|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2026:6052 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 25-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | ROE 23/1537 ROE 23/1539 ROE 23/1547 ROE 23/1548 en ROE 23/15 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Wet natuurbescherming. Weigering handhaving PAS-melders. GS heeft in de besluiten de natuurbelangen onvoldoende betrokken bij de afweging of handhavend zou worden opgetreden. Volgt vernietiging van de besluiten. Rechtsgevolgen worden in stand gelaten. GS hebben alsnog een toereikende motivering gegeven dat er een redelijk evenwicht is tussen de belangen van de PAS-melders en het natuurbelang. | | Trefwoorden | : | ammoniak | | | melkvee | | | mestopslag | | | paarden | | | rundvee | | | stallen | | | stikstofdepositie | | | veehouderij | | | | Uitspraak | RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 23/1537, 23/1539, 23/1547, 23/1548 en 23/1557.
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juni 2026
in de zaken tussen
Vereniging Leefmilieu, te Nijmegen, eiseres,
(gemachtigde: mr. V. Wösten),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg, verweerder,
(gemachtigden: mr. B.M.C. Maas en mr. J.J. Beek).
Als derde-partij hebben aan de gedingen deelgenomen:
Inzake 23/1537: [derde-partij 1], te [vestigingsplaats 1] ,
(gemachtigde: mr. M.I.J. Toonders), en
23/1547: [derde-partij 2], te [vestigingsplaats 2] ,
(gemachtigde: mr. T. Pothast) en
23/1557: [derde-partij 3], te [vestigingsplaats 3] ,
(gemachtigde: mr. P.M.E.P.J. Joosten).
Procesverloop
Bij brief van 13 oktober 2021 hebben eiseres en Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: MOB) verzocht om handhaving van de Wet natuurbescherming (Wnb) met betrekking tot onder meer het bedrijf van [derde-partij 1] te [vestigingsplaats 1] , van [belanghebbende 1] te [vestigingsplaats 4] , van [derde-partij 2] te [vestigingsplaats 2] , van [belanghebbende 2] te [vestigingsplaats 5] en van [derde-partij 3] te [vestigingsplaats 3] .
Bij brief van 30 januari 2023 hebben eiseres en MOB verweerder in gebreke gesteld en op 6 juli 2023 hebben zij bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun verzoek om handhaving.
Bij besluiten van respectievelijk 24 april 2024, 17 september 2024, 8 november 2024, 19 december 2023 en 24 april 2024 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het verzoek om wegens overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb tegen genoemde bedrijven handhavend op te treden afgewezen.
De beroepen van eiseres en MOB zijn van rechtswege gericht tegen de bestreden besluiten en zij hebben hiertegen beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft verweer gevoerd.
Namens [derde-partij 1] en [derde-partij 2] is een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaken met de nummers ROE 23/1533, 23/1558 en 23/1563. In die zaken doet de rechtbank vandaag separaat uitspraak. Eiseres en MOB zijn verschenen, vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. [derde-partij 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [derde-partij 2] is verschenen, vertegenwoordigd door [belanghebbende 3] , [belanghebbende 4] , [belanghebbende 5] , [belanghebbende 6] en haar gemachtigde. Na afloop van de zitting is het onderzoek gesloten.
Vervolgens zijn de beroepen voor zover ingediend door MOB ingetrokken. De beroepen voor zover ingediend door eiseres zijn gehandhaafd. Hierna worden dan ook alleen nog de beroepen van eiseres besproken.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet natuurbescherming is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuurbescherming het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
1.1.
Het verzoek om handhaving van de Wnb is gedaan op 13 oktober 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
De referentiesituatie en de PAS-meldingen
2. Voor het bedrijf van (destijds de maatschap) [derde-partij 1] (hierna: [derde-partij 1] ) aan de [adres 1] in [vestigingsplaats 6] is op 20 oktober 1988 een Hinderwetvergunning verleend voor het houden van 142 fokvarkens en 360 fokvarkens (biggen tot 22 kg en beren) en voor 135 stuks melkrundvee (inclusief jongvee en kalveren). Verweerder heeft deze Hinderwetvergunning als de referentiesituatie aangemerkt. [derde-partij 1] heeft op 1 juli 2015 bij verweerder een melding ingediend op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) voor het uitbreiden/wijzigen van de bestaande veehouderij. De melding heeft betrekking op een grootste toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Leudal met 0,10 mol/ha/jr.
2.1.
Voor het bedrijf van [belanghebbende 1] aan de [adres 2] in [vestigingsplaats 4] (hierna: [belanghebbende 1] ) is op 16 april 1997 een melding op grond van het destijds geldende Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer (hierna: Bmm) ingediend. De melding voorzag in het houden van 52 stuks vrouwelijk jongvee, 53 melkkoeien en 1 pony. Verweerder heeft deze melding als de referentiesituatie aangemerkt. Het rundveebedrijf van [belanghebbende 1] heeft onder de vigeur van het PAS een uitbreiding/wijziging van de bestaande bedrijfsactiviteiten gerealiseerd, waarvan op 18 juli 2016 een PAS-melding is ingediend die betrekking heeft op een grootste toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Roerdal met 0,12 mol/ha/jaar.
2.2.
