|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2026:5080 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | ROE 25/1398 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Het UWV heeft zonder enig nader onderzoek uit de uitlating van eiseres dat zij niks mocht doen geconcludeerd dat zij niet verzekerd was voor de Ziektewet en heeft daarom uitkering geweigerd. De rechtbank is van oordeel dat de weigering van het UWV om daarvan terug te komen evident onredelijk is.
Dat de overgelegde medische gegevens dateren van voor de oorspronkelijke weigeren betekent niet dat daarop artikel 4:6, tweede lid, van de AWB van toepassing is. Wel is sprake van een laattijdige aanvraag, wat voor risico van eiseres komt. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | burgerlijk wetboek | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/1398
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. P.H.A. Brauer),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen), het Uwv
(gemachtigde: M. Wardenburg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het Uwv I heeft mogen besluiten om niet terug te komen van de weigering in 2015 om aan eiseres een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen en II op goede gronden heeft geweigerd om aan eiseres een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat het Uwv een nieuw besluit moet nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 4 december 2024 heeft het Uwv besloten om niet terug te komen van het besluit van 3 september 2015, waarbij is geweigerd om aan eiseres een ZW-uitkering toe te kennen omdat zij niet verzekerd werd geacht voor de ZW.
2.1.
Met het bestreden besluit van 28 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is het Uwv bij zijn standpunt gebleven, omdat er volgens het Uwv geen sprake is van nieuw gebleken feiten en/of veranderde omstandigheden (nova).
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld, gevoegd met het beroep van eiseres in de zaak ROE 25/1414. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv. Het beroep is ter zitting geschorst om bij het Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid-Limburg (WOZL) nadere informatie over eiseres op te vragen. In de gevoegde zaak heeft de rechtbank op 11 maart 2026 afzonderlijk uitspraak gedaan.
2.5.
Bij brief van 13 maart 2026 heeft het WOZL stukken betreffende eiseres ingestuurd. Eiseres en het Uwv hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2.6.
Partijen hebben toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is van 15 april 2007 tot 17 oktober 2007 in dienst geweest bij IKEA als baliemedewerkster. Op 16 september 2007 is zij ziek gemeld vanwege forse psychische problematiek. Vanaf einde dienstverband tot 9 april 2009 heeft zij een uitkering op grond van de ZW ontvangen. Op 23 juli 2012 heeft het Uwv voor eiseres een indicatie voor beschut werk in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (WSW) afgegeven.
4. Eiseres is vervolgens van 27 oktober 2014 tot en met 26 mei 2015 voor gemiddeld 32 uur per week in WSW-verband in dienst geweest bij WOZL. Vanaf 27 mei 2015 heeft zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Op 12 juni 2015 is eiseres ziek gemeld met terugwerkende kracht vanaf 4 mei 2015 en heeft zij een ZW-uitkering aangevraagd. Verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] heeft in haar rapport van 29 juni 2015 vastgesteld dat eiseres concentratie- en angstklachten ervaart en dat eiseres tegen haar heeft gezegd dat zij in de laatste maand van haar dienstverband alleen maar op een stoel mocht zitten en niks doen. De verzekeringsarts heeft toen intern de vraag opgeworpen of er sprake is geweest van verzekerde arbeid. In afwachting van het antwoord daarop is haar onderzoek afgebroken. Arbeidsdeskundige [naam arbeidsdeskundige] heeft in het rappoort van 1 juli 2015 (enkel) op basis van voormelde uitlating van eiseres tijdens het onderzoek van de verzekeringsarts geconcludeerd dat eiseres geen productieve arbeid heeft verricht en daarom geen recht heeft op ZW-uitkering, maar wel op WW-uitkering. Bij besluit van 3 september 2015 is de WW-uitkering per 27 augustus 2015 stopgezet en aansluitend een ZW-uitkering geweigerd op de grond dat eiseres niet verzekerd was voor de ZW omdat geen sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid.
