|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2026:4908 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | ROE 23/3288 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Verzoek om handhaving. Geen sprake van een in de rechtspraak genoemde uitzondering op grond waarvan foerageergebieden (van in dit geval de das) worden beschermd via het soortenbeschermingsregime van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wnb. Hoewel sprake is van een overtreding van het bij de ontheffing behorende voorschrift, is handhavend optreden onevenredig gelet op het doel en de noodzaak daarvan. Geen sprake van en situatie dat de functionaliteit van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de das in het gebied werd aangetast. Beroep gegrond, vernietiging van het bestreden besluit met instandlating rechtsgevolgen. | | Trefwoorden | : | bestuursdwang | | | perceel | | | vee | | | | Uitspraak | RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 23/3288
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen
Stichting Dassenwerkgroep Limburg, uit Margraten,
Stichting Das & Boom, uit Ubbergen en
Stichting Natuur en Milieufederatie Limburg, uit Maastricht, gezamenlijk eisers
(gemachtigde: drs. J.W.M. Baars),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg, verweerder
(gemachtigden: B.M.C. Maas, L.A.J.A. Thijssen en R.B.M. Klok).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Windpark Greenport Venlo B.V. uit Venlo (vergunninghoudster) (gemachtigde: mr. J.C. Schouten).
Procesverloop
1. Eisers hebben een handhavingsverzoek ingediend voor een gestelde overtreding van de Wet natuurbescherming (Wnb) op het terrein [locatie] in [plaats] . Verweerder heeft dit verzoek met het primaire besluit van 16 februari 2023 afgewezen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 26 september 2023 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven en is het bezwaar van de Stichting Natuur en Milieufederatie niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend. Verweerder heeft daarbij als bijlage nog een controlerapport van 23 april 2025 toegezonden. Eisers hebben vervolgens op 6 mei 2025 nog een nader stuk ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] , namens Stichting Natuur en Milieufederatie Limburg, de gemachtigde van eisers, de gemachtigden van verweerder, [naam 2] en [naam 3] namens vergunninghoudster en de gemachtigde van vergunninghoudster.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding: wat ging er aan deze zaak vooraf en wat zijn de relevante feiten?
2. Verweerder heeft bij besluit van 25 januari 2018 aan Etriplus B.V. ontheffing verleend van de verbodsbepalingen als bedoeld in de artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wnb in verband met de bouw en het in gebruik hebben van negen windturbines aan de [straatnaam 1] . Verder heeft verweerder de aanvraag om ontheffing geweigerd voor zover deze ziet op het verbod genoemd in artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb ten aanzien van de das (een zogenoemde positieve weigering). Verweerder geeft daarvoor als motivering dat het betreffende verbod, mede gelet op de voorgestelde maatregelen, niet wordt overtreden mits de in het ‘Mitigatie- en compensatieplan Windpark Greenport Venlo– Mitigatie locatie en gebruiksfase, Programma van eisen voor de uitvoering’ (hierna: het Mitigatie- en compensatieplan) van 24 november 2017 genoemde maatregelen worden uitgevoerd. Als voorschrift aan de ontheffing is opgenomen dat de maatregelen uitgevoerd dienen te worden als omschreven in het Mitigatie- en compensatieplan, te weten mitigatie voor het verlies van 3.710 m² voor de das door aanplant van een boomgaard, hagen en kruidenrijk grasland op perceel [kadasternummer 1] (hierna: het perceel). Verder staat onder paragraaf 4.2.3. vermeld dat het vervangend foerageergebied functioneel is voorafgaande aan de bouw van de windturbines. Het Mitigatie- en compensatieplan maakt tevens als bijlage onderdeel uit van de ontheffing. Door de benodigde verharding van met name de turbines 3, 4, 5 en 6 gaat namelijk foerageergebied van de das verloren.
2.1.
Door een pachtclaim op genoemd perceel bleek herinrichting van dit perceel niet mogelijk. Een alternatief perceel is gevonden langs de [straatnaam 2] te weten op het perceel [kadasternummer 2] (hierna: het compensatieperceel). Als inrichting van dit compensatieperceel geldt dat de kruidenrijke vegetatie op het hele compensatieperceel wordt gemaaid en ruige stalmest wordt aangebracht, zodat het bodemleven een extra stimulans krijgt (opwaardering van secundair naar primair leefgebied). In de brief van 25 november 2021 heeft verweerder geconcludeerd dat de aanleg van de windturbines, ook op het gewijzigde migratieperceel (het compensatieperceel), niet leidt tot een overtreding van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 van de Wnb voor de das zodat een ontheffing niet nodig is.