Voor het bedrijf van [derde-partij 2] (hierna: [derde-partij 2] ) aan de [adres 3] in [vestigingsplaats 2] is op 28 augustus 1989 een vergunning op grond van de Hinderwet verleend voor het houden van 20 stuks mestkalveren, 20 stuks meststieren, 60 melkkoeien en 50 stuks jongvee. Verweerder heeft deze Hinderwetvergunning als de referentiesituatie aangemerkt. [derde-partij 2] heeft onder de vigeur van het PAS een uitbreiding/wijziging van de bestaande bedrijfsactiviteiten gerealiseerd waarvoor op 28 december 2015 een PAS-melding is ingediend. Deze melding heeft betrekking op een grootste toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel met 0,11 mol/ha/jaar.
2.3.
Voor het bedrijf van [belanghebbende 2] (hierna: [belanghebbende 2] ) aan de [adres 4] in [vestigingsplaats 5] is op 17 juli 1991 een Hinderwetvergunning verleend voor het houden van 78 stuks (melk)rundvee. Verweerder heeft deze Hinderwetvergunning als de referentiesituatie aangemerkt. Het rundveebedrijf van [belanghebbende 2] heeft onder de vigeur van het PAS een uitbreiding/wijziging van de bestaande bedrijfsactiviteiten gerealiseerd waarvoor op 2 juni 2016 een PAS-melding is ingediend. Deze melding heeft betrekking op een grootste toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Noorbeemden & Hoogbos met 0,81 mol/ha/jaar.
2.4.
Voor het bedrijf van [derde-partij 3] (hierna: [derde-partij 3] ) aan de [adres 5] in [vestigingsplaats 3] is op 2 november 1993 een Hinderwetvergunning verleend voor het houden van 91 stuks melkvee en 72 stuks jongvee (totaal 163 stuks melkvee). Verweerder heeft deze Hinderwetvergunning als de referentiesituatie aangemerkt. [derde-partij 3] heeft onder de vigeur van het PAS een uitbreiding/wijziging van de bestaande bedrijfsactiviteiten gerealiseerd waarvoor op 2 juli 2015 een PAS-melding is ingediend. Deze melding heeft betrekking op een grootste toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Leudal met 0,11 mol/ha/jaar.
2.5.
In alle vijf de gevallen gaat het om een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die al overbelast zijn.
3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 29 mei 2019 het PAS vernietigd omdat dit in strijd was met Europese natuurwetgeving.
4. [derde-partij 1] , [belanghebbende 1] , [derde-partij 2] , [belanghebbende 2] en [derde-partij 3] hebben daarna allemaal verzocht om legalisatie van hun PAS-meldingen door het alsnog verlenen van een toereikende natuurvergunning in het kader van de op 1 juli 2021 in de Wnb geïmplementeerde Wet stikstofreductie en natuurverbetering (hierna: de Wsn), meer specifiek op grond van artikel 1.13a van de (gewijzigde) Wnb.
5. Eiseres heeft verweerder op 13 oktober 2021 verzocht handhavend op te treden tegen een groep van 50 zogenaamde PAS-melders, waaronder de hiervóór vermelde bedrijven. Concreet ziet het verzoek om handhaving op overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Op 6 november 2023 heeft eiseres het verzoek ingetrokken voor zover dat mede strekte tot handhavend optreden tegen illegale emissies als gevolg van de bedrijfsactiviteiten beweiden en bemesten.
6. Eiseres heeft op 6 juli 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar handhavingsverzoek van 13 oktober 2021.
De controles en AERIUS-verschilberekeningen
7. Op 7 november 2023 heeft verweerder een controle uitgevoerd op het bedrijf van [derde-partij 1] , waarbij is geconstateerd dat er op dat moment 113 melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar werden gehouden in staltype A1.100, 22 vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (hoogdrachtig) in staltype A3.100, 44 stuks vrouwelijk jongvee in staltype A3.100 en 16 kalveren in staltype A4.100.
Op 14 november 2023 heeft verweerder een controle uitgevoerd op het rundveebedrijf van [belanghebbende 1] , waarbij is geconstateerd dat er in één stal met staltype A4.100 298 stuks rundvee aanwezig waren.
Op 7 mei 2024 heeft verweerder een controle laten uitvoeren bij het bedrijf van [derde-partij 2] . Daarbij is geconstateerd dat er diverse stallen en iglo’s aanwezig zijn, waarin in totaal 196 stuks rundvee en 4 paarden zijn aangetroffen.
Op 9 november 2023 heeft verweerder een controle laten uitvoeren bij het rundveebedrijf van [belanghebbende 2] . Daarbij is geconstateerd dat er in totaal 87 stuks rundvee werden gehouden, verdeeld over 2 stallen met staltypen A1.100 en A3.100.
Op 9 november en 14 en 18 december 2023 heeft verweerder controles laten uitvoeren bij het rundveebedrijf van [derde-partij 3] . Daarbij is geconstateerd dat er in één stal met staltype A1.100, A3.100 en A6.100 133 stuks rundvee en in één stal met staltype A1.100 en A3.100 63 stuks rundvee aanwezig waren.
8. Verweerder heeft bij alle genoemde bedrijven vastgesteld dat de huidige, gewijzigde bedrijfsactiviteiten leiden tot een toename van stikstofdepositie op enig stikstofgevoelig / stikstofoverbelast Natura 2000-gebied ten opzichte van de geldende referentiesituatie. Verweerder heeft op basis van de controles een AERIUS-verschilberekening laten uitvoeren, waarbij de bij de controle feitelijk aangetroffen situatie is vergeleken met de situatie waarvoor de PAS-meldingen door de bedrijven zijn ingediend. Uit de resultaten daarvan is verweerder gebleken dat de stikstofdepositie op enig Natura 2000-gebied als gevolg van de bij de controles feitelijk aangetroffen bedrijfsactiviteiten niet zijn toegenomen ten opzichte van de situaties waarvoor de PAS-meldingen zijn ingediend.
