|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2026:412 | | | | | Datum uitspraak | : | 16-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 03-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | ROE 23/2151 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Beroepszaak bestaande uit diverse beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit, een van rechtswege ontstaan beroep, een verzoek om oplegging van een dwangsom bij het niet tijdig beslissen op toekomstige aanvragen en een verzoek om schadevergoeding. Beroepen zijn niet-ontvankelijk. Rechtbank is onbevoegd om op het verzoek om een dwangsom te beslissen en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Wel schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in het van rechtswege ontstane beroep. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | perceel | | | | Uitspraak | RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 23/2151
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D.N. Lavain),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder
(gemachtigde: R. Stassen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser op 14 september 2023 heeft ingesteld. Dit beroep gaat er in de kern over dat verweerders gemeente volgens eiser stelselmatig brieven niet of veel te laat beantwoordt. Deze brieven gaan veelal over verschillende soorten door eiser ervaren overlast in en rondom het stadspark in Maastricht. Eisers woning is direct aan het stadspark gelegen.
1.1.
Eiser heeft in zijn beroepschrift diverse eisen en verzoeken opgenomen. Tijdens de bespreking van de zaak ter zitting is besproken en afgestemd dat de rechtbank over de volgende onderdelen moet beslissen:
het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers handhavingsverzoek van 24 april 2023;
het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 4 oktober 2023 op eisers handhavingsverzoek van 24 april 2023;
het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) inzake het rapport van de parkregisseur en de resultaten van de enquête;
het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers Woo-verzoek inzake alle documentatie, notulen, rapporten, aantekeningen en memo’s bij het rapport van de parkregisseur;
het verzoek tot oplegging van een dwangsom aan verweerder bij het niet beantwoorden van brieven; en
het verzoek om schadevergoeding.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 14 september 2023, ontvangen door de rechtbank op 15 september 2023, beroep ingesteld.
2.1.
Verweerder heeft op 5 oktober 2023 met een verweerschrift gereageerd op het beroep. Bij dit verweerschrift zat een besluit van 4 oktober 2023 op eisers handhavingsverzoek van 24 april 2023 (onderdelen i en ii) en een besluit van 4 oktober 2023 op eisers Woo-verzoek inzake het rapport van de parkregisseur (onderdeel iii).
2.2.
Desgevraagd heeft eiser met zijn brief van 22 april 2024 aangegeven dat hij zijn beroep niet intrekt. Verweerder heeft volgens hem niet alle vragen beantwoord.
2.3.
Eiser heeft op verschillende momenten aanvullende gronden en stukken ingediend. Onder deze stukken bevindt zich een tweede Woo-besluit van 18 oktober 2023 waarmee de door eiser gevraagde documentatie, notulen, rapporten, aantekeningen en memo’s bij het rapport van de parkregisseur (behoudens daarin opgenomen persoonsgegevens) aan eiser zijn verstrekt (onderdeel iv).
2.4.
De rechtbank heeft partijen op 28 november 2025 een brief gestuurd (per e-mail en per post) met een zittingsagenda en heeft partijen ieder verzocht om voor de behandeling van de zaak ter zitting nog enkele in de brief gespecificeerde stukken in te dienen. De rechtbank heeft in reactie hierop niet de gevraagde stukken van partijen ontvangen.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
i). Beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers handhavingsverzoek van 24 april 2023
Waar gaat dit beroep niet tijdig over?
3. Eiser heeft op 24 april 2023 bij verweerders gemeente een handhavingsverzoek ingediend. Dit handhavingsverzoek gaat over het terras van Café d’n Hiemel in Maastricht en het daaraan grenzende grasveld en terrein.
3.1.
Met zijn brief van 31 augustus 2023 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Eiser heeft verweerder verzocht om binnen 14 dagen een besluit te nemen en heeft geschreven dat hij aanspraak maakt op een dwangsom op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.2.