Op 12, 26 en 31 oktober 2022 heeft een toezichthouder, naar aanleiding van een eerder handhavingsverzoek van eisers van 12 juli 2022, onderzoek uitgevoerd en blijkens het “Rapport planmatige controle Wet natuurbescherming (Wnb), Hoofdstuk 3: Soortenbescherming” van 22 november 2022 geconstateerd dat de werkzaamheden voor het plaatsen van windmolens waren afgerond en het compensatieperceel is uitgevoerd conform de positieve weigering van 25 januari 2018.
Verzoek om handhaving
3. Op 21 december 2022 hebben eisers opnieuw een verzoek om handhaving ingediend met betrekking tot overtredingen van de Wnb door de bouw van de windturbines in het gebied [locatie] . Volgens eisers brengt dit het voortbestaan van de nog aanwezige dassenpopulatie in het gebied verder in gevaar, als gevolg van het verlies van een deel van het oorspronkelijke foerageergebied, zonder dat er functioneel foerageergebied als compensatie aanwezig is. Eisers stellen dat bij de bouw van twee windturbines niet voldaan is aan het Mitigatie- en compensatieplan, aangezien de aanleg van 0,37 hectare optimaal foerageergebied van de das bestaande uit bemest kruidenrijk grasland en vruchtdragende beplanting niet is aangelegd voorafgaand aan de bouw van de windturbines. Hierdoor resteert er volgens eisers te weinig foerageergebied voor de dassenpopulatie in [locatie] , wat in strijd is met artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb.
4. Naar aanleiding van het verzoek tot handhaving heeft verweerder nogmaals controles uitgevoerd, te weten op 5 mei 2023 en 1 juni 2023, en de bevindingen daarvan zijn neergelegd in het controlerapport van 16 juni 2023.
De standpunten van partijen
Het standpunt van verweerder
5. Verweerder heeft het handhavingsverzoek bij het primaire besluit afgewezen, omdat de compensatie ten behoeve van de activiteiten inzake het windpark volgens verweerder conform het Mitigatie- en compensatieplan zijn uitgevoerd. Ook is volgens verweerder geen sprake van een aantasting van het foerageergebied van de das die tot gevolg heeft dat de dassenclan op één moment in zijn geheel van deze plaats vertrekt of tot gevolg heeft dat de omvang van die groep geleidelijk afneemt. Dat op 5 mei 2023 tijdens de controle is vastgesteld dat de grond verdicht was en het gras gelig was, maakt nog niet dat sprake is van één van de hiervoor genoemde gevolgen.
6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van Stichting Natuur en Milieufederatie niet-ontvankelijk verklaard, omdat in de machtiging - waaruit moet blijken dat drs. J.W.M. Baars gemachtigd is om namens de Stichting Natuur en Milieufederatie Limburg de bezwaarprocedure te volgen - een datum ontbreekt, waardoor niet kan worden vastgesteld dat de machtiging ziet op de bezwaarprocedure.
6.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit verder de bezwaren van Stichting Dassenwerkgroep Limburg en Stichting Das & Boom ongegrond verklaard.
Daartoe stelt verweerder dat de in bezwaar uitgevoerde controles van 5 mei en 1 juni 2023, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het controlerapport van 16 juni 2023, geen aanleiding geven tot wijziging van het in het primaire besluit ingenomen standpunt.
Verweerder stelt dat voor het vaststellen van een overtreding niet enkel relevant is of het compensatieperceel op het moment van de start van de windturbines functioneel was. Relevant is de vraag of sprake is van een aantasting van het foerageergebied van de das welke tot gevolg heeft dat de dassenclan op één moment in zijn geheel van deze plaats vertrekt, of die tot gevolg heeft dat de omvang van die groep geleidelijk afneemt, bijvoorbeeld omdat het reproductievermogen vermindert waardoor geconcludeerd dient te worden dat de functionaliteit van de vaste voortplantings- of rustplaats wordt aangetast. Blijkens het controlerapport van 16 juni 2023 was hiervan geen sprake, zodat geen sprake is van een overtreding van artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb. Dat het perceel als gevolg van het gebruik als parkeer- dan wel kampeerplaats mogelijk minder geschikt is als foerageergebied voor de das, maakt nog niet dat sprake is van een overtreding van artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb.
Het beroep van eisers
7. Eisers stellen in beroep dat het verlies aan foerageergebied gecompenseerd moet worden met nieuw functioneel primair foerageergebied, los van de vraag of het verlies leidt tot overtreding van artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb. Er moet gecompenseerd worden omdat er foerageergebied verloren gaat.