De bestreden besluiten
9. Omdat de stikstofdepositie in de nieuwe situatie meer bedraagt dan in de referentiesituatie, heeft verweerder geconcludeerd dat bij alle genoemde bedrijven sprake is van een overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Aan de PAS-meldingen komt immers juridisch geen betekenis meer toe na de genoemde uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, aldus verweerder. Verweerder heeft zich daarom bevoegd geacht om handhavend op te treden maar heeft daarvan afgezien omdat handhavend optreden volgens hem onevenredig is in verband met de daarmee te dienen doelen. Daartoe heeft verweerder in aanmerking genomen dat deze bedrijven tot de PAS-uitspraak erop mochten vertrouwen dat voor de gerealiseerde wijziging/uitbreiding geen natuurvergunning was vereist. Verder is volgens verweerder in alle gevallen sprake van een overtreding van geringe aard en ernst (toename tussen de 0,10 mol/ha/jaar en 0,81 mol/ha/jaar) en worden derden daardoor niet geschaad. Tevens heeft verweerder gewezen op de implementatie van de Wsn in de Wnb op 1 juli 2021 die onder meer tot doel heeft de stikstofdepositie omlaag te brengen. De bedrijven vallen onder de reikwijdte van artikel 1.13a, eerste lid, van de Wnb en de wetgever heeft in het kader van de rechtszekerheid aangegeven dat deze projecten gelegaliseerd zullen worden. In dit verband wijst verweerder op het legalisatieprogramma PAS-meldingen dat conform artikel 1.13a, tweede lid, van de Wnb op 28 februari 2022 is vastgesteld en gepubliceerd. Hierin staan de maatregelen beschreven om legalisatie mogelijk te maken en deze maatregelen moeten uiterlijk 28 februari 2025 worden uitgevoerd. Ten slotte heeft verweerder gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2024, waarin redenen zijn gegeven waarom sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden waarin aanleiding kan worden gevonden om tot medio 2025 in een concreet geval niet te handhaven als dat voor een PAS-melder onevenredig uitpakt. Volgens verweerder zijn die redenen van toepassing. Omdat de Afdeling heeft geoordeeld dat pas daadwerkelijk van handhaving kan worden afgezien na een nadere beoordeling of er een redelijk evenwicht bestaat tussen het bedrijfsbelang van de PAS-melder aan de ene kant en het natuurbelang aan de andere kant, heeft verweerder tevens de (landelijke en provinciale) stikstof reducerende maatregelen die zijn genomen, toegelicht. Daarnaast heeft verweerder in aanvulling op de herstelmaatregelen die in het kader van het PAS worden uitgevoerd, op 28 januari 2020 het Aanvalsplan Stikstof Limburg (het Aanvalsplan) vastgesteld met daarin een gestructureerde aanpak om stikstofdepositie in de stikstofgevoelige Limburgse natuurgebieden substantieel te verminderen. Die herstelmaatregelen worden in de periode 2021-2025 uitgevoerd. Tevens heeft verweerder gewezen op de uitkoopregelingen die zijn vastgesteld. Zo is gewezen op de SRV-regeling waarmee een additionele stikstofreductie van in totaal 133.351,41 kg ammoniak (NH3) binnen de provincie Limburg wordt bereikt. Ten slotte heeft verweerder gewezen op de LBV(plus)-regeling (Landelijke Beëindigingsregeling veehouderij). Daarvoor is in totaal 1,47 miljard euro beschikbaar en in Limburg hebben 243 agrarische bedrijven een aanvraag ingediend.
9.1.
Ten aanzien van de uitkoop in het kader van de MGA-regeling heeft verweerder aangegeven dat inmiddels al concreet kan worden gemaakt tot welke afname van stikstofdepositie op diverse overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden de uitkoop van 25 bedrijven leidt:
- Voor het bedrijf van [derde-partij 1] leidt de uitkoop concreet tot een grootste afname aan stikstofdepositie van 1,3 mol/ha/jaar op enige maatgevend hexagoon binnen het overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebied het Leudal, terwijl het bedrijf van [derde-partij 1] een toename (ten opzichte van de referentiesituatie)van 0,10 mol/ha/jaar veroorzaakt op dat gebied. Uit een indicatieve cumulatieve AERIUS-berekening volgt een afname aan stikstofdepositie als gevolg van gebruikmaking van de SRV-regeling van 36,71 mol/ha/jaar op het overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebied het Leudal.
- Voor het bedrijf van [belanghebbende 1] leidt de uitkoop tot een grootste afname aan stikstofdepositie van 261,6 mol/ha/jaar op enig maatgevend hexagoon binnen het overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Roerdal, terwijl het bedrijf van [belanghebbende 1] een toename van 0,12 mol/ha/jaar veroorzaakt op dat gebied.
- Voor het bedrijf van [derde-partij 2] leidt de uitkoop concreet tot een grootste afname aan stikstofdepositie van 31 mol/ha/jaar op enig maatgevend hexagoon binnen het overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel, terwijl het bedrijf van [derde-partij 2] een toename van 0,11 mol/ha/jaar veroorzaakt op dat gebied. Verweerder heeft tevens een indicatieve cumulatieve AERIUS-berekening uitgevoerd met betrekking tot de bedrijven die van de SRV-regeling gebruik hebben gemaakt, waarbij een grootste afname van 21,57 mol/ha/jaar aan stikstofdeposities op het overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel is berekend.