In eisers beroepschrift verzoekt eiser de rechtbank om te bepalen dat eisers brief van 24 april 2023 binnen 7 dagen wordt beantwoord. De rechtbank vat dit op als een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers handhavingsverzoek van 24 april 2023.
3.3.
Op 4 oktober 2023 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op het handhavingsverzoek. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen en heeft een dwangsom van € 567,- aan eiser toegekend wegens het te laat beslissen
Kon eiser beroep instellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit?
4. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder binnen acht weken op eisers handhavingsverzoek van 24 april 2023 had moeten beslissen en dat deze beslistermijn ruim was verstreken op het moment dat eiser zijn beroep indiende. De rechtbank maakt verder uit het besluit van 4 oktober 2023 op het handhavingsverzoek op dat verweerder eisers ingebrekestelling van 31 augustus 2023 ook op 31 augustus 2023 heeft ontvangen. Op de dag dat de rechtbank eisers beroepschrift heeft ontvangen (15 september 2025) waren er twee weken verstreken sinds die ingebrekestelling. Eiser kon op dat moment dus beroep instellen.
Heeft eiser nog belang bij een (afzonderlijke) beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit?
5. Verweerder heeft met het besluit van 4 oktober 2023 alsnog beslist op het handhavingsverzoek van 24 april 2023. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij een afzonderlijke beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek. Dat beroep kan namelijk, ondanks dat er alsnog een reëel besluit is genomen, gegrond worden verklaard indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat het doel van het beroep (het alsnog nemen van een besluit door verweerder) met het nemen van het reële besluit van 4 oktober 2023 door verweerder is bereikt. Te meer nu in dat besluit aan eiser ook een dwangsom is toegekend en eiser niet heeft gesteld dat die dwangsom niet juist zou zijn vastgesteld. Daarin is dus geen afzonderlijk belang gelegen bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
5.2.
Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat hij nog belang heeft bij een beoordeling van het beroep niet tijdig, omdat de rechtbank bij een gegrond beroep aan verweerder een dwangsom kan opleggen voor het geval verweerder eisers brieven in de toekomst niet of niet tijdig beantwoordt. Eiser verwijst daarbij naar artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).
5.3.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. In artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb staat dat indien het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, de bestuursrechter kan bepalen dat het bestuursorgaan binnen twee weken alsnog een besluit bekendmaakt. Op grond van het tweede lid kan de bestuursrechter aan deze uitspraak een dwangsom verbinden. In het onderhavige geval heeft verweerder al een reëel besluit bekend gemaakt. Artikel 8:55d van de Awb geeft de rechtbank daarom geen bevoegdheid om alsnog een beslistermijn te bepalen en daaraan een dwangsom te verbinden. Ook voor het opleggen van een dwangsom ten aanzien van andere (niet nader bepaalde) door verweerder in de toekomst te nemen besluiten of te beantwoorden brieven, biedt artikel 8:55d van de Awb noch enig ander artikel de bestuursrechter een wettelijke grondslag. Dat volgt ook niet uit de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling, nu het daarin gaat om een door een bestuursorgaan in het kader van handhaving op te leggen last onder dwangsom en niet over een door de rechtbank op te leggen dwangsom. Hetgeen eiser zou willen bereiken (een algemene dwangsom voor toekomstige brieven) kan dus met het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek van 24 april 2023 niet worden bereikt.
5.4.
De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij belang heeft bij een afzonderlijke beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek van 24 april 2023. Dit beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
6. Ter zitting heeft eiser in het kader van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank overweegt daarover dat in het kader van dit beroep geen inhoudelijke behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden. Dit beroep is immers enkel gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers handhavingsverzoek. Zonder dat een geschil inhoudelijk aan de rechter is voorgelegd kan geen aanspraak op schadevergoeding aan artikel 6 van het EVRM worden ontleend. De rechtbank wijst het verzoek van eiser om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in het kader van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit daarom af.
ii) Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 4 oktober 2023 op eisers handhavingsverzoek van 24 april 2023
Waar gaat het van rechtswege ontstane beroep over?
