Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBLIM:2026:5754 
 
Datum uitspraak:16-06-2026
Datum gepubliceerd:21-08-2026
Instantie:Rechtbank Limburg
Zaaknummers:25/3005
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van het Bbz, aanvraag afgewezen, bedrijf niet levensvatbaar, beroepsgronden met behulp van AI opgesteld, beroepsgronden die eiser ter zitting niet kon toelichten worden door de rechtbank niet beoordeeld. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
uitkering
vrijstelling
 
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 25/3005

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo
(gemachtigden: N. Scholte en B. Saglam).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet verlenen van bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat het bedrijf van eiser niet levensvatbaar is. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiser op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond.




Procesverloop

2. Op 30 mei 2025 heeft eiser een aanvraag om een uitkering op grond van het Bbz ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal ingediend.

3. Met het primaire besluit van 20 augustus 2025 heeft het college eisers aanvraag afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

4. Met het bestreden besluit van 19 november 2025 heeft het college eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarom beroep ingesteld.

6. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

7. Eiser heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.

8. De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college.




Beoordeling door de rechtbank


Feiten en omstandigheden


9. Aan eiser is per 11 januari 2025 een bijstandsuitkering toegekend. Hij heeft aangegeven dat hij een onderneming wil starten. Een autogarage actief op het gebeid van: bandendienst, dienstverlening (onderhoud en reparaties) en conversies (het ombouwen van voertuigen naar hybride/generator gedreven systemen).

10. Op 23 april 2025 heeft er een gesprek met eiser plaatsgevonden. Eiser heeft zijn ondernemingsplan toen toegelicht. Aan eiser is toen aangegeven dat hij niet beschikt over de juiste papieren. Daarbij is de vraag opgeworpen of de conversies die eiser wil gaan uitvoeren door de RDW zullen worden erkend. Aan eiser is het advies gegeven om samen met zijn werkcoach te focussen op arbeid in loondienst.

11. Na dit gesprek heeft eiser bezwaar gemaakt en zijn bedrijfsplan en financieel plan aangepast. Op 30 mei 2025 heeft eiser een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van het Bbz ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal van € 46.656,- (het maximaal mogelijke bedrag).

12. Het college heeft aan het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) gevraagd onderzoek te doen. IMK heeft een levensvatbaarheidsonderzoek verricht en komt in het rapport van 7 augustus 2025 tot de conclusie dat het bedrijf van eiser niet levensvatbaar is.


Besluitvorming


13. Met het besluit van 20 augustus 2025 heeft het college de aanvraag van eiser afgewezen, omdat het bedrijf niet levensvatbaar is.

14. Eiser heeft het bezwaar, dat hij naar aanleiding van het gesprek van 23 april 2025 reeds had ingesteld, gehandhaafd na het ontvangen van het besluit van 20 augustus 2025. Hij heeft de bezwaargronden aangevuld op 5 september 2025.

15. Met het besluit van 19 november 2025 heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard. Het college stelt dat het advies van het IMK zorgvuldig tot stand is gekomen. Er is sprake van een gedegen rapport, waarin het IMK gemotiveerd heeft aangegeven waarom het bedrijf van eiser niet levensvatbaar is. Het college ziet geen reden om te twijfelen aan de conclusies van het IMK en geen reden om zich niet op de rapportage te kunnen baseren.


Beroepsgronden


16. Eiser is het hier niet mee eens. Op wat eiser heeft aangevoerd wordt hieronder – voor zover van belang – nader ingegaan.


Wettelijk kader


17. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.


Beoordeling door de rechtbank



Levensvatbaarheid


18. Tussen partijen is in geschil of het bedrijf van eiser levensvatbaar is. Omdat het hier gaat om een aanvraag, moet eiser aannemelijk maken dat het bedrijf levensvatbaar is. Voor het beoordelen van de levensvatbaarheid van het bedrijf wordt gekeken naar de situatie op het moment van het besluit op de aanvraag, in dit geval op 20 augustus 2025. Met eventuele ontwikkelingen na die datum wordt geen rekening gehouden.