- Voor het bedrijf van [belanghebbende 2] leidt de uitkoop tot een grootste afname aan stikstofdepositie van 4,2 mol/ha/jaar op enig maatgevend hexagoon binnen het overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Noorbeemden & Hoogbos, terwijl het bedrijf van [belanghebbende 2] een toename van 0,81 mol/ha/jaar veroorzaakt op dat gebied.
- Voor het bedrijf van [derde-partij 3] leidt de uitkoop van de betreffende 25 bedrijven ten aanzien van het betreffende overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Leudal tot een grootste afname aan stikstofdepositie van 1,3 mol/ha/jaar op enige maatgevend hexagoon binnen genoemd gebied, terwijl het bedrijf van [derde-partij 3] een toename van 0,11 mol/ha/jaar veroorzaakt op dat gebied. Ook hier is relevant dat de SRV-regeling volgens een indicatieve berekening zorgt voor een additionele stikstofreductie van 36,71 mol/ha/jaar op dit Natura 2000-gebied.
Verweerder heeft daarbij vermeld dat de afname van stikstofdepositie als gevolg van de uitkoop in het kader van de MGA-regeling deels expliciet toekomt aan de legalisering van uitbreidingen/wijzigingen van bedrijfsactiviteiten met een geringe stikstofdepositie zoals die van deze bedrijven.
9.2.
Verweerder stelt zich op grond van het vorenstaande in de bestreden besluiten op het standpunt dat bij deze bedrijven sprake is van een situatie als beschreven in de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2024, waarin handhavend optreden tegen PAS-melders in afwachting van legalisatie, zoals voorzien in de Wnb, onevenredig is in verband met de daarmee te dienen doelen. Volgens verweerder bestaat er in de onderhavige gevallen in redelijkheid aanleiding om van handhavend optreden af te zien tot in elk geval medio 2025 (afloop termijn wettelijk legalisatieprogramma). Gelet daarop heeft verweerder het handhavingsverzoek van 13 oktober 2021 bij de bestreden besluiten afgewezen.
Het oordeel van de rechtbank over de beroepen niet tijdig beslissen
10. Eiseres betoogt dat verweerder in verzuim is geweest tijdig een besluit te nemen. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiseres op zitting verklaard dat – nu inmiddels wel besluiten zijn genomen – haar procesbelang wat betreft de beroepen tegen het niet tijdig beslissen is gelegen in de weigering om dwangsommen te betalen en in een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Ter onderbouwing van haar standpunt dat verweerder niet tijdig op de aanvraag heeft beslist, is verwezen naar het bij verweerder bekende verzetschrift dat in vergelijkbare procedures is ingediend tegen uitspraken van deze rechtbank, waarbij de beroepen kennelijk niet ontvankelijk zijn verklaard. Daarin is aangevoerd dat verweerder zonder overtuigende toelichting een uitzonderlijk lange beslistermijn heeft gehanteerd. De beslistermijn is daarna zonder wettelijke bevoegdheid excessief verlengd, aldus eiseres. Verder wordt daarin gesteld dat verweerder niet heeft aangetoond dat de beslistermijn accuraat is gebruikt. Tot slot is gewezen naar andere provincies waar wel binnen een jaar na een soortgelijk verzoek is beslist.
11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit uitspraken van deze rechtbank van onder meer 20 maart 2025 volgt dat de ingebrekestelling van 30 januari 2023 prematuur was. De beroepen tegen het niet tijdig beslissen op het handhavingsverzoek van 13 oktober 2021 zijn daarom niet ontvankelijk en voor een vergoeding van dwangsommen wegens niet tijdig beslissen en een proceskostenveroordeling bestaat dan geen grond, aldus verweerder. Op zitting heeft verweerder aanvullend betoogd dat eiseres en MOB tegen de beslissing van 3 maart 2023 geen bezwaar hebben gemaakt. Dat besluit, waarbij de ingebrekestelling is afgewezen en op grond van artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is beslist dat er geen dwangsommen verschuldigd zijn, is daarom in rechte onaantastbaar geworden volgens verweerder.
12. Naar aanleiding van het verweer dat geen dwangsommen verschuldigd zijn omdat de beschikking van 3 maart 2023 in rechte vaststaat, overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 4:18 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vaststelt binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was. Zoals vermeld, heeft verweerder die beschikking op 3 maart 2023 genomen. Ingevolge artikel 4:19, eerste lid, van de Awb - voor zover hier relevant - heeft het beroep tegen de beschikking op aanvraag (de bestreden besluiten) mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Verder is in artikel 6:20, derde lid, van de Awb bepaald dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Er zijn dus zowel beroepen van rechtswege ontstaan tegen de alsnog genomen besluiten op aanvraag als tegen de beschikking waarbij de dwangsommen zijn geweigerd. Die beroepen zijn van rechtswege en dus onafhankelijk van enige actie van eiseres ontstaan. De omstandigheid dat eiseres geen bezwaarschrift heeft ingediend tegen de beschikking van 3 maart 2023, waarbij de verschuldigdheid van dwangsommen is afgewezen, kan er niet toe leiden dat die beschikking in rechte onaantastbaar is geworden.