5. Bij brief van 21 juni 2024 heeft eiseres (onder meer) verzocht aan het Uwv om alsnog aan haar een ZW-uitkering toe te kennen vanaf 27 mei 2015 dan wel aansluitend aan haar WW-uitkering. Ook heeft zij verzocht om aan haar na de maximale ZW-periode een WIA-uitkering toe te kennen. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft eiseres een rapport van 21 april 1994 van een psycho-pedagogisch onderzoek, opgesteld door een ontwikkelingspsycholoog, overgelegd. Daarnaast heeft eiseres medische informatie van Telepsy aan haar huisarts, gedateerd op 16 december 2011, overgelegd. Verder heeft eiseres verwezen naar de rapportage van een psychologisch deskundigenonderzoek van 18 juni 2012 naar aanleiding van haar aanvraag voor een indicatie in het kader van de WSW.
6. Bij besluit van 4 december 2024 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van het besluit van 3 september 2015 onder verwijzing naar de motivering van dat eerdere besluit. Tevens is in dat besluit de weigering opgenomen om een WIA-uitkering toe te kennen, omdat uit het ontbreken van een verzekeringsplicht voor de ZW volgt dat er ook geen verzekeringsplicht was voor de WIA. Bij het bestreden besluit is het Uwv bij die standpunten gebleven. Het Uwv heeft daarbij overwogen dat eiseres met de stelling dat zij bij WOZL wel werkzaamheden heeft verricht en niet alleen heeft gezeten, geen novum aanvoert omdat zij dit ook al in 2015 naar voren had kunnen brengen.
Standpunt van eiseres
7. Eiseres heeft – samengevat weergegeven – aangevoerd dat zij als gevolg van ernstige psychische problematiek het besluit van 3 september 2015 onherroepelijk heeft laten worden. Dat sprake was (en nog steeds is) van dergelijke problematiek blijkt ook uit het feit dat er voor haar een indicatie in het kader van de WSW is afgegeven. Eiseres heeft bij WOZL wel degelijk persoonlijk arbeid verricht. Alle stukken wijzen erop dat zij een dienstverband had bij WOZL. De data van het dienstverband zijn gegeven en er is loon betaald. Ook is er een WW-uitkering toegekend, die niet zou zijn toegekend als zij niet zou hebben gewerkt. Eiseres wijst erop dat zij tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure heeft beschreven welke werkzaamheden zij onder andere heeft gedaan. Eiseres betoogt dat het besluit van 3 september 2015 evident onredelijk is en dat er bovendien nova zijn.
Toetsingskader
8. Het verzoek van eiseres strekt er in de eerste plaats toe dat wordt teruggekomen van het besluit van 3 september 2015 in het kader van de ZW. Het Uwv heeft op het verzoek van eiseres beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter primair aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nova zijn. Onder nova wordt verstaan feiten en/of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten en/of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
Oordeel op basis van de beroepsgronden
9. De rechtbank stelt voorop dat de in overweging 5 genoemde medische gegevens die eiseres heeft overgelegd geen nova zijn in relatie tot het besluit van 3 september 2015 omdat deze geen betrekking hebben op de verzekeringsplicht van eiseres. Maar de rechtbank is van oordeel dat het in dit geval evident onredelijk is dat het Uwv is blijven vasthouden aan de rechtsgrond waarop de weigering van ZW in het besluit van 3 september 2015 berust. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
10. Het standpunt van het Uwv in het besluit van 3 september 2015 over de verzekeringsplicht berust uitsluitend op de uitlating van eiseres tegen de verzekeringsarts dat zij in de laatste maand van haar dienstverband alleen maar op een stoel mocht zitten en niks doen. Zonder enig nader onderzoek naar de omstandigheden en achtergronden van die uitlating, door bijvoorbeeld een nadere vraagstelling aan eiseres en/of navraag bij de werkgever, heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat geen sprake is geweest van productieve arbeid en heeft het Uwv geconcludeerd dat eiseres geen werknemer was in de zin van de ZW. Het Uwv doelt daarbij op het criterium “verplichting om arbeid te verrichten” dat een element is van het werknemersbegrip van de ZW. Dat houdt, voor zover van belang, dat sprake moet zijn van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het enkele feit dat op enig moment binnen een dienstverband feitelijk geen arbeid wordt verricht betekent in privaatrechtelijke zin niet zonder meer dat de verplichting om de bedongen arbeid te verrichten niet meer bestaat. En artikel 6, tweede lid, van de ZW bepaalt weliswaar