19. Een bedrijf is levensvatbaar als de zelfstandige uit het bedrijf naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen voldoende moet zijn om aan alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar moeten zijn om het bedrijf op peil te houden en dat wordt voorzien in de kosten van het bestaan.

20. Het college heeft het standpunt dat de onderneming van eiser niet levensvatbaar is, gebaseerd op de conclusies van het IMK. Het IMK heeft onderzoek verricht naar de activiteiten die eiser wil verrichten met zijn bedrijf. Het IMK komt in de rapportage van 7 augustus 2025 tot de conclusie dat het bedrijf van eiser niet levensvatbaar is. Het IMK heeft de verwachting dat na bijstandverlening het inkomen niet toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in de kosten van het bestaan. Als reden hiervoor heeft het IMK aangegeven dat:


er geen sluitende investeringsbegroting of realistische exploitatiebegroting is;


het een plan is op basis van openeindfinanciering, omdat eiser niet weet of conversies van brandstofmotor naar hybride motor technisch haalbaar zijn en ook goedgekeurd worden door het RDW;


eiser geen achtergrond, opleiding of werkervaring in de autobranche heeft, anders dan hobbymatig;


eisers financieel inzicht onvoldoende is;


eiser onvoldoende bewust is van de markt;


eiser onvoldoende commercieel inzicht heeft.



21. Bij de vraag of een bedrijf levensvatbaar is, kan het college zich in principe baseren op adviezen van deskundige instanties zoals het IMK. Dit is alleen anders als er concrete aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van een advies of aan de inhoud ervan.

22. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn bedrijf levensvatbaar is. Eiser heeft geen advies van een deskundige overgelegd dat zijn standpunt ondersteunt dat het een levensvatbaar bedrijf is. Hij heeft ook niet op een andere manier onderbouwd dat zijn bedrijf levensvatbaar is.

23. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het advies van het IMK onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het college mocht zich baseren op de adviezen van het IMK en daarom de aanvraag van eiser afwijzen. Er zijn geen aanwijzingen dat het onderzoek niet goed is uitgevoerd door het IMK. Op de beroepsgrond dat het IMK het advies niet met eiser heeft nabesproken gaat de rechtbank hierna (in overwegingen 25 tot en met 27) apart in. Ook zijn er geen fouten gevonden in het advies en is in het advies duidelijk genoeg uitgelegd waarom het bedrijf van eiser niet levensvatbaar is. In het onderzoek zijn (onder meer) eisers autodidactische achtergrond, zijn opleiding en ervaring meegenomen bij het bepalen van de levensvatbaarheid. Eiser heeft in bezwaar twee ervaringen met auto’s ombouwen uiteengezet, maar hij kon hier geen bewijsstukken van overleggen. Deze prakrijkervaring is bovendien van vele jaren geleden en aangemerkt als hobbymatig. Ook is er geen RDW-keuring geweest van de destijds omgebouwde auto’s en lijkt het er op dat hier geen sprake is geweest van een volledig doorlopen conversieproces. Het college heeft zich op basis van de adviezen van het IMK dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het bedrijf van eiser niet levensvatbaar is.

24. Deze beroepsgrond slaag daarom niet.


Hoor en wederhoor


25. Eiser stelt dat er geen hoor- en wederhoor heeft plaatsgevonden, omdat hij niet de mogelijkheid heeft gekregen om op het advies van het IMK te reageren.

26. De rechtbank overweegt dat er geen algemene wettelijke verplichting voor een adviesinstantie zoals het IMK bestaat, om een betrokkene in de gelegenheid te stellen een reactie te geven op een advies. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank echter wel de mogelijkheid gehad op het advies te reageren. Uit de dossierstukken volgt namelijk dat het IMK-advies aan eiser is toegestuurd. Eiser heeft hier op gereageerd met een e-mail. Uit dossierstukken blijkt verder dat het verzoek om nabespreking is afgewezen, omdat eiser in zijn e-mail niet reageert op gestelde onjuistheden in het advies, maar aangeeft dat hij zijn bedrijfsplan en financieel plan wil aanpassen en een nieuwe versie wil indienen. Voor het beoordelen van de levensvatbaarheid is echter de situatie van het bedrijf op het moment van het besluit op de aanvraag, in dit geval dus op 20 augustus 2025, van belang. Met aangepaste bedrijfsplannen en financiële plannen na die datum wordt dus geen rekening gehouden. Kortom, eiser is voldoende in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het advies van het IMK naar voren te brengen. Het beginsel van hoor en wederhoor is niet geschonden.