Het compensatieperceel voldoet op geen enkele wijze aan de voorschriften van het besluit van 25 januari 2018, hetgeen op foto’s is vastgelegd. Verweerder is in het bestreden besluit niet ingegaan op deze foto’s. Er is geen weilandenbodem, maar vastgereden harde bodem met puinresten. Ook zijn er geen fruitbomen. Verder is er geen vee kerend raster, geen kort begraasd gras en zijn er geen sporen van dasbezoek, maar wel sporen van crossmotoren. De positieve weigering is een verplichting om de voorgestelde compenserende en mitigerende maatregelen te nemen. De maatregelen worden nota bene in de verleende ontheffing, tevens positieve weigering, expliciet en volledig omschreven. Alleen dan is een ontheffing niet nodig en zal er geen overtreding van de Wnb plaatsvinden. Zonder nader onderzoek te (laten) doen wordt in het controlerapport geconstateerd dat de grond verdicht was en het gras er gelig uitzag, maar dat zegt niets over de bodemfauna en dus over de vraag of het perceel functioneel primair foerageergebied is. Dit kan enkel worden vastgesteld als de bodemfauna door deskundigen onderzocht wordt en deze vastgesteld hebben dat er voldoende voedsel voor de das aanwezig is. Gelet op het voorgaande stellen eisers zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de daaraan door verweerder ten grondslag gelegde argumenten zodat sprake is van een motiveringsgebrek.
Wat vindt de rechtbank van de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van Stichting Natuur en Milieufederatie Limburg?
8. De rechtbank stelt vast dat geen beroepsgronden zijn ingediend tegen de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van Stichting Natuur en Milieufederatie Limburg. Dit betekent dat er daarom geen aanleiding is tot vernietiging van het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar van Stichting Natuur en Milieufederatie Limburg niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep voor zover ingediend door Stichting Natuur en Milieufederatie Limburg is daarom ongegrond.
Wat vindt de rechtbank van de ongegrond verklaring van de bezwaren van Stichting Dassenwerkgroep en Stichting Das & Boom?
Omvang van het geding
9. De rechtbank overweegt dat dit geding zich toespitst op de vraag of sprake is van een overtreding waartegen handhavend moet worden opgetreden. Het besluit van 25 januari 2018 (de ontheffing en de positieve weigering) ligt niet ter beoordeling voor. Het besluit van 25 januari 2018 is inmiddels onherroepelijk en daarmee in rechte onaantastbaar. Het voorgaande betekent dat de gronden van beroep, voor zover die zich richten tegen de ontheffing en de positieve weigering, niet beoordeeld kunnen worden.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
10. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving van de Wnb is gedaan op 21 december 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wnb zoals die gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Juridisch kader
11. Op grond van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wnb is het verboden om de vaste voortplantings- of rustplaatsen van in het wild levende zoogdieren, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij de Wnb, opzettelijk te beschadigen of te vernielen. De das is vermeld onderdeel A van deze bijlage bij de Wnb.
12. Uit vaste rechtspraak, zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1457, en 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2597, volgt dat foerageergebieden in beginsel niet worden beschermd via het soortenbeschermingsregime van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wnb. Eén van de uitzonderingen daarop doet zich voor als een essentieel foerageergebied dat niet samenvalt met een vaste voortplantings- of rustplaats zodanig wordt aangetast dat daardoor de functionaliteit van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de betrokken diersoort wordt aangetast. Onder een essentieel foerageergebied wordt daarbij verstaan: een foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantings- of rustplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen.
Is sprake van een overtreding van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wnb?
13. De rechtbank stelt voorop dat niet is bestreden dat in het plangebied van het windpark geen vaste voortplantings- of rustplaatsen van de das voorkomen, zodat hier bij de beoordeling van wordt uitgegaan. De rechtbank stelt vast dat op meer dan 250 meter afstand van de windturbines 4, 5 en 6 twee dassenburchten liggen. Gelet daarop leidt het plan
niet tot het opzettelijk vernielen of beschadigen van vaste voortplantings- of rustplaatsen, zodat in zoverre artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wnb niet wordt overtreden.
14. Naar het oordeel van de rechtbank is ook geen sprake van een in de rechtspraak genoemde uitzondering op grond waarvan foerageergebieden worden beschermd via het soortenbeschermingsregime van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wnb. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
14.1.