dat geen dienstbetrekking wordt geacht aanwezig te zijn op dagen dat geen arbeid wordt verricht, maar dat geldt alleen als op die dagen minder dan de helft van het loon wordt genoten. Zoals ook in voornoemd rapport van de arbeidsdeskundige vermeld, is het loon van eiseres gedurende haar hele dienstverband bij WOZL doorbetaald. Daar komt nog bij dat in het gesprek van eiseres met de verzekeringsarts doorklinkt dat er sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding, waarbij het niet ongebruikelijk is dat een werknemer in het kader van de (doorlopende) arbeidsovereenkomst bij wijze van disciplinaire of ordemaatregel of in afwachting van ontslag met behoud van salaris op non-actief wordt gesteld. Ten slotte valt niet te begrijpen dat het Uwv heeft aangenomen dat er op de datum van ziekmelding wel een verzekeringsplicht bestond voor de WW, maar niet voor de ZW, terwijl de criteria daarvoor in die twee wetten niet op relevante punten verschillen. De rechtbank is daarom van oordeel dat zelfs al uit hetgeen ten tijde van het besluit van 3 september 2015 bij het Uwv bekend was, moet worden geconcludeerd dat dat besluit op een onmiskenbaar onjuiste grondslag berust. De rechtbank vindt het daarom evident onredelijk dat het Uwv aan die grondslag vasthoudt. Daaruit volgt ook dat de weigering van het Uwv om een WIA-uitkering toe te kennen niet op een deugdelijke grondslag berust.
11. Uit het oordeel in overweging 10 vloeit voort dat het Uwv een nieuw besluit zal moeten nemen op de aanvraag van 21 juni 2024. Daartoe dient in elk geval het in 2015 afgebroken verzekeringsgeneeskundig onderzoek te worden afgerond, waarbij alle inmiddels voorhanden medische gegevens en informatie over het functioneren van eiseres moeten worden betrokken. Ter inkadering van die beoordeling merkt de rechtbank daarover nog het volgende op. Het feit dat het gaat om gegevens die dateren van voor de datum van de ziekmelding in 2015, maakt niet dat daarvoor de nova-toets van het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb geldt. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zijn er destijds immers niet aan toegekomen om deze gegevens bij eiseres of rechtstreeks bij haar behandelaars en/of werkgever op te vragen en het besluit van 3 september betreft dan ook geen inhoudelijk standpunt over arbeidsongeschiktheid. Maar dat neemt niet weg dat onduidelijkheden of onzekerheden die zijn ontstaan door het tijdsverloop tussen de ziekmelding in 2015 en de laattijdige aanvraag in juni 2024 voor risico van eiseres komen.
12. De rechtbank tekent bij het voorgaande nog aan dat de na de schorsing ter zitting van WOZL verkregen stukken niet doorslaggevend zijn voor het oordeel dat is verwoord in overweging 10. Tijdens de behandeling ter zitting ontstond enige twijfel of eiseres zelf die gegevens van WOZL zou krijgen. Dat was voor de rechtbank reden om in dit specifieke geval deze gegevens zelf op te vragen in het belang van materiële oplossing van het geschil. Ten overvloede merkt de rechtbank ten slotte op dat uit die stukken onder meer blijkt dat eiseres in de laatste fase van haar dienstverband bij wijze van proef was geplaatst bij het bedrijf Relim, dat zij daar lichte administratieve werkzaamheden heeft verricht en ten slotte is vrijgesteld van arbeid met behoud van salaris. De stukken bevestigen het oordeel van de rechtbank derhalve.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond. De zaak is niet geschikt voor het zelf voorzien door de rechtbank. Het toepassen van een bestuurlijke lus is in dit geval geen efficiënte wijze van afdoening. Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
13.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het griffierecht aan eiseres vergoeden en eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in totaal € 2.335,-. Daarbij wordt uitgegaan van 1 punt voor het indienen van de beroepsgronden, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de gevraagde reactie op de na schorsing ingezonden gegevens, met een wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 934,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het Uwv op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres het betaalde griffierecht ten bedrage van € 53,- vergoedt;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.M.A.W. Kusters-van Mulken, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 22 mei 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 3, eerste lid, van de ZW en artikel 6:10, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|