7. Verweerder heeft met het besluit van 4 oktober 2023 alsnog beslist op eisers handhavingsverzoek van 24 april 2023. Met dit besluit is verweerder niet aan eisers verzoek tegemoetgekomen. Dat blijkt uit eisers brief aan de rechtbank van 22 april 2024 en uit het bezwaarschrift dat hij kennelijk op 13 november 2023 aan verweerder heeft gestuurd. Daardoor is er van rechtswege een beroep ontstaan tegen het besluit van 4 oktober 2023.
7.1.
Ter zitting is besproken dat dit beroep zich nog beperkt tot drie onderdelen van het handhavingsverzoek. Het eerste onderdeel betreft het grasveld naast Café d’n Hiemel. Dat grasveld is door evenementen beschadigd geraakt en volgens eiser nog altijd niet hersteld. Het tweede onderdeel betreft de plaatsing van twee roze tonnen door de uitbater van het café bij de ingang van de st. Bernardusstraat. Eiser vindt deze tonnen lelijk en bovendien zijn ze niet vergund. Het derde onderdeel betreft het terras van Café d’n Hiemel. Dat is met veel tafels en stoelen doorgaans veel groter dan de vergunde 63 m2.
Is eiser belanghebbende bij het handhavingsverzoek?
8. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser belanghebbende is bij het handhavingsverzoek.
8.1.
Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, moet een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Uit rechtspraak volgt dat voor het zijn van belanghebbende aannemelijk moet zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn, dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op en planologische uitstraling van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien.
8.2.
Eiser woont hemelsbreed gemeten op een afstand van circa 200 meter van het terrein waarop het handhavingsverzoek ziet. Door deze afstand en de aanwezigheid van onder meer een walmuur tussen de woning van eiser en het terrein, heeft eiser geen zicht op de gestelde overtredingen. Ter zitting is verder gebleken dat eiser ter plaatse van zijn woning ook geen andere gevolgen ondervindt van de gestelde overtredingen. De gestelde overtredingen hebben dus geen directe invloed op de woon- en leefomgeving van eiser. Dat eiser regelmatig in het stadspark wandelt en dan langs het terrein bij het café komt, maakt het voorgaande niet anders. Daarmee heeft eiser geen bijzonder individueel belang dat hem onderscheidt van andere wandelaars in het park. Ook de door eiser gestelde aantasting van de monumentale uitstraling van het terrein levert eiser geen bijzonder individueel belang op. Daarom is eiser geen belanghebbende bij zijn handhavingsverzoek van 24 april 2023. Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt beoordeeld.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
9. Ter zitting heeft eiser in het kader van het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2023 op zijn handhavingsverzoek, verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
10. Vaste rechtspraak is dat zaken binnen een redelijke termijn moeten worden behandeld. In de regel is dat een termijn van twee jaren. De rechtbank gaat in dit geval ook uit van een redelijke termijn van twee jaren. Als in een procedure over een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een reëel besluit wordt genomen, vangt de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep over het reële besluit aan op de dag waarop het beroep van rechtswege is ontstaan.
10.1.
Het reële besluit in deze procedure is op 4 oktober 2023 genomen, zodat op die dag het beroep van rechtswege daartegen is ontstaan. Dit betekent dat de redelijke termijn tot 4 oktober 2025 liep. De procedure eindigt met deze uitspraak. Dat betekent dat de redelijke termijn met iets meer dan vier maanden is overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dan ook recht op een schadevergoeding van € 500,-. Gelet hierop zal de rechtbank de Staat der Nederlanden veroordelen tot het betalen van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 500,-.
iii). Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers Woo-verzoek inzake het rapport van de parkregisseur en de resultaten van de enquête
Waar gaat dit beroep niet tijdig over?
