Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBLIM:2026:4008 
 
Datum uitspraak:24-04-2026
Datum gepubliceerd:30-04-2026
Instantie:Rechtbank Limburg
Zaaknummers:ROE 25/539
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Weigering omgevingsvergunning voor huisvesten internationale werknemers vanwege geurbelasting en niet voldoen aan gemeentelijke norm voor minimale gebruiksoppervlakten. Ambtshalve toets of juiste procedure is gevolgd; geen vergunning van rechtswege ontstaan. Gronden slagen niet; beroep ongegrond.
Trefwoorden:bestemmingsplan
buitengebied
geurhinder
omgevingsvergunning
stallen
varkens
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 25/539

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

Industriële personeelsvoorziening B.V., te Ede, eiseres,

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert, verweerder.




Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een gebouw aan de [adres] te [plaats] voor huisvesting internationale werknemers, afgewezen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Voor eiseres zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.M.W. van der Cruijsen-Thoma en mr. T. Beunen.




Overwegingen

1. Op 11 november 2022 heeft eiseres een (legaliserende) aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een schuur tot een gebouw voor huisvesting van internationale werknemers. Verweerder heeft op 11 november 2024 een ontwerpbesluit tot weigering van de gevraagde omgevingsvergunning gepubliceerd. Op 14 januari 2025 heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Verweerder heeft de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd op de grond dat de activiteit in strijd is met artikel 7.5 lid f en g van het bestemmingsplan “Buitengebied Nederweert”. Daarbij heeft verweerder getoetst aan de Beleidsnotitie huisvesting internationale werknemers 2020 Gemeente Nederweert en geconcludeerd dat niet wordt voldaan aan de daarin opgenomen minimale gebruiksoppervlakten en aan de normen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (geur).

2. In beroep tegen het bestreden besluit heeft eiseres aangevoerd dat verweerder lang niets heeft laten horen en dat er dan na twee jaar een afwijzing volgt. Eiseres wijst er verder op dat er al 2,5 jaar werknemers wonen die zich ook bij de gemeente hebben kunnen inschrijven. Het gaat om een prachtige woning, volledig goedgekeurd door de Stichting Normering Flexwonen (SNF); er is een eigen toegangsweg en het pand heeft een eigen huisnummer. De buitenkant van het pand is onveranderd; alleen binnenwerks is er verbouwd naar woongelegenheid Eiseres acht het dakloos maken van werknemers/ontheemde Oekraïners, gegeven de situatie op de woningmarkt, onacceptabel.


Overgangsrecht

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 11 november 2022. Dat betekent dat in dit geval het recht, in dit geval de Wabo zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.


Ontvankelijkheid

4. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij of zij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld. In de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, en 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, is de Afdeling ingegaan op de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7, over de toepassing van artikel 6:13 Awb. Uit die uitspraken blijkt dat in zaken waarin de wetgever een ieder de mogelijkheid heeft gegeven om zienswijzen naar voren te brengen allen die zienswijzen naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit, toegang hebben tot de rechter, ook al zijn zij geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Indien geen gebruik is gemaakt van de gelegenheid om zienswijzen in te dienen, bestaat alleen recht op toegang tot de rechter indien betrokkene belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
De rechtbank stelt vast dat eiseres als aanvraagster zonder meer belanghebbende is. Daarom kan zij worden ontvangen in haar beroep ondanks dat zij geen zienswijze tegen het ontwerpbesluit heeft ingediend.


Procedureel

5. De rechtbank beantwoordt ambtshalve de vraag of verweerder nog bevoegd was met het bestreden besluit, dat tot stand is gekomen met de uitgebreide voorbereidingsprocedure, te beslissen op de aanvraag van eiseres. In het geval de aanvraag valt binnen het bereik van artikel 4, lid 9, van Bijlage II bij het Bor (Besluit omgevingsrecht) is de reguliere procedure van toepassing geweest en zou, door niet tijdig te beslissen op de aanvraag, een vergunning van rechtswege zijn ontstaan. In dat geval zou verweerder niet meer bevoegd zijn op de aanvraag te beslissen. Dit is alleen aan de orde omdat op de aanvraag de Wabo nog van toepassing is en de voor de reguliere voorbereidingsprocedure geldende beslistermijn voor 1 januari 2024 zou zijn bereikt.


