|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2026:6299 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 26-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | ROE 24/624 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Omgevingsrecht. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Omgevingsvergunning is van rechtswege verleend voor het verbouwen van de schuur van vergunninghouder tot woonhuis. De rechtbank oordeelt dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure onder de Wabo van toepassing was op de vergunningaanvraag, niet de reguliere voorbereidingsprocedure, zodat de vergunning ook niet van rechtswege is verleend. Eiser krijgt dus gelijk, beroep tegen het reële besluit is gegrond. Beroep tegen niet tijdig nemen van besluit op bezwaar is niet-ontvankelijk, vanwege ontbreken procesbelang; wel recht op proceskostenveroordeling en griffierecht. | | Trefwoorden | : | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | landbouwgrond | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/624
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D.F. Lansbergen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, het college
(gemachtigde: mr. J.D.M. Oegema).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam vergunninghouder] uit [woonplaats] , vergunninghouder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning van vergunninghouder voor het verbouwen van zijn schuur tot een woonhuis. Eiser is het hier niet mee eens en hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de besluitvorming van het college over de omgevingsvergunning aan de hand van die beroepsgronden
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat een andere procedure van toepassing was op de vergunningaanvraag, zodat de vergunning – anders dan waar partijen van uitgaan – niet van rechtswege is gegeven. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat heeft.
3. De wet- en regelgeving die van belang zijn, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
4. Op 10 juli 2023 heeft het college bekend gemaakt dat aan vergunninghouder van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
5. Op 8 februari 2024 heeft eiser beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar ingesteld.
6. Bij het alsnog genomen besluit van 29 februari 2024 op het bezwaar van eiser heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten. In het verweerschrift op het beroep niet tijdig beslissen van eiser heeft het college vastgesteld dat het aan eiser dwangsommen verschuldigd is van in totaal € 1.442,-.
7. Eiser heeft zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar ingetrokken en de rechtbank verzocht om het college te veroordelen in de proceskosten die hij daarvoor heeft gemaakt. Hij heeft tevens beroep ingesteld tegen het alsnog genomen besluit.
8. De rechtbank is op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorbij gegaan aan de intrekking van het beroep niet tijdig beslissen en beschouwt het ingestelde beroep tegen het alsnog genomen besluit (het bestreden besluit) als gronden die in dit kader zijn ingebracht tegen dat bestreden besluit. De rechtbank heeft verder bepaald dat het verzoek van eiser om een proceskostenveroordeling wordt betrokken bij het beroep tegen het bestreden besluit.
9. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
10. De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door [naam] (waarnemend voor de gemachtigde van eiser), de gemachtigde van het college en vergunninghouder, vergezeld door zijn ouders.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
11. Eiser is eigenaar en bewoner van de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] .
12. Vergunninghouder is eigenaar van de schuur en landbouwgrond op het daaraan grenzende perceel, aan de [adres 2] in [woonplaats] . De schuur behoorde voorheen tot het erf van de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] . Dat erf is gesplitst voordat vergunninghouder eigenaar werd van zijn perceel. Vergunninghouder wenst de schuur te verbouwen tot een woonhuis om daar zelf te gaan wonen.
13. Op het perceel is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ van toepassing, dat van rechtswege onderdeel uitmaakt van (het tijdelijk deel van) het Omgevingsplan gemeente Horst aan de Maas.
14. Op 21 november 2022 ontving het college van vergunninghouder een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag betreft twee vergunningplichtige activiteiten: het verbouwen van de schuur tot een woonhuis, en het gebruiken van de gronden ter plaatse in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft hierop de reguliere voorbereidingsprocedure toegepast.
15. Op 10 juli 2023 heeft het college medegedeeld dat de vergunning – gezien de overschrijding van de fatale beslistermijnen – van rechtswege is verleend.
16. In bezwaar heeft de commissie voor de behandeling van bezwaarschriften en klachten (de bezwaarschriftencommissie) geadviseerd dat het college ten onrechte
artikel 21.3.2 van het bestemmingsplan ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit. Ook de zogeheten ‘kruimelregeling’ kan hier, gelet op artikel 5, eerste lid, uit Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, niet worden toegepast, omdat het aantal woningen door vergunningverlening niet gelijk blijft. Dit maakt dat het college heeft miskend dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure onder de Wabo in dit geval van toepassing is, zodat de vergunning ook niet van rechtswege is verleend. De fatale beslistermijnen zijn immers kenmerkend voor de ten onrechte toegepaste reguliere procedure, aldus de bezwaarschriftencommissie.
17. Het college heeft bij het bestreden besluit de vergunning in stand gelaten, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie. In de nadere motivering bij dat besluit, stelt het college dat de summiere verwijzing van de bezwaarschriftencommissie naar het begrip woningsplitsing in de toelichting van het bestemmingsplan geheel voorbij gaat aan de bedoeling van het bestemmingsplan. De planregels geven duidelijk aan dat het splitsen naar meerdere woningen ook geldt voor karakteristieke panden in clusters, waaronder schuren. Het bestemmingsplan voorziet dan ook in de mogelijkheid om hier binnenplans te afwijken, zo luidt het bestreden besluit.