Vast staat dat in het controlerapport van 22 november 2022 is geconstateerd dat de werkzaamheden voor het plaatsen van windmolens waren afgerond en het compensatieperceel is uitgevoerd conform de positieve weigering. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek heeft verweerder opnieuw controles uitgevoerd. Uit het controlerapport van 16 juni 2023 volgt onder paragraaf 4.2 dat de werkzaamheden voor het plaatsen van windmolens ten tijde van de controles waren afgerond. Verder vermeldt het controlerapport dat op 5 mei 2023 is waargenomen dat de grond van het compensatieperceel verdicht was, het gras er gelig uitzag en het grondmonster lastig te nemen was door de verdichting van de grond. Op 1 juni 2023 is waargenomen dat het perceel in het centrale stuk verdicht is. Langs de randen van de kopse kanten van het perceel werd de grond weer losser en de grasmat dichter. Ook zijn op de kopse kant nabij de spoorwegovergang enkele molshopen waargenomen. In het controlerapport is verder, in paragraaf 4.5 onder het kopje ‘Conclusie’, opgenomen dat voor het compensatieperceel voor het Windmolenpark herstelmaatregelen uitgevoerd dienen te worden, nadat in het najaar 2022 is waargenomen dat het perceel voldeed aan de in de brief van 25 november 2021gestelde vereisten voor inrichting (wat ook door verscheidene waarnemingen aan de kopse kanten werd bevestigd) maar ten tijde van de controle op 1 juni 2023 niet meer voldeed vanwege niet bestemd gebruik.
14.2.
Gelet hierop is de rechtbank, ex tunc toetsend, van oordeel dat het compensatieperceel ten tijde van het tot stand komen van het primaire besluit wel en ten tijde van het bestreden besluit niet (meer) voldeed aan de vereiste inrichting en daardoor geen (primair) foerageergebied was, zodat de beroepsgrond in die zin terecht is voorgedragen. Daargelaten of ten tijde van het primaire besluit dan wel het bestreden besluit werd voldaan aan voorschrift 2.2. van het besluit van 25 januari 2018 – wat hierna aan de orde komt – is niet gebleken dat sprake was van een situatie op basis waarvan volgens de onder punt 12. genoemde rechtspraak foerageergebieden worden beschermd door artikel 3.10, eerste lid aanhef en onder b, van de Wnb. Er is immers niet gesteld of gebleken dat sprake was van een situatie waarin onvoldoende voedsel voor de das binnen en buiten [locatie] aanwezig was zodat deze in zijn voortbestaan werd bedreigd. Gelet hierop was er ten tijde van het tot stand komen van het primaire besluit geen sprake van een situatie dat essentieel foerageergebied zodanig wordt aangetast dat daardoor de functionaliteit van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de das wordt aangetast. De rechtbank betrekt daarbij ook de ter zitting gegeven verklaring van de gemachtigde van eisers, die sinds maart 2022 de dassenburchten constant monitort met twee camera’s, dat in 2025 meer jongeren zijn geboren dan voorgaande jaren. In 2023 zijn er geen dassen geboren, in 2024 zijn er twee jongen geboren en in 2025 zijn er in totaal tien jongen geworpen door drie dassen. Het voorgaande betekent dat niet is gebleken dat er afbreuk is gedaan aan het streven de populatie dassen in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Dat de jongen erg klein zouden zijn, zoals ter zitting door de gemachtigde van eisers is gesteld, maakt dit niet anders.
14.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat geen sprake is van overtreding van artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb, zodat verweerder niet bevoegd was tot handhavend optreden en in zoverre daarom terecht het handhavingsverzoek heeft afgewezen.
Is voorschrift 2.2. behorend bij het besluit van 25 januari 2018 overtreden?
15. Pas ter zitting is duidelijk geworden dat het handhavingsverzoek van eisers ook ziet op handhaving van voorschrift 2.2. van de ontheffing van 25 januari 2018. Eisers zijn namelijk van mening dat sprake is van overtreding van dit voorschrift, omdat het compensatieperceel niet voldoet aan de in het Mitigatie- en compensatieplan genoemde vereisten.
16. De rechtbank is met Stichting Dassenwerkgroep Limburg en Stichting Das & Boom van oordeel dat het compenseren van het verlies aan foerageergebied een verplichting is. De rechtbank is echter van oordeel dat indien hieraan niet is voldaan dit niet tot gevolg heeft dat de (voorschriften van de) ontheffing van 25 januari 2018 wordt overtreden. Er is namelijk geen ontheffing verleend voor de das in verband met de aanleg van de negen windturbines. Als gevolg daarvan zijn er ook geen voorschriften behorende bij de ontheffing die overtreden kunnen worden. Aan een positieve weigering kunnen geen voorschriften worden verbonden. Dat, als ter zitting door eisers is gesteld, dit tot gevolg zou hebben dat verweerder niet tot een positieve weigering had kunnen komen en in plaats daarvan een ontheffing voor de das verleend had moeten worden, kan op zichzelf niet beoordeeld worden, omdat in deze zaak de afwijzing van het handhavingsverzoek ter beoordeling voorligt.