5.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres bij de aanvraag als projectomschrijving heeft aangegeven dat het gaat om het gebruik van bestaande verbouwing niet voor permanent verblijf ten behoeve van huisvestingsvoorzieningen voor internationale werknemers. Bij gebruik heeft eiseres niet de functie ‘wonen’ aangekruist maar ‘overige gebruiksfuncties, voor huisvesting 8 internationale werknemers’. Bij brief van 14 december 2022 heeft verweerder aangegeven dat er onduidelijkheid bestaat bij de opgegeven gebruiksfunctie nu in het aanvraagformulier een logiesfunctie is aangegeven en op tekening een groepswoning, hetgeen kamerverhuur betekent. Van de zijde van eiseres is (onder meer) een rapport van beoordeling brandveiligheid overgelegd waarin sprake is van het realiseren van woonfuncties voor kamergewijze verhuur voor 8 personen. Bij brief van 13 maart 2023 heeft verweerder eiseres in overweging gegeven de aanvraag in te trekken omdat de onaanvaardbare geursituatie van de locatie waarop de gevraagde omgevingsvergunning betrekking heeft aan verlening in de weg staat. Ook heeft verweerder in die brief aangekondigd dat mogelijk niet de reguliere maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, als het niet om een logiesfunctie maar om een woonfunctie gaat. Van de zijde van eiseres is in antwoord daarop verklaard dat het gaat om de functie van kamergewijze verhuur. Bij brief van 6 september 2023 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat daarom wordt uitgegaan van kamergewijze verhuur (woonfunctie) en dat daarom de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is.
Ter zitting heeft verweerder deze beslissing nader toegelicht met verwijzing naar het rapport brandveiligheid en de daarbij overgelegde tekening. Verweerder heeft verklaard ook de Basisregistratie personen te hebben geraadpleegd en daarin te hebben gezien dat sommige werknemers tijdelijk verblijven maar ook een aantal langer dan een jaar. Ter zitting heeft eiseres bevestigd dat een aantal werknemers al langere tijd in het betreffende gebouw verblijven en dat er ook werknemers zijn die kort verblijven. Daartoe houdt eiseres ook een nachtregister bij, waaruit dat blijkt. Eiseres heeft verder verklaard dat de verblijfsduur van de werknemer afhangt.



5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de beoordeling op goede gronden heeft beslist dat de aanvraag niet valt onder het bereik van artikel 4, lid 9 van Bijlage II bij het Bor. Het bouwplan van eiseres voor verbouwing van het betreffende pand is niet gericht op tijdelijk en (relatief) kortdurend verblijf dat als logiesfunctie kan worden aangemerkt. Eiseres heeft dat ook tijdens de zitting bevestigd. Dat betekent dat de juiste voorbereidingsprocedure is gevolgd en dat er geen sprake is van een van rechtswege ontstane omgevingsvergunning. De rechtbank komt vervolgens toe aan bespreking van de door eiseres aangevoerde gronden.


Bespreking beroepsgronden

6. Verweerder heeft de weigering de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen gebaseerd op de geursituatie van het betreffende pand. Daarvoor is bepalend de mate waarin het naastgelegen agrarische bedrijf (en bedrijven) theoretisch, op basis van verleende milieuvergunningen, de omgeving belast. Dat er zich feitelijk in de omliggende stallen geen dieren bevinden, is voor de toets aan de regels met betrekking tot een goede ruimtelijke ordening niet relevant. Op grond van de geldende omgevingsvergunning(en) is het immers toegestaan op enig moment weer dieren te gaan houden.
Verweerder heeft de weigering de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen mede gebaseerd op het gemeentelijk beleid zoals dat is neergelegd in de Beleidsnotitie Huisvesting Internationale Werknemers 2020 Gemeente Nederweert en de daarin opgenomen normen voor minimale gebruiksoppervlakten. Deze normen wijken (positief) af van de normen van de SNF.