13. Ten aanzien van de vraag of niet tijdig op de aanvraag is beslist, moet door de rechtbank beoordeeld worden wanneer in deze zaken de beslistermijn voor verweerder is afgelopen. Artikel 4:13, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een beschikking bij het ontbreken van een wettelijke termijn binnen een redelijke termijn na ontvangst van het verzoek om handhaving moet worden gegeven. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in deze zaak een redelijke beslistermijn op het handhavingsverzoek van 13 oktober 2021 uiterlijk 25 november 2022 was. Het handhavingsverzoek is uitgebreid en heeft betrekking op vijftig inrichtingen/bedrijven, waarvan alleen de coördinaten waren vermeld. Er is verzocht om handhavend optreden tegen het ontbreken van een vergunning voor PAS-melders en tegen emissies vanwege bedrijfstransporten, mestopslag, beweiding en bemesting voor zover daarvoor een vergunning nodig is. Verweerder moest eerst nagaan op welke 50 bedrijven het verzoek betrekking had en vervolgens bij al die bedrijven gegevens opvragen en onderzoek laten doen. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze beslistermijn redelijk mocht vinden en het standpunt mocht innemen dat die uiterlijk op 25 november 2022 afliep. Verweerder heeft vervolgens op 24 november 2022 de beslistermijn verlengd tot 10 november 2023. Ingevolge artikel 4:14, derde lid, van de Awb deelt het bestuursorgaan, indien een besluit niet kan worden genomen binnen de oorspronkelijke beslistermijn, dit mee aan de aanvrager en noemt het tevens een nieuwe redelijke termijn waarbinnen het besluit dan wel volgt. Gelet op de uitgebreidheid van het handhavingsverzoek en het daarmee gemoeide onderzoek, dat vertraging heeft opgelopen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de beslistermijn tot en met 10 november 2023 heeft mogen verlengen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat verweerder zonder overtuigende toelichting een uitzonderlijk lange beslistermijn heeft vastgesteld en die termijn onredelijk lang heeft verlengd. Er bestaat ook geen grond voor het oordeel dat verweerder de beslistermijn niet accuraat heeft gebruikt. De omstandigheid dat in andere provincies volgens eiseres binnen een jaar op een soortgelijk verzoek is beslist, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel: dat maakt de termijn hier niet onredelijk. Eiseres heeft verweerder op 30 januari 2023 en dus vóór afloop van de tot 10 november 2023 verlengde termijn in gebreke gesteld. Daarna heeft zij op 6 juli 2023 beroep ingesteld. Omdat de beslistermijn nog niet was verstreken, heeft de ingebrekestelling geen doel getroffen. De beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit zijn daarom niet ontvankelijk. Voor een veroordeling tot betaling van dwangsommen wegens niet tijdig beslissen of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Het oordeel van de rechtbank over de beroepen tegen de bestreden besluiten
De beroepsgronden
14. Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten aangevoerd dat verweerder de natuurbelangen niet heeft afgewogen. Dit terwijl de Afdeling in de uitspraak van 28 februari 2024 heeft overwogen dat nodig is - als bij PAS-melders niet wordt gehandhaafd - dat de gevolgen van het niet handhavend optreden voor de natuur in beeld zijn en zijn afgewogen voor tenminste dezelfde periode (dat het legalisatieprogramma loopt), dus tot uiterlijk medio 2025. Daarnaast wijst zij erop dat de cumulatieve effecten van het afzien van handhavend optreden bij andere PAS-melders in de provincie Limburg niet zijn beoordeeld. Omdat de wetgever een programmatische legalisatie van de PAS-melders heeft bepaald, is verweerder volgens eiseres ook gehouden een programmatische (cumulatieve) beoordeling te maken van de effecten voor de periode dat wordt afgezien van legalisatie. De inzet van de handhavingsprocedure is het omlaag brengen van stikstofemissies en de PAS-melders hebben hierin een deel bij te dragen, aldus eiseres. De oplossing zal daarom gevonden moeten worden in een integrale aanpak. Eiseres betoogt aanvullend dat de omstandigheid dat depositiereducties optreden als gevolg van stakende bedrijven onvoldoende onderbouwing oplevert om van handhaving af te zien. Ook heeft verweerder verzuimd de staat te benoemen waarin de betrokken natuurwaarden zich bevinden en de urgentie om stikstofdeposities te reduceren. De ecologische informatie uit de NDA en de rode lijst van B-ware is ten onrechte buiten beschouwing gelaten, aldus eiseres. Volgens eiseres geldt voor meerdere habitattypen in de desbetreffende Natura 2000-gebieden een ‘tijdklem’, een urgentie om de deposities op korte termijn 2025/2030, onder de Kritische Depositie Waarde (KDW) te brengen. Verweerder heeft die informatie ten onrechte niet in zijn overweging betrokken. Verder staat volgens eiseres de depositiedaling, die wordt toegeschreven aan stakende bedrijven, niet vast en is die daling daarom onvoldoende zeker. Verweerder benadrukt slechts de marginaliteit van de depositiebijdragen van de onderhavige bedrijven en legt ten onrechte niet uit waarom in deze omstandigheden extra deposities toelaatbaar zijn, aldus eiseres. Eiseres voert ten slotte aan dat haar procespositie door verweerder onredelijk wordt bemoeilijkt omdat de termijn om af te zien van handhaving onbekend is. Omdat vooralsnog onbekend is of op enig moment legalisatie zal plaatsvinden, wordt zij gedwongen om de hele langdurige procedure opnieuw te gaan voeren als er geen legalisaties volgen. De verzoeker om handhaving wordt op die manier buiten spel gezet en verweerder had een voorwaardelijk (handhavings)besluit moeten nemen dan wel een zodanig besluit dat haar procespositie in stand blijft. Eiseres vordert gegrondverklaring van haar beroepen tegen de besluiten tot afwijzing van haar handhavingsverzoek onder veroordeling van verweerder in de proceskosten.
