Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBLIM:2026:792 
 
Datum uitspraak:26-01-2026
Datum gepubliceerd:03-02-2026
Instantie:Rechtbank Limburg
Zaaknummers:ROE 24/336
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Wabo. Vergunning voor bouwen (a) en uitvoeren van een werk (b) voor een wandelpad langs het perceel van eiser. Bomenverordening geen toetsingskader. Geen onevenredig nadelige gevolgen voor de bomen op het perceel van eiser.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
omgevingsvergunning
perceel
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 24/336

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade
(gemachtigde: mr. B. Jussen).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: ProRail B.V. uit Utrecht (vergunninghoudster).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het realiseren van een wandelpad tussen de woningen aan de [naam straat] in [plaats] en de spoorlijn Eygelshoven Markt - Herzogenrath. Eiser is het hier niet mee eens. Aan de hand van zijn beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het wandelpad niet in strijd is met het bestemmingsplan Buitengebied. Verder mocht het college er vanuit gaan dat de aanleg van het wandelpad geen onevenredige nadelige gevolgen heeft voor de bomen op het perceel van eiser. Het college mocht daarom de omgevingsvergunning verlenen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Vergunninghoudster heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor, voor zover hier van belang, het plaatsen van hekwerken, poorten en v-rasters, en voor het egaliseren van grond, ten behoeve van de realisering van een wandelpad. Het college heeft met het besluit van 10 juli 2023 de omgevingsvergunning verleend.


2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de verlening van de omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter heeft zijn verzoek om voorlopige voorziening, dat eiser op 11 september 2023 heeft ingediend bij de Centrale Raad van Beroep en dat is doorgezonden naar de rechtbank Limburg, bij uitspraak van 10 november 2023 afgewezen (ECLI:NL:RBLIM:2023:6693).



2.2.
Met het bestreden besluit van 20 december 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij de verlening van de omgevingsvergunning gebleven.



2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn zoons [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2] , en de gemachtigde van het college. Vergunninghoudster is niet verschenen.




Beoordeling door de rechtbank

3. Zoals eiser ter zitting heeft toegelicht, is hij het niet eens met het wandelpad vanwege de locatie achter zijn woning en langs zijn perceel. Hij meent dat het college de betrokken belangen niet evenwichtig heeft gewogen en onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Allereerst richt hij zich tegen de openbaarmaking van het terrein, waar eerst sprake was van een weiland. Ook is hij het niet eens met de voorwaarden voor openstelling van het natuurgebied waar het wandelpad toegang toe geeft, en verwacht hij dat die voorwaarden onvoldoende zullen worden gehandhaafd. Verder richt hij zich tegen het wandelpad vanwege het risico op schade bij de aanleg ervan voor de bomen op zijn perceel. Daarnaast stelt hij zich teweer tegen de late bekendmaking van het besluit: doordat de omgevingsvergunning pas in een laat stadium is bekendgemaakt – namelijk enkele dagen voordat vergunninghoudster daaraan uitvoering heeft gegeven – heeft eiser onvoldoende tijd gehad om de omgevingsvergunning door een rechter te laten toetsen. Tegen de tijd dat zijn verzoek om voorlopige voorziening op zitting kwam, was het wandelpad al aangelegd en werd zijn verzoek afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang, aldus eiser. Tot slot heeft hij verzocht om schadevergoeding doordat de waarde van zijn perceel lager is vanwege het wandelpad.


Wat staat in deze procedure ter beoordeling?

4. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de Wabo hier het toepasselijke kader is. Op 1 januari 2024 zijn weliswaar de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Maar als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 3 mei 2023. Dat betekent dat in dit geval het oude recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.


4.1.
De rechtbank stelt verder vast dat de omgevingsvergunning die het college heeft verleend, ziet op de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo) en ‘uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald’ (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo).



4.2.
Voor zover eiser zich heeft gericht tegen de voorwaarden voor openstelling van het wandelpad en de gebrekkige handhaving, stelt de rechtbank vast dat deze onderwerpen in dit geschil niet aan de orde kunnen komen. Uitsluitend is aan de orde de verleende omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en uitvoeren van een werk. Het betoog slaagt daarom niet.


Leidt de late publicatie van de omgevingsvergunning tot vernietiging?