6.1.
Verweerder heeft in het verweerschrift de procedurestappen geschetst en daarmee het tijdsverloop inzichtelijk gemaakt. Daaruit blijkt dat het wachten op de door verweerder aan eiseres gevraagde aanvullingen op de aanvraag veel tijd heeft gekost. De aanvraag van 11 november 2022 was pas 6 september 2023 compleet en vervolgens heeft verweerder (pas) op 11 november 2024 een ontwerpbesluit ter inzage gelegd en op 14 januari 2025 het bestreden besluit genomen. Wat er van (erkenning van) dat tijdsverloop ook is, dat leidt niet tot de conclusie dat er een omgevingsvergunning verleend had moeten worden.
Voor zover eiseres heeft bedoeld te stellen dat zij door de weigering van de gevraagde omgevingsvergunning is overvallen, volgt de rechtbank haar niet. Verweerder heeft al in december 2022 en explicieter in maart 2023 aandacht gevraagd voor de milieubelasting van het agrarische bedrijf waarbij het pand is gelegen, in die zin dat de geursituatie aan verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat.
Voor zover dit als beroepsgrond moet worden aangemerkt, slaagt die niet.



6.2.
Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat de woning voldoet aan de normen van de SNF, de bewoners zich hebben kunnen inschrijven bij de gemeente, het pand een eigen toegangsweg en eigen huisnummer heeft (gekregen) en er alleen binnenwerks is verbouwd, leidt dit niet tot de conclusie dat de door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering niet houdbaar is. Verweerder heeft immers van de SNF afwijkende normen als uitgangspunt benoemd en ten tijde van de aanvraag (en ook nu nog) voldoen de persoonlijke slaap/zitruimten niet aan de in het beleid genoemde minimale gebruiksoppervlakten. Dat eiseres bereid is dit aan te passen kan niet aan de orde komen, omdat hiervoor de feitelijke situatie bepalend is bij de beoordeling van de aanvraag.
Overigens ook indien zou worden aangenomen dat aan de normen uit voormelde beleidsnotitie is of kan worden voldaan, leidt de geconstateerde geurhinder zelfstandig tot weigering van de gevraagde omgevingsvergunning. Daarbij heeft verweerder terecht vastgesteld dat bij de beoordeling of de gevraagde omgevingsvergunning kan worden verleend, de theoretische milieubelasting van de naastgelegen agrarische bedrijven (vastgelegd in de aan hen verleende vergunningen) doorslaggevend is en niet het aantal dieren dat daar in de praktijk feitelijk wordt gehouden. Deze gronden slagen niet.



6.3.
Het inschrijven van de bewoners bij de gemeente en het hebben van een eigen toegangsweg en huisnummer is niet relevant bij de beoordeling van de aanvraag, omdat deze aspecten een ander afwegingskader kennen dat bij de verlening van de gevraagde omgevingsvergunning geen rol speelt. Dat de buitenkant van het pand onveranderd is en er alleen binnenwerks is verbouwd, overigens zonder omgevingsvergunning, is evenmin relevant. Deze gronden slagen niet.



6.4.
Eiseres heeft aangevoerd het onacceptabel te vinden dat de huidige bewoners dakloos worden gemaakt. De rechtbank wijst erop dat het in deze procedure alleen gaat over de vraag of er voor de verbouwing en het huisvesten van internationale werknemers wel of niet een (vereiste) omgevingsvergunning kan worden verleend en niet over het dakloos maken van de huidige bewoners. Het directe verband tussen de weigering van de omgevingsvergunning en het beëindigen van de bewoning, wat daar ook van zij, ontbreekt daarom en kan door de rechtbank ook niet worden meegenomen in de beoordeling. Die beroepsgrond slaagt niet.



6.5.
Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat de huisvesting van internationale werknemers tot tevredenheid van haar en van de werknemers plaatsvindt en evenmin tot overlast leidt, is de rechtbank van oordeel dat dit de houdbaarheid van de door verweerder gebezigde motivering ten aanzien van de geursituatie en het niet voldoen aan de geldende minimale gebruiksoppervlakten in het geheel niet aantast. De grond slaagt daarom niet.


Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht en voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026 .






griffier rechter




Afschrift verzonden aan partijen op: 24 april 2026




Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Link naar deze uitspraak