27. Deze beroepsgrond slaag daarom niet.





Begeleiding


28. Eiser heeft verder gesteld dat het college hem als pré-starter had moeten aanmerken en hem begeleiding had moeten aanbieden. Eiser vindt dat hij is benadeeld, omdat hij geen begeleiding heeft gehad.

29. De rechtbank stelt vast dat eiser geen aanvraag heeft ingediend om hem aan te merken als pré-starter. Als pré-starter is het mogelijk om een vrijstelling te krijgen van – kort gezegd – de arbeidsverplichtingen en ervaring op te doen met de werkzaamheden die de pré-starter na de voorbereidingsperiode als zelfstandige wil gaan doen. Eiser heeft pas in bezwaar gevraagd om te worden aangemerkt als pré-starter en gevraagd om de voorbereidingsperiode. Een besluit daarover ligt nu niet ter beoordeling aan de rechtbank voor. In deze procedure beoordeelt de rechtbank daarom niet of eiser als pré-starter had moeten worden aangemerkt. De rechtbank beoordeelt nu alleen of het college op goede gronden de bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal heeft afgewezen.

30. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het college, gelet op de formulering van artikel 2, derde lid, van het Bbz, niet verplicht is om begeleiding te bieden aan een pré-starter. Als het college begeleiding aanbiedt dan is de pré-starter wel verplicht daaraan mee te werken. Zoals ter zitting door het college nader is toegelicht zou een pré-starter bijvoorbeeld een cursus ondernemingsvaardigheden aangeboden kunnen krijgen. Enkel een cursus ondernemingsvaardigheden is voor eiser echter onvoldoende. Daarmee kan het gebrek aan werkervaring, opleiding en financieel inzicht van eiser immers niet worden weggenomen. De begeleiding die eiser voor ogen heeft, zoals intensieve begeleiding bij het komen tot een plan voor een levensvatbare onderneming, scholing en het behalen van certificaten om het vak te leren, wordt niet door het college aan pré-starters aangeboden. Als eiser was aangemerkt als pré-starter en als hem begeleiding was aangeboden, dan zou dat dus niet hebben geleid tot een positief advies van het IMK.

31. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.


Vooringenomen


32. Eiser voert verder aan dat de besluitvorming vooringenomen is. Tijdens het gesprek van 23 april 2025 is eiser al geadviseerd om zich te focussen op werken in loondienst. Verder is eiser, nog voordat de bezwaargronden waren ingediend, verteld dat zijn bezwaarschrift zeer weinig kans van slagen zou hebben. Eiser wijst op een interne notitie van 19 november 2025, opgesteld na een gesprek tussen eiser en (onder anderen) L. Guffens. Daarin is vastgelegd: “Vanuit de BBZ is zeer duidelijk gezegd dat hij, hoe goed zijn plan ook zou zijn opgesteld, geen toestemming zou krijgen”. Ook blijkt de vooringenomenheid volgens eiser uit het feit dat de bezwaarschriftencommissie niet onafhankelijk was en het preadvies is gedateerd van voor de hoorzitting, dat vervolgens is aangevuld na de hoorzitting.