Het verweer
15. Omdat de beroepen niet tijdig beslissen niet ontvankelijk zijn, is volgens verweerder geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, van de Awb, Niet alleen tegen de reactie op de ingebrekestelling maar ook tegen de bestreden besluiten had eiseres (tijdig) bezwaar moeten maken. Nu dat niet is gebeurd hebben de bestreden besluiten volgens verweerder formele rechtskracht gekregen. Verder zijn de gronden tegen de bestreden besluiten veel te laat ingediend, aldus verweerder. Verweerder betoogt daarom primair dat (ook) de ingestelde beroepen tegen de bestreden besluiten niet ontvankelijk dienen te worden verklaard.
16. Verweerder heeft subsidiair aangevoerd dat in de bestreden besluiten uitgebreid is stilgestaan bij de provinciale stikstof reducerende maatregelen, waarmee een afname aan stikstofdepositie wordt gerealiseerd. Daarmee zijn de natuurbelangen bij het niet handhavend optreden, voldoende afgewogen, aldus verweerder.
17. Naar aanleiding van verweerders primaire betoog dat de beroepen tegen de bestreden besluiten niet ontvankelijk dienen te worden verklaard omdat de beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek, niet ontvankelijk zijn, overweegt de rechtbank onder verwijzing naar r.o. 12 dat uit artikel 6:20, derde lid, van Awb volgt dat de beroepen tegen de alsnog genomen besluiten van rechtswege en dus onafhankelijk van enige actie van eiseres zijn ontstaan. Ook de omstandigheid dat de rechtbank soms lang heeft gewacht om eiseres om een reactie te vragen naar aanleiding van de alsnog genomen besluiten en pas daarna daartegen nadere beroepsgronden zijn ingediend, kan niet leiden tot een niet ontvankelijkheid van die beroepen.
Oordeel van de rechtbank
18. De rechtbank stelt vervolgens vast dat het verzoek om handhaving is gedaan tegen vijftig van tweehonderd PAS-melders in Limburg. De onderhavige zaken hebben betrekking op een weigering handhavend op te treden tegen vijf PAS-melders die na de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 niet beschikken over de benodigde natuurvergunning omdat aan hun PAS-melding geen betekenis meer toekomt. Op hun situatie is de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2024 van toepassing. In beroep is aangevoerd dat verweerder niet heeft voldaan aan alle door de Afdeling geformuleerde voorwaarden om (tot medio 2025) van handhavend optreden af te zien. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder is nagegaan of er een redelijk evenwicht is tussen aan de ene kant het bedrijfsbelang van de PAS-melders dat er niet wordt gehandhaafd en aan de andere kant het natuurbelang dat juist wel is gediend met het nemen van maatregelen. Verweerder moet volgens genoemde uitspraak namelijk per geval bekijken wat tot medio 2025 de gevolgen zijn voor de natuur als niet wordt gehandhaafd. Bij die belangenafweging kunnen provincies ook natuurmaatregelen treffen en die moeten dan ook doorlopen tot medio 2025. Wanneer die maatregelen inhouden dat bepaalde activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken, stoppen, moet vaststaan dat in deze periode de activiteiten die zijn betrokken in de maatregelen, niet kunnen worden hervat.
19. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat verweerder het cumulatieve effect van het afzien van handhavend optreden tegen andere PAS-melders in de provincie Limburg had moeten beoordelen. Natuurverbetering en het verlagen van stikstofdepositie op de overbelaste Limburgse Natura 2000-gebieden vergt inderdaad een integrale aanpak. En daar is verweerder ook volop mee bezig. Maar dat neemt niet weg dat hier is beslist op een verzoek om handhaving dat in eerste instantie betrekking had op vijftig van de tweehonderd PAS-melders in Limburg. Daarvan liggen nu acht zaken concreet ter beoordeling voor, namelijk de vijf zaken waarop deze uitspraak ziet en de drie zaken die gelijktijdig op zitting zijn behandeld en waarin de rechtbank vandaag separaat uitspraak doet. Dat zijn steeds individuele beoordelingen of handhavend optreden in het specifieke geval al dan niet evenredig is in verhouding tot het daarmee te dienen natuurbelang. De Afdeling heeft, zoals hiervoor onder 18 is vermeld, eveneens geoordeeld dat het bevoegd gezag per geval moet bekijken wat de gevolgen zijn voor de natuur als niet wordt gehandhaafd. Daarbij heeft de Afdeling tevens verduidelijkt dat dit een wezenlijk andere beoordeling is dan bij vergunningverlening, waarbij een passende beoordeling moet worden gemaakt. Verweerder hoeft in het kader van de beoordeling of handhavend optreden evenredig is, niet te onderzoeken of een bepaalde maatregel ook als passende- of instandhoudingsmaatregel kan worden ingezet. Het zogenoemde additionaliteitsvereiste geldt hier niet. Deze beroepsgrond slaagt niet.
