Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBLIM:2026:6893 
 
Datum uitspraak:02-07-2026
Datum gepubliceerd:10-08-2026
Instantie:Rechtbank Limburg
Zaaknummers:ROE 24/4205
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Het college heeft een ontheffing verleend, vergezeld van een aantal voorschriften. Ontheffinghoudster moet op grond van die voorschriften een kunstburcht voor dassen aanleggen op zijn perceel en meewerken aan de verplaatsing van de das naar die kunstburcht. Eisers zijn het niet eens met de locatie van de kunstburcht, die aangrenzend aan hun percelen is gelegen. De rechtbank oordeelt op grond van een uitspraak van de Afdeling uit 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2091) dat het bestreden besluit blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het college heeft hierdoor miskend dat eisers belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond.
Trefwoorden:landbouwgrond
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 24/4205
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
2 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats 1] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] )
en


[eiser]
, uit [woonplaats 2] , eiser
gezamenlijk ‘eisers’ genoemd,

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg
(gemachtigde: mr. J. Jansen).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [vestigingsplaats] , ontheffinghoudster.




Procesverloop

Op 18 december 2023 is namens ontheffinghoudster een aanvraag ingediend voor een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Bij besluit van 28 februari 2024 heeft het college de ontheffing verleend. Met het bestreden besluit van 14 augustus 2024 op het bezwaar van eisers, heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het besluit van 28 februari 2024 in stand gelaten.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift. Ook ontheffinghoudster heeft schriftelijk op het beroep gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 2 juli 2026. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Ook verschenen zijn de gemachtigde van het college en, namens ontheffinghoudster, [belanghebbende] . Eiser is—zonder afmelding—niet verschenen.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.




Beoordeling door de rechtbank


De feiten


1. Ontheffinghoudster is eigenaar van de percelen, kadastraal bekend als

[kadastrale gegevens 1] en [kadastrale gegevens 2] . Zij wil op het perceel [kadastrale gegevens 1] woningen realiseren. Om na te gaan welke effecten de bouw van de woningen heeft op lokaal voorkomende, beschermde flora en fauna, heeft zij een quickscan natuurwetgeving laten uitvoeren. Daaruit bleek dat er een dassenburcht en incidenteel belopen bijburcht van de das in het plangebied en op de grens van het plangebied aanwezig waren, op het perceel [kadastrale gegevens 1] . Ontheffinghoudster heeft toen een aanvraag ingediend voor een ontheffing soorten Wnb. Het college heeft de ontheffing verleend, vergezeld van een aantal voorschriften. Ontheffinghoudster moet op grond van die voorschriften een kunstburcht voor dassen aanleggen op het perceel [kadastrale gegevens 2] , en meewerken aan de verplaatsing van de das naar die kunstburcht.

2. Eiseres en eiser zijn eigenaar van respectievelijk een kippenstal en landbouwgrond, gelegen op de percelen bekend als [kadastrale gegevens 3] en [kadastrale gegevens 4] . Hun percelen zijn aangrenzend aan het perceel waarop de kunstburcht volgens de voorschriften moet worden aangelegd.


Zijn eisers belanghebbenden?


3. Deze procedure beperkt zich tot de vraag of eisers belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij het bestreden besluit heeft het college namelijk geoordeeld dat eisers dat niet zijn, waardoor zij
niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun bezwaar. Inhoudelijk is het college dan ook niet toegekomen aan de behandeling van de bezwaargronden van eisers en hun zorgen omtrent de kunstburcht.

4. De rechtbank komt in beroep tot een ander oordeel. Zij meent dat eisers wél aangemerkt kunnen worden als belanghebbenden onder de Awb. Aan het bestreden besluit kleeft dus een gebrek, zodat het beroep gegrond is. Dit motiveert de rechtbank als volgt.


4.1.
Om in het bestuursrecht als belanghebbende te worden aangemerkt, moet iemand een voldoende objectief, persoonlijk, eigen en actueel belang hebben, dat bovendien rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).



4.2.
Eisers voldoen aan dit criterium. Vaststaat dat de kunstburcht direct grens aan de percelen van eisers. Het college heeft toegelicht dat voor de vraag of eisers dan als belanghebbenden aangemerkt kunnen worden, gekeken moet worden naar de verboden handeling, en dus niet—zoals hier het geval—de gevolgen, althans de voorschriften bij de ontheffing. De rechtbank volgt deze redenering niet, gelet op een uitspraak van de Afdeling uit 2020. Hieruit volgt namelijk dat een ontheffing die krachtens de Wnb is verleend geen besluitonderdelen kent. Dit betekent dat voor de beantwoording van de vraag of iemand wel of geen belanghebbende is bij een verleende ontheffing, ook de daaraan verbonden voorschriften en de daarin voorgeschreven maatregelen betrokken moeten worden. Iemand kan niet voor een deel wel en voor aan ander deel geen belanghebbende zijn bij een dergelijke ontheffing. Omdat de voorschriften bij de onderhavige ontheffing de kunstburcht hebben doen ontstaan, en deze op het voor eisers aangrenzende perceel staat, kunnen eisers dus aangemerkt worden als belanghebbenden in de zin van de Awb. Dan geldt namelijk het uitgangspunt volgens vaste jurisprudentie, dat ten aanzien van ruimtelijke besluiten de enkele omstandigheid dat iemand eigenaar of bewoner van het naastgelegen perceel is, voldoende is om diegene als belanghebbende aan te merken.

5. Alles overwegende, heeft het college miskend dat eisers belanghebbenden zijn in bestuursrechtelijke zin. Het college had eisers dan ook ontvankelijk moeten achten in hun bezwaar. Aan het bestreden besluit kleeft op dit punt een gebrek.




Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, doordat het college heeft miskend dat eisers belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Eisers krijgen dus gelijk.


6.1.
Voor een veroordeling van het college in de proceskosten bestaat geen aanleiding, nu daar niet om is gevraagd en eisers bovendien geen gebruik hebben gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het college moet wel het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.





Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


draagt het college op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;


bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- moet vergoeden aan eiser.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Trifunović, rechter, in aanwezigheid van
V.A.F.T. Voorn, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.












griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 13 juli 2026






Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is gedaan. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3413.


Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2091, rov 9.3.


Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:779.
Link naar deze uitspraak