies heeft verweerder uitdrukkelijk in het bestreden besluit opgenomen dat de vakantiewoning voor vakantiegangers met gemotoriseerd verkeer alleen via de Boskriek en het Meidoornpad bereikt kan worden. Het Meidoornpad is verboden voor gemotoriseerd verkeer afkomstig van de Rukkerweg. De afstand tussen de toegang tot het Meidoornpad ter hoogte van de Boskriek en de toegang tot het perceel van vergunninghouder is ongeveer 160 meter. Dit gedeelte kan worden gebruikt door bezoekers van de vakantiewoning met gemotoriseerd verkeer. Alleen beperkt bestemmingsverkeer mag van het Meidoornpad gebruik maken, zo volgt uit de verkeerssituatie ter plaatse. Dat betreft een aantal personen en bedrijven die op het genoemde stuk van 160 meter paarden houden of een garage of bedrijf hebben. De toename van het bestemmingsverkeer voor de vakantiewoning (in aanvulling op auto’s en vrachtwagens voor die 160 meter) is met CROW cijfers becijferd op 2,8 autobewegingen per etmaal. Er geldt ter plaatse een maximum snelheid van 30 km/uur voor verkeer uit die richting. De omwonenden die naast het bestemmingsverkeer eveneens te voet en per fiets van het Meidoornpad gebruik maken, zijn met de plaatselijke situatie bekend. In de praktijk wordt volgens de commissie stapvoets gereden en zijn er voldoende uitwijkmogelijkheden. Ook onbekenden/toeristen zullen daar voorzichtig rijden volgens de commissie. Er staan straatlantaarns die het pad ’s avonds verlichten. De onoverzichtelijke bocht waar eiser het eerder in bezwaar over had, ligt op het inmiddels afgesloten stuk tussen de Rukkerweg en de vakantiewoning.
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op grond van het voorgaande het standpunt mogen innemen dat de verkeersveiligheid op het Meidoornpad niet zodanig in gedrang komt dat daarom de omgevingsvergunning niet had mogen worden verleend. Omwonenden, waaronder eiser, worden daardoor niet onevenredig in hun belangen geschaad. Vergunninghouder heeft op zitting nog verklaard dat hij in het belang van de verkeersveiligheid een verkeersspiegel bij de uitrit heeft geplaatst en dat de bezoekers in de huisregels wordt gewezen op het belang van verkeersveiligheid en voorzichtig rijden.
Alternatieven
14. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft verweerder de omgevingsvergunning kunnen verlenen voor het onderhavige bouwplan met een ontsluiting via het Meidoornpad. De verkeersveiligheid staat daar niet aan in de weg. Indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, noopt het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aannemelijk minder bezwaren. Naar het oordeel van de rechtbank is een ontsluiting via de Rukkerweg geen gelijkwaardig alternatief met aanmerkelijk minder bezwaren dat aan het verlenen van omgevingsvergunning met een ontsluiting op de onderhavige locatie in de weg staat. Vergunninghouder heeft onweersproken gesteld dat een ontsluiting via de Rukkerweg over zijn privé terrein voor hem geen gelijkwaardig alternatief is omdat die ontsluiting voor hem van belang is bij een eventuele verkoop van de naastgelegen garageboxen en de omliggende gronden. Aan die route wonen verder een groot aantal mensen die dan geconfronteerd worden met extra verkeer op een verkeersluwe weg zodat niet kan worden gezegd dat sprake is van een alternatief met aanmerkelijk minder bezwaren.
Verlies aan uitzicht
15. Ten aanzien van het verlies van uitzicht is de rechtbank van oordeel dat eiser daardoor evenmin onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Er bestaat geen recht op vrij uitzicht en in dit geval is geen sprake van een zo ernstige aantasting van eisers uitzicht dat verweerder om die reden de vergunning niet mocht verlenen. Daarbij komt dat in een voorschrift is geborgd dat de vakantiewoning aan het zicht wordt onttrokken door een hekwerk met een het hele jaar groenblijvende haag rondom het perceel. Dat de vakantiewoning niet volledig aan het zicht wordt onttrokken zoals volgens eiser in het vooruitzicht was gesteld, kan daaraan niet afdoen.
Precedentwerking
16. Wat betreft eisers vrees voor meer vakantiewoningen wijst de rechtbank erop dat op zitting niet is gebleken dat daarvan sprake is. Eventuele toekomstige aanvragen daarvoor zullen alsdan op hun eigen merites moeten worden beoordeeld, maar de enkele vrees – zonder concrete aanleiding – voor meer vakantiewoningen op dit perceel of in dit gebied maakt niet dat verweerder onderhavige vergunning had moeten weigeren. Mocht er in de toekomst een vergunningprocedure komen voor nog een vakantiewoning dan kan eiser, indien hij daarbij belanghebbende is, gebruik maken van de rechtsmiddelen die dan openstaan.
Stukken WOO en commissieverslag onjuist
17. Eiser voert in het beroepschrift aan dat overwegingen van de verleende omgevingsvergunning niet stroken met de gegevens die blijken uit de stukken met betrekking tot het besluit op het verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Uit die stukken blijkt het belang dat de gemeente hecht aan het behoud van het groene karakter van het gebied, terwijl de vergunning ten koste daarvan gaat. Eiser voert aan dat het commissieverslag geen juiste weergave is van hetgeen is besproken. Volgens eiser kon de vertegenwoordiger van verweerder op diverse vragen geen antwoord geven, terwijl die wel in het verslag staan.