20. De rechtbank is wel van oordeel dat eiseres de beroepsgrond dat de afweging van het individuele bedrijfsbelang tegen het natuurbelang, zoals daarvan blijkt uit de bestreden besluiten, niet aan de daaraan door de Afdeling gestelde eisen voldoet, terecht heeft voorgedragen. De individuele bedrijfsbelangen van deze PAS-melders heeft verweerder duidelijk beschreven. De afweging met het natuurbelang beperkt zich tot een opsomming van een hele reeks provinciale maatregelen die naar verwachting op termijn zullen leiden tot een wezenlijke afname van stikstofdepositie en tot de constatering dat de individuele toename van stikstofdepositie, zoals gemeld in het kader van het PAS, marginaal is. Verweerder heeft alleen, zoals onder 9.1 al is vermeld, ten aanzien van de uitkoop in het kader van de MGA-regeling inzichtelijk gemaakt tot welke afname van stikstofdepositie op de voor deze bedrijven relevante, overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden de uitkoop leidt. Bij alle andere maatregelen ontbreekt die inzichtelijkheid.
21. Uit het voorgaande volgt dat de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond zijn en de rechtbank zal die besluiten vernietigen. De rechtbank ziet op grond van de nadere, aanvullende onderbouwing die verweerder in het aanvullend verweerschrift heeft gegeven waarom handhavend optreden in deze gevallen onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, aanleiding om te beoordelen of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb kan worden bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven.
22. In het aanvullend verweerschrift van 2 april 2026 heeft verweerder een aanvullende motivering gegeven waarom bij de bedrijven kan worden afgezien van handhavend optreden. Tevens zijn de stikstofberekeningen in het kader van de MGA-uitkoopregeling geactualiseerd. Uit de actuele cijfers blijkt een (grotere dan aanvankelijk aangenomen) afname van stikstofdepositie op de desbetreffende Natura 2000-gebieden van respectievelijk bij [derde-partij 1] 6,65 mol/ha/jaar (Leudal), bij [belanghebbende 1] 27,8 mol/ha/jaar (Roerdal), bij [derde-partij 2] 201 mol/ha/jaar (Deurnsche Peel & Mariapeel), bij [belanghebbende 2] 6,44 mol/ha/jaar (Noorbeemden & Hoogbos) en bij [derde-partij 3] 6,65 mol/ha/jaar (Leudal). Verder heeft verweerder ook de afname van stikstofdeposities per Natura 2000-gebied met AERIUS berekend ten aanzien van de MGB, de Lbv(+)-regeling en de SRV-regeling. Daarbij is net zoals bij de MGA-regeling inzichtelijk gemaakt wat dit concreet voor de onderhavige bedrijven betekent. Daarnaast is nader toegelicht welke gebiedsgerichte fysieke (herstel)maatregelen per Natura 2000-gebied feitelijk in uitvoering zijn en is een toelichting gegeven op het programma ‘Limburgs Offensief Stikstof’(LOS) dat op 29 september 2025 is gepresenteerd. Daarin zijn onder andere eenentwintig gebiedsgerichte maatregelenpakketten voor de eenentwintig overbelaste Limburgse Natura 2000-gebieden opgenomen. Verder heeft verweerder per bedrijf een ecologische notitie opgesteld, waarin inhoudelijk is ingegaan op de vraag of het in stand laten van de betreffende bedrijfsactiviteiten ecologisch gezien negatieve effecten kan hebben voor de natuur. Daarbij is verweerder uitgegaan van de periode tot 1 maart 2028, te weten de einddatum van het legalisatietraject dat oorspronkelijk tot medio 2025 liep en inmiddels is verlengd. De conclusie van het cluster Natuur & Water van de provincie Limburg is dat de individuele bijdragen van de betreffende bedrijfsactiviteiten zo gering zijn dat het vrijwel onmogelijk is om vast te stellen dat die bijdragen zouden kunnen leiden tot een meetbare negatieve verandering. Verder vallen die negatieve gevolgen volgens de notitie in het niet bij de resultaten van de permanente stikstof reducerende maatregelen die inmiddels zijn getroffen en worden getroffen in de nabijheid van de Natura 2000-gebieden, waarop de betreffende bedrijfsactiviteiten leiden tot een toename van stikstofdepositie.
23. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee alsnog toereikend gemotiveerd dat ten aanzien van de desbetreffende bedrijfsactiviteiten sprake is van een redelijk evenwicht tussen de belangen van de onderhavige PAS-melders en het natuurbelang. De gevolgen van het niet handhavend optreden voor de natuur zijn in beeld gebracht en afgewogen. Verweerder heeft daarbij de maatregelen, die worden ingezet om het natuurbelang tegemoet te komen, beschreven en de positieve effecten daarvan op de Natura 2000-gebieden, waarop stikstofdepositie plaatsvindt vanuit de onderhavige bedrijven, met AERIUS uitgerekend. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder alsnog toereikend heeft gemotiveerd dat de individuele feiten en omstandigheden in elk van deze zaken maken dat in redelijkheid van handhavend optreden kan worden afgezien. Op grond van voorgaande overwegingen ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand te laten.