11. Eiser eist in zijn beroepschrift dat zijn brief van 11 juni 2023 binnen 7 dagen wordt beantwoord. In deze brief staat dat de burgemeester van verweerders gemeente begin 2022 heeft beloofd dat eiser het rapport van de parkregisseur mocht verwachten in juni 2022 en dat dit is opgeschoven naar juli, augustus en vervolgens september 2022. Vervolgens zijn bewoners eind van het jaar 2022 benaderd door een enquêteur. Eiser verzoekt verweerder in de brief om hem het rapport van de parkregisseur en de resultaten van de enquête zo snel mogelijk te laten toekomen.
11.1.
Op 27 juli 2023 heeft eiser verweerder een ‘dwangbrief’ gestuurd. Daarin verwijst hij naar zijn brief van 11 juni 2023 en geeft hij aan dat hij aanspraak maakt op een dwangsom indien verweerder niet binnen 14 dagen een antwoord verstrekt.
11.2.
Met de brief van 17 augustus 2023 heeft eiser verweerder een ingebrekestelling gestuurd. Eiser verzoekt verweerder tot betaling van de verbeurde dwangsom over te gaan. Verder schrijft eiser dat hij een beroep doet op de Woo en vraagt hij verweerder wederom om het rapport van de parkregisseur en de resultaten van de enquête op te sturen.
11.3.
Met het besluit van 4 oktober 2023 op het Woo-verzoek van eiser heeft verweerder het rapport van de parkregisseur, met daarin de resultaten van de enquête verwerkt, aan eiser verstrekt.
11.4.
Eiser heeft ter zitting gesteld dat zijn eis in het beroepschrift moet worden gezien als een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn Woo-verzoek. Hij heeft belang bij de beoordeling daarvan omdat de rechtbank bij een gegrond beroep aan verweerder een dwangsom kan opleggen voor het geval verweerder eisers brieven in de toekomst niet of niet tijdig beantwoordt. Eiser heeft verder bevestigd dat met het reële besluit van 4 oktober 2023 is tegemoetgekomen aan zijn verzoek, zodat er geen beroep van rechtswege is ontstaan tegen dat reële besluit.
Heeft eiser nog belang bij een (afzonderlijke) beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit?
12. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of eiser met de brief van 11 juni 2023 reeds een Woo-verzoek heeft gedaan, of dat dit pas het geval was met de brief van 17 augustus 2023. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dat Woo-verzoek niet-ontvankelijk is omdat eiser daarbij geen (proces)belang meer heeft. Verweerder heeft met het besluit van 4 oktober 2023 namelijk alsnog beslist op eisers Woo-verzoek en daarmee is het doel van het beroep niet tijdig bereikt. Voor het opleggen van een dwangsom aan verweerder voor het geval verweerder eisers brieven in de toekomst niet of niet tijdig beantwoordt ontbreekt een wettelijke grondslag. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor in overweging 5.3 is geoordeeld. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij belang heeft bij een afzonderlijke beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het Woo-verzoek. Dit beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
13. Ter zitting heeft eiser in het kader van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het Woo-verzoek verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wijst dit verzoek af onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in overweging 6 is geoordeeld.
iv). Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers Woo-verzoek inzake alle documentatie, notulen, rapporten, aantekeningen en memo’s bij het rapport van de parkregisseur
Waar gaat dit beroep niet tijdig over?
14. Eiser eist in zijn beroepschrift dat zijn brief van 4 september 2023 binnen 7 dagen wordt beantwoord. In deze brief verwijst eiser naar zijn eerdere brieven over het rapport van de parkregisseur en de enquête. In aanvulling daarop schrijft eiser dat hij verweerder met een beroep op de Woo verzoekt om hem alle documentatie, notulen, rapporten, aantekeningen en memo’s te doen toekomen.
14.1.
Met het besluit van 18 oktober 2023 op het Woo-verzoek van eiser heeft verweerder de gevraagde documenten (behoudens daarin opgenomen persoonsgegevens) aan eiser verstrekt.
14.2.