5. Over de late publicatie van de omgevingsvergunning overweegt de rechtbank het volgende. Het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning dateert van 10 juli 2023. Dit besluit is op 11 juli 2023 aan vergunninghoudster bekendgemaakt. Op grond van artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo doet het bevoegd gezag tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking mededeling van het besluit. In dit geval heeft het college pas op 30 augustus 2023 in het Gemeenteblad mededeling gedaan van de verlening van de omgevingsvergunning.



5.1.
De rechtbank is met eiser van oordeel dat de publicatie op 30 augustus 2023 niet tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk was na de verlening van de omgevingsvergunning op 10 juli 2023. Toch ziet de rechtbank daarin geen reden om te oordelen dat het college vanwege de late publicatie de omgevingsvergunning alsnog had moeten weigeren. De publicatie dat de omgevingsvergunning is verleend, kan namelijk de omgevingsvergunning zelf niet onrechtmatig maken. In dat kader overweegt de rechtbank dat zij geen aanwijzingen heeft dat het college bewust de publicatie heeft uitgesteld om eiser of eventuele andere bezwaarmakers tegen te werken. Van strijd met het beginsel van fairplay is de rechtbank dan ook niet gebleken. Het betoog slaagt niet.


Mocht het college de vergunning verlenen voor gebruik als wandelpad?

6. Het wandelpad is – grof gezegd – een vierhoek, waarbij de langste zijde over een lengte van ongeveer 140 meter evenwijdig langs het perceel van eiser loopt. Het perceel van eiser is in gebruik als weide, voorbij de tuin achter zijn woning. De kortste afstand tussen zijn woning en het wandelpad is ongeveer 100 meter, met daartussen bebouwing. De reden waarom eiser zich tegen de locatie van het wandelpad richt, is dat hij vreest voor overlast van wandelaars, drugsverslaafden en honden, en het afval dat zij achterlaten. Daarbij meent hij dat moet worden voorzien in een goede afscheiding tussen het wandelpad en zijn eigen perceel, zodat mens en dier daarvan worden weggehouden.



6.1.
Voor de activiteit ‘bouwen’ wordt het toetsingskader, voor zover hier relevant, gevormd door artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo: de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.



6.2.
De rechtbank stelt vast dat het deel van het wandelpad dat langs het perceel van eiser loopt, ligt op gronden die worden bestreken door het bestemmingsplan Buitengebied. Weliswaar ligt een klein deel van het wandelpad op gronden waarop bestemmingsplan Kerkrade Oost II van toepassing is, maar dit deel ligt dermate ver van het perceel van eiser af, dat de rechtbank met het college van oordeel is dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de weg staat aan de beoordeling van dat deel. Dit deel en de door eiser genoemde waardevolle boom behoren namelijk niet tot de directe leefomgeving van eiser of zouden invloed kunnen hebben op het perceel van eiser en de bomen daarop. Getoetst moet dus worden aan alleen de bepalingen van het bestemmingsplan Buitengebied.



6.3.
In bestemmingsplan Buitengebied is aan de gronden de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ toegekend. Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder i en j, van het bestemmingsplan zijn de voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden bestemd voor, onder meer, extensief recreatief medegebruik, met daaraan ondergeschikt wegen en paden. In artikel 4.5.1 van het bestemmingsplan is bepaald dat de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden uitsluitend mogen worden gebruikt conform de in artikel 4.1 omschreven bestemming. De rechtbank is met het college van oordeel dat het wandelpad in overeenstemming is met de bestemming. Het wandelpad is immers een pad aangelegd ten behoeve van wandelen, wat een vorm van extensief recreatief medegebruik is. Nu het wandelpad rechtstreeks is toegestaan volgens het bestemmingsplan, kan de door eiser gewenste afscheiding tussen het wandelpad en zijn perceel niet aan de orde komen. Het college was namelijk gehouden te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend, en omdat het wandelpad rechtstreeks is toegestaan volgens het bestemmingsplan, had het college niet de bevoegdheid om ten aanzien van de afscheiding nadere voorschriften te stellen. Het betoog van eiser slaagt daarom niet.


Heeft het college voldoende rekening gehouden met de bomen van eiser?