24. Uit het voorgaande volgt dat de rechtsgevolgen van de besluiten tot afwijzing van de verzoeken om handhaving in deze gevallen in stand kunnen blijven. Eiseres heeft er in beroep op gewezen dat zij wordt gedwongen om opnieuw langdurige procedures te gaan voeren als er geen legalisaties volgen. Zij is van mening dat zij als verzoeker om handhaving op die manier buiten spel wordt gezet en dat verweerder in elk geval een voorwaardelijk (handhavings)besluit had moeten nemen dan wel een zodanig besluit dat haar procespositie in stand blijft. Daarover merkt de rechtbank nog op dat voorwaardelijke handhaving, zoals eiseres bij niet direct handhavend optreden in elk geval zou hebben gewild, in wezen neerkomt op tijdelijk voorwaardelijk gedogen. Een dergelijke beslissing is echter geen appellabel besluit. Daarmee zou eiseres dus niet veel opschieten. De rechtbank merkt verder op dat de uitkomst in deze procedures niet betekent dat er nooit meer handhavend kan worden opgetreden als legalisatie inderdaad zou uitblijven. Verweerder heeft bij de bestreden besluiten in verband met het lopende legalisatietraject van handhavend optreden afgezien tot medio 2025. Het legalisatietraject is inmiddels verlengd tot 1 maart 2028 en in de nadere onderbouwing heeft verweerder het natuurbelang afgewogen tot die datum. Als tegen die tijd nog steeds geen natuurvergunningen zijn verleend of concreet zicht op legalisatie bestaat, zou een nieuwe afweging of er nog steeds sprake is van een redelijk evenwicht tussen de concrete belangen van de PAS-melder en het natuurbelang, aan de orde kunnen zijn. Daarvoor is ook relevant hoe de toestand van de Natura 2000-gebieden zich verder ontwikkelt. Eiseres kan die beoordeling door middel van een nieuw verzoek om handhaving afdwingen. De rechtbank kan daar echter niet op vooruitlopen.
Conclusie
25. De rechtbank verklaart de beroepen niet tijdig beslissen niet ontvankelijk en de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond. De rechtbank vernietigt die besluiten maar ziet aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van die besluiten in stand blijven.
26. De rechtbank ziet verder aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres de door haar betaalde griffierechten vergoedt, omdat de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond zijn.
27. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank met toepassing van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op in totaal € 2.802,00 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00, met een wegingsfactor 1 voor een gemiddelde zaak en een wegingsfactor 1,5 voor vier of meer samenhangende zaken).
Overschrijding redelijke termijn
28. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), voor zover hier van belang, heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. In zaken als de onderhavige bedraagt de redelijke termijn voor de afhandeling van het beroep door de rechtbank twee jaar.
29. In de acht zaken die op 16 april 2026 gelijktijdig op zitting zijn behandeld, is in één brief namens eiseres en MOB verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank. Nu sinds het instellen van beroep op 6 juli 2023 ten tijde van deze uitspraak bijna drie jaar zijn verstreken, is de redelijke termijn met bijna een jaar overschreden. De rechtbank is van oordeel dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan deze overschrijding gerechtvaardigd is te achten. Uitgaande van een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan eiseres toe te kennen bedrag aan schadevergoeding in beginsel € 1.000,00 per zaak. Het verzoek om schadevergoeding heeft betrekking op acht zaken die in wezen over hetzelfde onderwerp gaan, namelijk het niet handhavend optreden tegen PAS-melders, en de rechtbank ziet daarin aanleiding om het bedrag aan schadevergoeding te matigen tot 1/8 per zaak. Dat betekent dat de verzoekers om schadevergoeding in de onderhavige vijf zaken recht hebben op een bedrag van € 625,00. Omdat zij samen hebben geprocedeerd en de beroepen van MOB pas na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn ingetrokken, bestaat tevens aanleiding om dit bedrag aldus te matigen, dat eiseres recht heeft op een bedrag van € 312,50. Deze matiging acht de rechtbank redelijk vanwege de matigende invloed die het gezamenlijk procederen in de voorliggende gevallen heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die MOB en eiseres hebben ondervonden vanwege de te lang durende procedures.
30. Nu de overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtbank is toe te rekenen, zal de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van de schadevergoeding worden veroordeeld.
31. De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) moet ook de proceskosten betalen voor het verzoek om schadevergoeding van eiseres. Bij de berekening van die kosten zal de rechtbank, waar het gaat om de zwaarte van de zaken over de overschrijding van de redelijke termijn, de wegingsfactor licht (0,5) toepassen. Omdat het verzoek betrekking heeft op acht samenhangende zaken ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding te verdelen over acht zaken. In de onderhavige vijf zaken bedragen de aan eiseres te vergoeden proceskosten daarom € 291,87 (5/8 x 0,5 x € 934,00).
32. De gemachtigde van [derde-partij 2] heeft per mail van 3 april 2026 eveneens verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Uitgaande van een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan [derde-partij 2] toe te kennen bedrag aan schadevergoeding € 1.000,00. De Staat der Nederlanden moet ook de proceskosten betalen voor het verzoek om schadevergoeding. Daarbij hanteert de rechtbank (eveneens) de wegingsfactor licht (0,5). De aan [derde-partij 2] te vergoeden proceskosten bedragen daarom € 467,00 (0,5 x € 934,00).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek niet ontvankelijk;
verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand
blijven;
- draagt verweerder op de betaalde griffierechten van in totaal € 1.825,00 aan
eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
€ 2.802,00;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van € 312,50;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) in de
proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 291,87;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot
betaling van een schadevergoeding aan [derde-partij 2] van € 1.000,00;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van [derde-partij 2] in verband met het verzoek om schadevergoeding van € 467,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, voorzitter, en mr. R.J.G.H. Seerden en mr. A. Snijders, leden, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op: 24 juni 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
ECLI:NL:RVS:2019:1603.
ECLI:NL:RVS:2024:844.
Bijv.: ECLI:NL:RBLIM:2025:2606.
R.o. 14.5 van ECLI:NL:RVS:2024:844, r.o. 11.2 van ECLI:NL:RVS:2024:852 en r.o. 12.1 van ECLI:NL:RVS:2024:838.
R.o. 12.4 van ECLI:NL:RVS:2024:838.
Uitspraak van de Afdeling van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1356. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|