|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2026:4187 | | | | | Datum uitspraak | : | 16-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 15-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | C/03/349434 / FA RK 26-25 C/03/349434 / FA RK 26-25 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Verzoek tot wijziging voornamen minderjarige toegewezen. De vader is in dit bijzondere geval geen belanghebbende in de zin van 798 lid 1 Rv. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | | Uitspraak | RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 16 april 2026
Zaaknummer: C/03/349434 / FA RK 26-253
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de volgende beschikking gegeven inzake:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonend in [plaats] ,
advocaat mr. C.C.J. van Pol, kantoorhoudend in Echt, gemeente Echt-Susteren,
over:
[minderjarige]
,
hierna te noemen [minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift van de moeder, ingekomen op 5 februari 2026;
- de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 16 april 2026 en waarbij zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door mr. Van Pol;
- [minderjarige] , die apart is gehoord.
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter met toepassing van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld. Deze beschikking vormt de volledige schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak van de rechter.
2De feiten
2.1
[minderjarige] is geboren uit de inmiddels beëindigde affectieve relatie tussen de moeder en de heer [de vader] (hierna de vader).
2.2
De geboorteakte van [minderjarige] is ingeschreven in het daartoe bestemde register van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats] onder [nummer] van het jaar 2008. Aan die geboorteakte is een latere vermelding betreffende erkenning toegevoegd, waaruit blijkt dat de vader [minderjarige] op 19 april 2010 heeft erkend.
2.3
De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de moeder.
3Het verzoek
3.1
De moeder verzoekt, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de voornamen van [minderjarige] worden gewijzigd in [voornamen 1] onder het laten vervallen van de voornamen [voornamen 2] , zulks in dier voege dat zij verdergaand de naam [naam] zal dragen.
4De beoordeling
Belanghebbende
4.1
De rechtbank neemt eerst een beslissing op het verzoek van de moeder om de vader niet als belanghebbende aan te merken in deze procedure. De rechtbank volgt de moeder in dat standpunt en overweegt daartoe als volgt.
4.2
Artikel 798 lid 1 Rv bepaalt dat voor de toepassing van de afdeling in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering die ziet op de rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht, in andere zaken dan in scheidingszaken, onder ‘belanghebbende’ wordt verstaan “degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft”. De door deze bepaling bestreken kring van belanghebbenden kan niet in algemene zin worden afgebakend. Welke persoon of instelling als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt bepaald – aan de ene kant – door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en – aan de andere kant – door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die betrokkene in die zaak belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv. In de wetsgeschiedenis van deze bepaling is opgemerkt dat tot de door die bepaling beschermde ‘rechten en verplichtingen’ behoren de rechten die een burger kan ontlenen aan de een ieder verbindende bepalingen van het EVRM. Uit de rechtspraak van het EHRM moet worden afgeleid dat een persoon die aanspraak kan maken op bescherming van zijn familie- en gezinsleven dan wel zijn privéleven, een en ander zoals voorzien in artikel 8 lid 1 EVRM, tevens aanspraak erop kan maken dat hij in voldoende mate betrokken wordt in het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in dat familie- en gezinsleven respectievelijk dat privéleven. Die aanspraak ziet mede op de gerechtelijke procedure, welke procedure op zichzelf tevens moet voldoen aan de eisen die voortvloeien uit artikel 6 EVRM. De door artikel 8 EVRM vereiste mate waarin en wijze waarop de belanghebbende bij het besluitvormingsproces wordt betrokken, zijn afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval en de aard en de mate van ingrijpendheid van de te nemen maatregelen.
4.3
Niet ter discussie staat dat er in het verleden contact is geweest tussen de vader en [minderjarige] , waardoor er ook sprake is van family life. Het wijzigen van namen, zoals in deze zaak namen die betrekking hebben op (de familie van de) vader en ook samen met de moeder door de vader aan [minderjarige] zijn gegeven, levert een inmenging op in dit tussen [minderjarige] en de vader bestaande familie- en gezinsleven. De vader dient in beginsel dan ook te worden betrokken in het besluitvormingsproces daarover. De rechtbank overweegt verder dat het gezins- en familieleven tussen ouder en kind kan ophouden te bestaan, maar dit zal slechts onder bijzondere, zwaarwegende omstandigheden aan de orde zijn.