7. Op de zitting is duidelijk geworden dat het eiser alleen gaat om de bomen op zijn eigen perceel, en niet om de boom op een ander perceel, op 200 meter van de woning van eiser. Eiser is bang dat de wortels van zijn bomen die in de nabijheid van het wandelpad staan, worden aangetast door de aanleg ervan. Ook meent hij dat het veiligheidsrisico voor wandelaars door afvallende takken ten onrechte niet is onderzocht.



7.1.
Voor de activiteit ‘uitvoeren van een werk’ is, voor zover hier van belang, het toetsingskader artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo: als omtrent de activiteit regels zijn gesteld in een bestemmingsplan wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is.



7.2.
In artikel 4.6.1 van het bestemmingsplan is bepaald dat het verboden is op of in de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:a. (…) egaliseren van de bodem (…).In artikel 4.6.3 van het bestemmingsplan is bepaald dat de werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.6.1 slechts toelaatbaar zijn indien die werken en/of werkzaamheden geen onevenredig nadelige gevolgen hebben of kunnen hebben voor de aanwezige hydrologische, ecologische, bodemkundige en visuele waarden. Bij de toetsing van de toelaatbaarheid van de werken en/of werkzaamheden worden de afwegingsaspecten, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze regels in acht genomen.In bijlage 2 van het bestemmingsplan is bij het werk ‘egaliseren’ als mogelijke gevolgen voor natuur-, landschaps-, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden opgenomen: verandering in de hydrologische situatie, verlies aan waarden in de bodem (archeologische waarden, bodemkundige waarden) en verlies microreliëf.



7.3.
Nu in het bestemmingsplan Buitengebied regels zijn gesteld omtrent de activiteit ‘uitvoeren van een werk’, wordt op grond van het hiervoor aangehaalde artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo de omgevingsvergunning geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is. De Bomenverordening Kerkrade 2012 is in het bestemmingsplan Buitengebied niet genoemd als toetsingskader. Anders dan waarvan eiser is uitgegaan, zijn de bepalingen in de Bomenverordening Kerkrade 2012 daarom hier niet aan de orde.



7.4.
Bij de beoordeling van de gevolgen van de aanleg van het wandelpad voor de bomen op het perceel van eiser, heeft het college zich gebaseerd op rapporten die in opdracht van het college zijn uitgebracht over een Populus x canadensis en over een wilgengroep (ook genaamd bomengroep hr. 30). Het rapport over de Populus x canadensis, gedateerd 25 september 2023, is opgesteld door een gecertificeerd boomveiligheidsinspecteur, tevens gecertificeerd European Treeworker, van de Algemene Bomendienst Limburg. In het rapport is vermeld dat op 21 september 2023 een grondboring heeft plaatsgevonden en dat een proefsleuf is gegraven over een lengte van 3 meter en 45 centimeter diep, terwijl de grond voor egalisatie van het pad ten hoogste 30 centimeter moest worden afgegraven. In de proefsleuf zijn geen levende dikke wortels aangetroffen, waardoor de ontgraving van het pad geen gevolgen heeft voor de boom, aldus het rapport. Volgens het rapport dat is uitgebracht over bomengroep hr.30, gedateerd 9 november 2023, worden ook deze bomen niet beschadigd door het wandelpad. Het rapport is gebaseerd op de uitkomst van proefsleuven die op 4 oktober 2023 zijn gegraven ter beoordeling van de wortels. Weliswaar zijn daarbij twee wortels aangetroffen, maar daarmee is tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening gehouden en deze wortels zijn niet verwijderd.



7.5.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college zich bij de beoordeling van de aanvraag, en daarop volgend de beoordeling van het bezwaar, baseren op de uitkomsten van de onderzoeken, zoals deze zijn neergelegd in de rapporten. Eiser heeft zich daartegen gericht, maar de rechtbank ziet daarin onvoldoende, objectieve onderbouwing om aan de uitkomsten te twijfelen. Het college mocht er daarom op basis van de rapporten vanuit gaan dat de aanleg van het wandelpad geen onevenredig nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de aanwezige hydrologische, ecologische, bodemkundige en visuele waarden. Het betoog slaagt niet.


Verzoek om schadevergoeding

8. Over het verzoek van eiser om schadevergoeding overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Nu het beroep ongegrond is, blijft het bestreden besluit in stand. Het verzoek om schadevergoeding moet al om die reden worden afgewezen.




Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, rechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 26 januari 2026




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Link naar deze uitspraak