Overgangsrecht Omgevingswet
18. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wabo, die als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024 is komen te vervallen. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, bepaalt artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet dat het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing blijft, tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
19. De aanvraag om de vergunning is ingediend op 21 november 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Is de vergunning van rechtswege verleend?
20. Partijen twisten onder meer over de vraag of het college bij de voorbereiding van de omgevingsvergunning terecht de reguliere procedure onder de Wabo heeft toegepast. Eiser beantwoordt die vraag ontkennend en stelt zich daarbij op het standpunt dat het college niet had mogen afwijken van het advies van de bezwaarschriftencommissie. Deze heeft terecht geconstateerd dat het beroep van het college op artikel 21.3.2 van het bestemmingsplan getuigt van een gebrek in het bestreden besluit. Hier is sprake van een schuur, geen woning, zodat artikel 21.3.2 van het bestemmingsplan niet van toepassing is. De manier waarop het college invulling geeft aan deze bepaling, strookt niet met het rechtszekerheidsbeginsel, aldus eiser.
21. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank oordeelt dat de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid op grond van artikel 21.3.2 van het bestemmingsplan hier niet van toepassing is. Aan het bestreden besluit kleeft daarom een gebrek. Dat motiveert de rechtbank als volgt.
22. Artikel 21.3.2 van het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid om binnenplans af te wijken ten behoeve van het vermeerderen van het aantal woningen. Daarvoor moet sprake zijn van een rijks- of gemeentelijk monument, een karakteristiek pand zoals opgenomen in Bijlage 7 Karakteristieke panden, of een karakteristiek pand dat is aangewezen in door het bevoegd gezag vastgesteld cultuurhistorisch beleid. Het college betoogt dat dit artikel van toepassing is op de schuur van vergunninghouder, omdat hier sprake is van een monumentaal of karakteristiek bebouwingscluster in de zin van artikel 21.3.2, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan.
23. De rechtbank volgt deze redenering niet. Uit artikel 21.3.2 van het bestemmingsplan blijkt dat deze bepaling (als zodanig) ziet op ‘woningsplitsing’. Het bestemmingsplan definieert ‘woningsplitsing’ in artikel 1.142, waar staat dat dit “het bouwkundig en functioneel splitsen van een bestaande woning in twee of meer zelfstandige woningen” (cursivering door de rechtbank) betreft. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat een planregel omwille van de rechtszekerheid letterlijk wordt uitgelegd. Een schuur is geen bestaande woning. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het bestemmingsplan dan ook niet zonder meer dat artikel 21.3.2 van het bestemmingsplan (ook) van toepassing is op de schuur van vergunninghouder.
24. De rechtbank overweegt dat evenmin is voldaan aan het vereiste in artikel 21.3.2 van het bestemmingsplan, dat – kort gezegd – sprake moet zijn van een monument of aangewezen karakteristiek pand. Van een monument is hier geen sprake. Het college stelt dat de schuur is opgenomen in Bijlage 7 Karakteristieke panden, maar ook dat blijkt daaruit niet ondubbelzinnig. Deze bijlage noemt zowel de [straatnaam] (ongenummerd) in [woonplaats] , als specifieke percelen (genummerd) aan die [straatnaam] . Ter zitting heeft het college bevestigd dat de laatstgenoemde (genummerde) adressen leidend zijn en dat niet op alle percelen aan de [straatnaam] in [woonplaats] karakteristieke panden staan. Vaststaat dat de [adres 2] in [woonplaats] , waar de schuur van vergunninghouder staat, niet is opgenomen in Bijlage 7 Karakteristieke panden. Wél is opgenomen het adres [adres 1] in [woonplaats] . Volgens het college ligt hierin besloten dat de schuur binnen het toepassingsbereik van artikel 21.3.2 van het bestemmingsplan valt, omdat het erf van de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] in het verleden is gesplitst. De rechtbank verwerpt deze lezing op grond van het rechtzekerheidsbeginsel. Dit standpunt berust namelijk op informatie over Bijlage 7 Karakteristieke panden die de gemachtigde van het college intern heeft ingewonnen en op een uitleg die niet rechtstreeks volgt uit de formulering in die bijlage. In Bijlage 7 Karakteristieke panden is immers gekozen voor het opnemen van huisnummers (in plaats van bijvoorbeeld een gebieds- of perceelsaanduiding op een kaart) en het huisnummer [adres 1] is niet (meer) kenbaar verbonden met onderhavige schuur. Het college heeft bovendien erkend dat de intern ingewonnen informatie niet ten grondslag ligt aan het bestreden besluit en evenmin beschikbaar was (en is) voor eiser.