18. De rechtbank moet aan de hand van de beroepsgronden beoordelen of het bestreden besluit rechtmatig is. De rechtbank beoordeelt in dat kader onder meer of het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid en kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. In hetgeen eiser aanvoert over stukken die geen onderdeel van de onderhavige procedure uitmaken en over onvolledigheid van het commissieverslag, kan geen grond worden gevonden dat het bestreden besluit onrechtmatig is.
Conclusie
19. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 is ongegrond.
De uitwegvergunning
20. Bij besluit van 6 augustus 2024, na rectificatie op 9 oktober 2024, het primaire besluit 2, heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitrit op de locatie [adres 1] onder de daaraan verbonden voorschriften verleend tot 16 februari 2033. Daarbij heeft verweerder de aanvraag inhoudelijk getoetst aan artikel 2:12 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Landgraaf 2020 (de APV) en aan de beleidsregels uitwegvergunningen gemeente Landgraaf 2020 (de beleidsregels). Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen reden is om de aanvraag te weigeren.
21. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat de weigeringsgronden van artikel 2:12 van de APV in dit geval allemaal van toepassing zijn. Eiser betoogt onder meer dat het voorschrift dat voor voetgangers steeds een vrije doorgang moet worden behouden niet uitvoerbaar is omdat het Meidoornpad daarvoor te smal is. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder de bezwaren van eiser onder verwijzing naar het advies van de commissie ongegrond verklaard.
22. Eiser heeft in beroep herhaald dat hij van mening blijft dat zijn bezwaargronden terecht zijn aangevoerd. Hij herhaalt zijn standpunt dat alle weigeringsgronden voor een uitwegvergunning van toepassing zijn in dit geval. Op zitting is eiser bij zijn standpunt gebleven dat verweerder een uitweg ter plaatse vanwege de verkeersveiligheid niet had mogen vergunnen en dat dit ook ten koste is gegaan van groen. Hij heeft erop gewezen dat op het Meidoornpad onlangs een voetganger die zijn hond uitliet, is aangereden.
23. De rechtbank overweegt als volgt.
24. In artikel 22.4 van de Omgevingswet is bepaald dat de regels in (autonome) verordeningen met betrekking tot de fysieke leefomgeving, zoals over het aanleggen van een uitrit, blijven gelden tot het moment dat deze regels opgaan in het nieuwe omgevingsplan.
In artikel 22.8 van de Omgevingswet is bepaald dat wanneer volgens een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist, dit gezien moet worden als een verbod om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. De beoordelingsregels voor vergunningverlening zijn vastgelegd in de APV/de beleidsregels.
Op grond van artikel 2.12, derde lid, van de APV kan de vergunning voor het maken van een uitweg naar de openbare weg worden geweigerd in het belang van:
de bruikbaarheid van de weg;
het doelmatig gebruik van de weg;
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
e bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente.
25. De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser in zijn beroepschrift de gronden van zijn bezwaar (kort) heeft herhaald. In het advies van de commissie, dat verweerder heeft gevolgd, is uitgebreid gereageerd op hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd. In het advies is gemotiveerd aangegeven waarom die bezwaren ongegrond dienen te worden verklaard. In aanvulling op hetgeen de commissie in het kader van de omgevingsvergunning voor de vakantiewoning heeft uiteengezet, heeft de commissie de invloed op de verkeersveiligheid verder in kaart gebracht en de feitelijke situatie verder verduidelijkt. Daarbij is ingegaan op de effecten op de verkeersveiligheid van het feit dat het Meidoornpad over een lengte van 80 meter smaller is en dat een deel (40 meter) van het Meidoornpad een stijl talud heeft (een holle weg), waar passeren lastig is.
26. Daarbij komt dat verweerder in het verweerschrift dat in de bezwaarfase is opgesteld, per weigeringsgrond uitvoerig heeft toegelicht en onderbouwd waarom de uitwegvergunning niet is geweigerd. Daarbij heeft verweerder ook per weigeringsgrond toegelicht dat de besluitvorming in overeenstemming is met de gelende beleidsregels. Gelet op de onderbouwing van en toelichting op het bestreden besluit 2 heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat de verkeerstoename en het negatieve effect daarvan op de verkeersveiligheid beperkt is en dat het belang dat met de nieuwe uitweg wordt gediend prevaleert. Daarbij is ook ingegaan op de mogelijkheid een uitritvergunning te weigeren in het belang van ‘de bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente’. Verweerder heeft in reactie op de bezwaren toegelicht dat artikel 5 van de beleidsregels, waarin concrete gevallen zijn genoemd waarin gebruik dient te worden gemaakt van de weigeringsbevoegdheid, niet van toepassing is in dit geval.
27. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de voorbereiding van de besluitvorming de relevante feiten op juiste wijze en volledig in kaart heeft gebracht. Gelet op de onderbouwing van het bestreden besluit 2 is dat besluit zorgvuldig voorbereid en genomen en kan dat worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Eiser heeft in beroep niet concreet aangegeven waarom de weerlegging van zijn bezwaren onjuist of onvolledig is en/of dat verweerder het advies van de commissie niet mocht volgen. In hetgeen door of namens eiser in beroep is aangevoerd, kan daarom geen grond worden gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit 2 in rechte geen stand kan houden. Verweerder heeft bij afweging van de in aanmerking te nemen belangen de uitritvergunning mogen verlenen. Dat er na het nemen van het bestreden besluit een ongeval heeft plaatsgevonden, waarvan de toedracht overigens onbekend is, kan daaraan niet afdoen.
28. Omdat de beroepsgronden tegen het bestreden besluit 2 niet slagen, is ook het daartegen gerichte beroep ongegrond.
Conclusie
29. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026
de griffier is verhinderd rechter
deze uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op: 8 april 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitspraken van de Afdeling van bijvoorbeeld 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1483, 17 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1955 en 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2058. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|