Eiser heeft ter zitting gesteld dat zijn eis in het beroepschrift moet worden gezien als een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn Woo-verzoek. Hij heeft belang bij de beoordeling daarvan omdat de rechtbank bij een gegrond beroep aan verweerder een dwangsom kan opleggen voor het geval verweerder eisers brieven in de toekomst niet of niet tijdig beantwoordt. Eiser heeft verder bevestigd dat met het reële besluit van 18 oktober 2023 is tegemoetgekomen aan zijn verzoek, zodat er geen beroep van rechtswege is ontstaan tegen dat reële besluit.
Kon eiser beroep instellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit?
15. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
16. Eiser heeft op 4 september 2023 een Woo-verzoek bij verweerder ingediend. Op grond van artikel 4.4, eerste lid, van de Woo, heeft verweerder vier weken de tijd om op een Woo-verzoek te beslissen. Deze beslistermijn van vier weken was op het moment dat eiser zijn beroep indiende (14 september 2023, ontvangen door de rechtbank op 15 september 2023) nog niet verstreken. Eisers beroep was ten aanzien van dit onderdeel dus prematuur en is reeds daarom niet-ontvankelijk.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
17. Ter zitting heeft eiser in het kader van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het Woo-verzoek verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wijst dit verzoek af onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in overweging 6 is geoordeeld.
v). Het verzoek tot oplegging van een dwangsom aan verweerder bij het niet beantwoorden van brieven
18. Eiser eist in zijn beroepschrift dat bij een volgende keer niet beantwoorden van een dwangbrief door verweerder, een vergoeding geldt van minimaal € 10.000,- na afloop van de beslistermijn na de dwangbrief. Ter zitting is verduidelijkt dat eiser de rechtbank verzoekt om aan verweerder een dwangsom op te leggen van minimaal € 10.000,- in de situatie dat verweerder in de toekomst na een ingebrekestelling door eiser niet binnen twee weken beslist.
19. Voor zover eiser de rechtbank dit verzoek heeft willen doen (ook) los van de verschillende beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit, geldt het volgende. De wet geeft de bestuursrechter de mogelijkheid om in specifieke gevallen een dwangsom op te leggen. Zoals hierboven in overweging 5.3 reeds uiteengezet geeft de wet de bestuursrechter geen mogelijkheid om aan een bestuursorgaan ten aanzien van nog onbepaalde en toekomstige aanvragen en ingebrekestellingen een beslistermijn op te leggen en daaraan een dwangsom te koppelen. Een dergelijk verzoek kan niet bij de bestuursrechter worden gedaan en daarom is de rechtbank in deze procedure niet bevoegd om op het verzoek te beslissen.
vi). Verzoek om schadevergoeding
20. Eiser heeft in zijn beroepschrift en de daaropvolgende brieven diverse verzoeken om schadevergoeding gedaan, waaronder:
een vergoeding van € 10.000,- per brief van eiser in 2021 en 2022;
een vergoeding van € 10.000,- per week vanaf 2023;
betaling van facturen van ARAG en mediators en adviseurs;
een vergoeding van € 100.000,- voor inkomstenderving;
een nader te bepalen bedrag vanwege immateriële schade aan eisers gezin; en
een wettelijke schadevergoeding.
21. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende heeft geleden als gevolg van een onrechtmatig besluit. De bestuursrechter heeft deze bevoegdheid voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000,- bedraagt.
21.1.
Voor de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding zoekt de bestuursrechter zoveel mogelijk aansluiting bij het schadevergoedingsrecht in het Burgerlijk Wetboek (BW). Allereerst dient vast komen te staan dat de besluitvorming onrechtmatig is. Deze onrechtmatigheid dient vervolgens aan het bestuursorgaan toe te rekenen te zijn. Door de verzoeker moet vervolgens aannemelijk worden gemaakt dat er schade is geleden. Tot slot moet een causaal verband bestaan tussen de gestelde schade en het onrechtmatige besluit en moet sprake zijn van relativiteit. De stelplicht en bewijslast van de schade en het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de schade liggen bij de verzoeker.