25. Alles overwegende, is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat de schuur van vergunninghouder valt binnen het toepassingsbereik van artikel 21.3.2 van het bestemmingsplan. Het college heeft daarom ten onrechte de reguliere voorbereidingsprocedure onder de Wabo toegepast. Onder de daadwerkelijk van toepassing zijnde uitgebreide voorbereidingsprocedure zijn de fatale beslistermijnen – die uitsluitend gelden bij de reguliere procedure – niet van toepassing, zodat de omgevingsvergunning ook niet van rechtswege is verleend. De beroepsgrond ter zake slaagt, zodat het bestreden besluit reeds daarom geen stand kan houden. De overige beroepsgronden behoeven hierdoor geen bespreking meer.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van eiser
26. Eiser heeft geen procesbelang (meer) bij zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. Dat beroep is daarom niet-ontvankelijk. Een proceskostenveroordeling blijft wel mogelijk. Eiser heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar – ten tijde van het instellen van dat beroep – terecht ingesteld. Dat staat ook niet ter discussie tussen partijen, aangezien het college reeds heeft vastgesteld dat het aan eiser dwangsommen verschuldigd is van in totaal € 1.442,-. Nu de rechtbank ook anderszins niet is gebleken dat dit beroep onvolledig dan wel gebrekkig is, veroordeelt zij het college in de proceskosten die eiser in dat verband heeft gemaakt.
Conclusie en gevolgen
27. Het beroep is gegrond, omdat het college heeft miskend dat op de vergunningaanvraag de uitgebreide voorbereidingsprocedure onder de Wabo van toepassing is. De vergunning is hierdoor niet van rechtswege verleend. Eiser krijgt dus gelijk, aangezien het college ten onrechte is afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van eiser is niet-ontvankelijk, vanwege het ontbreken van procesbelang.
28. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Daarnaast veroordeelt de rechtbank het college in de proceskosten van eiser, daaronder begrepen de kosten die hij heeft gemaakt bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. Deze kosten worden op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op een bedrag van in totaal € 2.335,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift niet tijdig beslissen, met een wegingsfactor van 0,5; één punt voor het indienen van de gronden van het beroep tegen het bestreden besluit, met een wegingsfactor één; en één punt voor het verschijnen op de zitting, ook met een wegingsfactor één, waarbij voor alle punten een waarde per punt geldt van € 934,-).
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van in totaal € 2.335,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Trifunović, rechter, in aanwezigheid van
M.L. Neumann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 30 juni 2026.
griffier
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 30 juni 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:50
Indien het bestuursorgaan een besluit neemt dat afwijkt van een met het oog daarop krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, wordt zulks met de redenen voor de afwijking in de motivering vermeld.
Artikel 6:20
3. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk, (…)
het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet, (…)
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;
de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;
de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3° in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
indien de activiteit in strijd is met het exploitatieplan: met toepassing van de daarin opgenomen regels inzake afwijking;
indien de activiteit in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening: voor zover de betrokken regels afwijking daarvan toestaan;
indien de activiteit in strijd is met een voorbereidingsbesluit: met toepassing van de in het voorbereidingsbesluit opgenomen regels inzake afwijking.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°.
Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas
Artikel 1.142 (Woningsplitsing)
Het bouwkundig en functioneel splitsen van een bestaande woning in twee of meer zelfstandige woningen.
Artikel 21.3.2 (Woningsplitsing)
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 21.2 ten behoeve van het vermeerderen van het aantal woningen indien het een rijks- of gemeentelijk monument, een karakteristiek pand zoals opgenomen in Bijlage 7 Karakteristieke panden, dan wel een karakteristiek pand dat is aangewezen in door het bevoegd gezag vastgesteld cultuurhistorisch beleid betreft, met dien verstande dat:
splitsing/inrichting van het gehele pand in meerdere woningen is toegestaan tot een maximum van 3 wooneenheden;
de woningtoevoeging noodzakelijk is in verband met het herstel, beheer of de verbetering van de te beschermen architectonische of cultuurhistorische waarden;
de bestaande inhoud van de woning dan wel het pand mag niet worden vergroot en de uiterlijke kenmerken behouden dienen te blijven;
indien het een monumentaal of karakteristiek bebouwingscluster betreft woningsplitsing in het hele cluster is toegestaan, met dien verstande dat de karakteristiek van het cluster behouden blijft;
de woningen dienen na splitsing / toevoeging elk een inhoud te hebben van minimaal 350 m3;
het bouwperceel per woning maximaal 1.000 m2 bedraagt;
per woning mogen vrijstaande bijgebouwen worden opgericht tot een maximale gezamenlijke oppervlakte van 150 m2;
de te realiseren woning dient te passen binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma;
het bevoegd gezag de aanhef kan wijzigen door het toevoegen of verwijderen van karakteristieke panden indien het gemeentelijk cultuurhistorisch beleid wordt gewijzigd of herzien.
Paragraaf 3.2 van de Wabo.
Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:820.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2558, rov. 17.1.
Zie rov. 12.
Zo volgt uit artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb.
Zie rov. 6.
Als bij een beroep dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordeelt in de proceskosten, wordt daarbij volgens vaste rechtspraak in beginsel een wegingsfactor 0,5 toegepast. Deze wegingsfactor is gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht. Vgl. ook de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|