17. Voor zover het verzoek om handhaving zo moet worden verstaan dat sprake is van een overtreding van voorschrift 2.2. van de ontheffing omdat compensatie volgens dit voorschrift dient te gescheiden op het perceel, [kadasternummer 1] en niet op het compensatieperceel, overweegt de rechtbank als volgt.
17.1.
Vast staat dat op het perceel [kadasternummer 1] geen compenserende maatregelen hebben plaatsgevonden en kunnen plaatsvinden als gevolg van de pachtclaim die op dit perceel rust. Daarmee is in zoverre niet voldaan aan het voorschrift behorend bij de ontheffing van het besluit van 25 januari 2018 om op voornoemd perceel maatregelen uit te voeren en is in die zin sprake van een overtreding van de voorschriften. Verweerder heeft dit miskend. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen in stand te laten en heeft daartoe het volgend overwogen.
17.2.
Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. De beginselplicht tot handhaving geldt voor bevoegdheden om een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom op te leggen, de herstelsancties uit de Awb. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving.
17.3.
Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
17.4.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
17.5.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval handhavend optreden onevenredig is gelet op het doel van handhaving en de noodzaak daarvan. Daarvoor is van belang dat verweerder als gevolg van de pachtclaim bij brief van 25 november 2021 het compensatieperceel heeft aangewezen als alternatief voor het in voorschrift 2.2. bedoelde perceel. Op grond daarvan geldt als inrichting van dit compensatieperceel dat de kruidenrijke vegetatie op het hele compensatieperceel wordt gemaaid en ruige stalmest wordt aangebracht, zodat het bodemleven een extra stimulans krijgt (opwaardering van secundair naar primair leefgebied). Daarbij heeft verweerder geconcludeerd dat de aanleg van de windturbines, ook op het gewijzigde migratieperceel (het compensatieperceel), niet leidt tot een overtreding van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 van de Wnb voor de das zodat een ontheffing niet nodig is. Eisers hebben niet betwist dat het compensatieperceel en de inrichting daarvan op zichzelf geschikt is om als gelijkwaardig alternatief te dienen voor het oorspronkelijk in voorschrift 2.2. van de ontheffing aangewezen perceel, zodat de rechtbank bij de verder beoordeling hiervan uitgaat. Eisers hebben alleen betoogd dat niet is voldaan aan de in de brief van 25 november 2021 genoemde vereiste inrichting van het perceel. De rechtbank volgt eisers daarin niet, nu in het controlerapport van 22 november 2022 is geconstateerd dat de werkzaamheden voor het plaatsen van windmolens waren afgerond en het compensatieperceel is uitgevoerd conform de positieve weigering in de brief van 25 november 2021. Bovendien is hiervoor onder punt 15 tot en met 15.2 geoordeeld dat, hoewel het compensatieperceel na het tot stand komen van het primaire besluit niet meer aan de vereiste inrichting voldeed, er geen sprake was van een situatie dat de functionaliteit van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de das in het gebied werd aangetast. Gelet op de voorgaande omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat handhavend optreden in dit geval geen doel of noodzaak dient en dus niet evenredig is.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep, voor zover ingediend door Stichting Natuur en Milieufederatie Limburg is ongegrond. Dat betekent dat het besluit voor zover daarbij het bezwaar van Stichting Natuur en Milieufederatie Limburg niet-ontvankelijk is verklaard in stand blijft.
19. Het beroep van Stichting Dassenwerkgroep en Stichting Das & Boom is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij hun bezwaren ongegrond zijn verklaard. De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen in stand te laten.
19.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan Stichting Dassenwerkgroep en Stichting Das & Boom het door of namens hen betaalde griffierecht van € 365,- vergoedt.
19.2.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door Stichting Dassenwerkgroep en Stichting Das & Boom gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, en een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep voor zover ingediend door Stichting Natuur en Milieufederatie Limburg ongegrond;
verklaart het beroep voor zover ingediend door Stichting Dassenwerkgroep en Stichting Das & Boom gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de bezwaren ongegrond zijn verklaard;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand blijven;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365,- aan Stichting Dassenwerkgroep en Stichting Das & Boom te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van Stichting Dassenwerkgroep en Stichting Das & Boom tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Krens, voorzitter, en mr. K.M.J.A. Smitsmans en mr. M.B.L. van der Weele, leden, in aanwezigheid van mr. P.M. van den Brekel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026
De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 19 mei 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In de uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|