4.4
Hoewel dus aangenomen kan worden dat er tussen de vader en [minderjarige] in het verleden family life heeft bestaan, is de rechtbank met de moeder van oordeel dat daarvan nu geen sprake meer is en dat de vader daarom ook geen rechtstreeks belang meer heeft bij het verzoek van de moeder. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de stukken, maar ook de aanvullende verklaring van de moeder ter zitting, blijkt dat [minderjarige] zich afgewezen voelt door de vader (die, ondanks dat er sprake was van een rechtens vastgelegde contactregeling met [minderjarige] , geen pogingen heeft ondernomen om contact met haar te onderhouden), waardoor zij de afgelopen jaren psychisch enorm heeft geleden. [minderjarige] kan hier nu beter mee omgaan, maar om op dit punt te komen heeft zij de afgelopen jaren wel veelvuldig therapie moeten volgen. [minderjarige] zelf heeft daarover verklaard dat zij vanaf haar zesde levensjaar al therapie heeft gevolgd omdat zij nachtmerries had over de vader. Het ging een periode zelfs zo slecht met haar dat zij niet meer in staat was om vijf dagen per week onderwijs te volgen. [minderjarige] heeft onder andere EMDR-therapie gehad en haar laatste therapie in 2024 afgerond. Sindsdien gaat het beter met haar en weet zij waar zij om hulp kan vragen als dat nodig is. Omdat gebleken is dat de vader bewust uit het leven van [minderjarige] is verdwenen en daardoor bovendien enorme schade heeft berokkend aan het emotionele en psychisch welzijn van [minderjarige] , is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een bijzondere situatie die maakt dat het gezins- en familieleven tussen de vader en [minderjarige] is opgehouden te bestaan. Daarin betrekt de rechtbank tevens dat de advocaat van de moeder ter zitting heeft aangegeven dat [minderjarige] wenst dat het verzoek wordt ingetrokken als de vader wel als belanghebbende zal worden aangemerkt, waaruit de rechtbank eveneens afleidt dat de vader een voor [minderjarige] zeer gevoelig thema is, waarvan zij tot op heden nog steeds last heeft. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de vader in deze procedure niet als belanghebbende dient te worden aangemerkt en zal de rechtbank verder inhoudelijk beslissen op het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
4.5
Artikel 1:4 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft de rechter de (discretionaire) bevoegdheid op verzoek van de betrokken persoon of van zijn wettelijke vertegenwoordiger de wijziging te gelasten van zijn voornamen. De moeder, die is belast met het gezag over [minderjarige] , verzoekt, als wettelijke vertegenwoordiger, de voornamen van [minderjarige] te wijzigen.
4.6
Op grond van voornoemd artikel moet voor een wijziging van de voornamen een voldoende zwaarwichtig belang bestaan. Bepalend bij de vraag of sprake is van een zwaarwichtig belang, is de mate van ongemak en/of overlast die de betrokkene in het dagelijks leven van zijn voornamen ondervindt. Daarbij dienen alle feiten en omstandigheden te worden meegewogen. Verder moet het verzoek worden getoetst aan artikel 1:4 lid 2 BW en moet worden beoordeeld of de gewenste voornamen niet ongepast zijn of overeenstemmen met bestaande geslachtsnamen, tenzij deze tevens gebruikelijke voornamen zijn.