33. In artikel 2:4 van de Awb staat dat het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid dient te vervullen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het college het bestreden besluit in strijd met dit verbod heeft vastgesteld. Voordat eiser is gehoord in bezwaar is eiser gevraagd of hij, gelet op het IMK-rapport, het bezwaar wil doorzetten. Daaruit blijk naar het oordeel van de rechtbank niet van vooringenomenheid van het college. Eiser had namelijk al bezwaar gemaakt voordat het besluit van 20 augustus 2026 formeel was genomen. Het college heeft slechts willen nagaan of eiser, na het lezen van dat besluit en het advies van het IMK, bij zijn bezwaar bleef. Eiser is daarna ook nog in de gelegenheid gesteld om de gronden van bezwaar aan te vullen en hij is gehoord op een hoorzitting. Voor het horen in de bezwaarschriftenprocedures bestaan twee procedures. Het horen door of namens het bestuursorgaan zelf en de mogelijkheid van het horen door een onafhankelijke adviescommissie. De rechtbank stelt vast dat er in dit geval een interne bezwaarcommissie is. Dat mag. Het college is niet verplicht een onafhankelijke adviescommissie in te schakelen. Dat voorafgaand aan de hoorzitting een preadvies is opgesteld vormt ook geen aanwijzing voor vooringenomenheid. Het opstellen van een preadvies voorafgaand aan de behandeling van het bezwaar behoort tot de reguliere ambtelijke voorbereiding van de besluitvorming. Juist het feit dat het advies na de hoorzitting is aangevuld, wijst erop dat tijdens de hoorzitting ingebrachte standpunten en argumenten bij de heroverweging zijn betrokken.

34. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.


AI


35. Tot slot overweegt de rechtbank dat tijdens de zitting is besproken dat eiser het beroepschrift heeft opgesteld met behulp van een AI-instrument. De beroepsgronden zijn zeer breed ingestoken en blijven veelal in algemeenheden hangen. Het is voor de rechtbank daardoor lastig om de standpunten van eiser te doorgronden en te duiden waar het eiser echt om gaat. Ter zitting is gebleken dat de levensvatbaarheid van het bedrijf dat eiser wil starten, de begeleiding die eiser had gewenst, de vooringenomenheid waar volgens eiser sprake van is en het gebrek aan hoor -en wederhoor voor eiser van belang zijn. Eiser was tijdens de zitting niet in staat om de andere gronden uit het beroepschrift toe te lichten. Deze beroepsgronden worden daarom niet door de rechtbank beoordeeld. Dat heeft de rechtbank eiser ter zitting reeds medegedeeld.



Conclusie en gevolgen

36. De rechtbank komt tot de conclusie dat het college op goede gronden heeft besloten de aanvraag van eiser om bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal af te wijzen. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Goofers, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M.L. Kousen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 juni 2026




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
















Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet

Artikel 78f
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de verlening van bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van deze wet aan zelfstandigen en aan personen die algemene bijstand ontvangen en voornemens zijn een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stellen voor arbeid in dienstbetrekking gedurende de voorbereidingsperiode van ten hoogste twaalf maanden, waarbij kan worden afgeweken van de artikelen 9, 10 tot en met 10h, 11, 17, 31, 32, 34, 34a, 34b, 35, 40, 41, 43a, 44, 44a, 45, 58, 69, 77, 83 en de paragrafen 4.2, 6.1 en 7.1.

Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004

Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
c. levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep: het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan;

Artikel 2
1. Algemene bijstand kan worden verleend aan:
a. de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is;
(…)
2. Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan slechts worden verleend aan de zelfstandige, bedoeld in de onderdelen a, b en c van het eerste lid.
3. Bijstandsverlening aan een persoon die algemene bijstand ontvangt, die voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stelt voor arbeid in dienstbetrekking kan gedurende een voorbereidingsperiode van ten hoogste 12 maanden worden voortgezet. In een zodanig geval:
a. zijn de artikelen 9, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, en 10 van de wet niet van toepassing;
b. is de belanghebbende verplicht mee te werken aan begeleiding door een door het college aangewezen derde.





In de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004.


Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:194 en meer recent van 19 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1250, te vinden op www.rechtspraak.nl.


In de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004.


Zie Nota van Toelichting, Staatsblad 1995, 203, blz. 24.


Zie de uitspraak van de Raad van 26 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:628, te vinden op www.rechtspraak.nl.


Zie de uitspraak van de Raad van 4 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1087, te vinden op www.rechtspraak.nl.


Zoals is neergelegd in artikel 2, derde lid, onder b, van het Bbz 2004.


Zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, onder b, van het Bbz 2004.


Vrijstelling van artikel 9 en 10 van de Participatiewet.


L. Guffens heeft de Bbz-aanvraag behandeld en het primaire besluit genomen namens het college.


Als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb.
Link naar deze uitspraak