22. Met de brief van 28 november 2025 heeft de rechtbank eiser verzocht om voorafgaand aan de zitting een schriftelijk overzicht te verstrekken van de gevraagde schadevergoedingen, met per schadepost de juridische grondslag en het (onrechtmatige) besluit dan wel niet tijdig nemen van een besluit waardoor de gestelde schade is geleden. De rechtbank heeft hierop geen reactie ontvangen.
22.1.
Ter zitting heeft eiser toegelicht dat het verzoek om schadevergoeding is gebaseerd op artikel 8:88 van de Awb en dat hij de gevraagde schadevergoeding matigt tot een bedrag van € 25.000,-. Desgevraagd kon eiser niet toelichten op welke schade het bedrag van € 25.000,- ziet en door welk (onrechtmatig) besluit deze schade zou zijn veroorzaakt. Dat betekent dat het verzoek onvoldoende is toegelicht en onderbouwd en reeds daarom moet worden afgewezen.
Conclusie en gevolgen
23. De drie beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit zijn niet-ontvankelijk omdat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van die beroepen of omdat het beroep prematuur is ingesteld. Deze beroepen worden daarom niet inhoudelijk beoordeeld.
23.1.
Ook het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 4 oktober 2023 op het handhavingsverzoek van 24 april 2023 is niet-ontvankelijk. Eiser is namelijk geen belanghebbende bij het handhavingsverzoek. Dat betekent dat ook dit beroep niet inhoudelijk zal worden beoordeeld. Wel krijgt eiser in het kader van dit beroep een schadevergoeding van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn, te betalen door de Staat der Nederlanden.
23.2.
Ten aanzien van eisers verzoek tot oplegging van een dwangsom aan verweerder bij het niet (tijdig) beantwoorden van toekomstige brieven of niet (tijdig) nemen van toekomstige besluiten, komt de rechtbank tot de conclusie dat zij niet bevoegd is om daarop te beslissen.
23.3.
Eisers verzoek om schadevergoeding wordt tot slot afgewezen omdat dit verzoek niet is gemotiveerd en onderbouwd.
24. Op het moment dat eiser het beroep indiende tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek van 24 april 2023 (onderdeel i) was verweerder in gebreke tijdig te beslissen. Eiser heeft dit beroep dan ook niet ten onrechte ingesteld. Verweerder moet daarom het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser vergoeden. Eiser krijgt in dit beroep ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (één punt voor de behandeling van het beroep ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt en met een wegingsfactor 0,5 omdat het bij dit beroep uitsluitend gaat om het niet tijdig nemen van een besluit). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
24.1.
Ten aanzien van de andere onderdelen van eisers beroep is er geen aanleiding voor een (afzonderlijke) proceskostenveroordeling. Ook niet voor de verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, nu deze verzoeken mondeling ter zitting zijn gedaan en verder niet inhoudelijk zijn besproken.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers handhavingsverzoek van 24 april 2023 niet-ontvankelijk;
verklaart het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 4 oktober 2023 op eisers handhavingsverzoek van 24 april 2023 niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers verzoek op grond van de Woo inzake het rapport van de parkregisseur en de resultaten van de enquête niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers Woo-verzoek inzake alle documentatie, notulen, rapporten, aantekeningen en memo’s bij het rapport van de parkregisseur niet-ontvankelijk;
wijst eisers verzoeken om schadevergoeding af;
bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn;
verklaart zich onbevoegd om op het verzoek tot oplegging van een dwangsom aan verweerder bij het niet (tijdig) beantwoorden van toekomstige brieven of niet (tijdig) nemen van toekomstige besluiten te beslissen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van mr. L.G.G.M. van Buggenum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 januari 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Op grond van artikel 4:13 van de Awb.
Artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb.
Uitspraak van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571.
Zie hierover de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 28 april 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI2748) en van de Afdeling van 17 juni 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI8475).
De rechtbank heeft dit bezwaarschrift niet van verweerder ontvangen.
Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
Zie hierover de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1703.
Artikel 1:2 van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737.
Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Dat staat in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb..
Dat staat in artikel 8:89, tweede lid, van de Awb. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|