4.7
De rechtbank is van oordeel dat de moeder met de door haar gegeven toelichting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [minderjarige] in het dagelijks leven op dit moment hinder en ongemak ervaart van haar voornamen. Ook [minderjarige] zelf heeft dat verklaard. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. [minderjarige] is via haar [voornaam 1] vernoemd naar haar oma vaderszijde en via haar [voornaam 2] naar de broer van de vader. [minderjarige] heeft echter nooit contact gehad met oma vaderszijde en slechts zeer beperkt contact gehad met de broer van de vader. Bovendien heeft [minderjarige] al sinds 2017 ook geen enkel contact meer met de vader gehad, terwijl het contact daarvoor bovendien onregelmatig was. Het is ook niet aannemelijk dat dit contact ooit nog hersteld zal worden. Dat er nooit sprake is geweest van (goed) contact, is voor [minderjarige] zeer pijnlijk. [minderjarige] voelde zich telkens opnieuw door de vader in de steek gelaten en met zijn familie heeft zij ook geen, althans nauwelijks, een band opgebouwd. Deze situatie is voor [minderjarige] traumatisch (geweest) en het heeft lange tijd en veel therapie gekost om hiermee in het reine te komen. [minderjarige] vindt het pijnlijk dat zij via haar voornamen is vernoemd naar familie van de vader, terwijl zij geen contact heeft (gehad) met deze familie en ook al zeer lange tijd niet meer met de vader zelf. Zij vindt het daarom onprettig en onwenselijk om wel steeds met deze namen geconfronteerd te worden, zoals in officiële documenten. Het is voor de moeder en [minderjarige] van belang dat zij niet langer via haar voornamen verbonden is aan de vader, die voor hen enkel negatieve gevoelens en herinneringen met zich meebrengen. Om de nare periode in het verleden volledig af te kunnen sluiten wenst [minderjarige] tevens dat haar twee andere voornamen [voornaam 3] en [voornaam 4] worden geschrapt. Volgens [minderjarige] zijn de moeder en haar oma moederszijde de belangrijkste personen die er altijd voor haar zijn geweest en zij wenst daarom (enkel) voornamen die naar deze personen verwijzen, te weten [voornaam 5] en [voornaam 6] .
4.8
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder voldoende toegelicht dat de namen [voornaam 1] en [voornaam 2] een zeer negatieve lading hebben en dat [minderjarige] in het dagelijks leven in bijzondere mate last hiervan ervaart. De moeder heeft eveneens voldoende toegelicht waarom de namen [voornaam 3] en [voornaam 4] eveneens dienen te worden geschrapt. [minderjarige] heeft dit in het gesprek met de kinderrechter ook bevestigd. Daarmee is het zwaarwichtige belang bij de verzochte voornaamswijziging voldoende komen vast te staan.
4.9
Niet gebleken is van beletselen als bedoeld in artikel 1:4 lid 2 BW. Gezien het vorenstaande zal het verzoek tot wijziging van de naam van [minderjarige] worden toegewezen, in die zin dat de voornamen [voornamen 2] worden gewijzigd in ‘ [voornamen 1] ’.
4.10
Ingevolge artikel 1:4 lid 4 BW geschiedt de wijziging van de voornaam doordat van de beschikking een latere vermelding aan de akte van geboorte van de betrokken persoon wordt toegevoegd, overeenkomstig artikel 1:20a lid 1 BW. Gebleken is dat de geboorteakte van [minderjarige] is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats] .
4.11
De rechtbank zal daarom bepalen dat de griffier niet eerder dan drie maanden na de dag van deze beschikking, en voor zover daartegen geen hoger beroep is ingesteld, een afschrift van de beschikking zal zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats] .
5De beslissing
De rechtbank:
5.1
gelast de wijziging van de voornaam van [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] , van wie de geboorteakte is opgenomen in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats] in het jaar 2008 onder [nummer] , in die zin dat de voornamen ‘ [voornamen 2] ’ worden gewijzigd in ‘ [voornamen 1] ’, zodat haar volledige naam zal komen te luiden: ‘ [naam] ’;
5.2
bepaalt dat de griffier op de voet van het bepaalde in artikel 1:20e lid 1 BW niet eerder dan drie maanden na de dag van deze beschikking een afschrift daarvan zal zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats] , dit met het oog op het bepaalde in artikel 20, lid 1 en onder a, BW juncto artikel 1:20a lid 1 BW.
Deze beschikking is gegeven door mr. dr. Van Binnebeke, rechter tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Schuman, griffier, op 16 april 2026 en op schrift gesteld op 30 april 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|