Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBLIM:2026:9476 
 
Datum uitspraak:07-09-2026
Datum gepubliceerd:16-09-2026
Instantie:Rechtbank Limburg
Zaaknummers:ROE 25/103
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. De omgevingsvergunning is verleend ten behoeve van het legaliseren van een loods als mantelzorgwoning en als paardenstal. Eisers zijn niet eens met de verlening van deze omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eisers gegrond is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder namelijk onvoldoende gemotiveerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zoals bedoeld in artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Gelet hierop is het beroep van eisers gegrond en de rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
Trefwoorden:bestemmingsplan
buitengebied
omgevingsvergunning
paarden
perceel
vee
vrijwilligers
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 25 / 103


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2026 in de zaak tussen




1
1. [eisers I] , uit [woonplaats] , eisers I
2. [eisers II], uit [woonplaats] , eisers II

hierna samen te noemen: eisers,
(gemachtigden: mr. E.E.M. Bakker en mr. J.J. Treure),

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gennep, verweerder
(gemachtigden: mr. D.J.M.W. Jennissen, mr. M.M.A.E. Vermeulen en J. Harbers).

Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [vergunninghouder] , uit [woonplaats] , vergunninghouder,
(gemachtigde: mr. B.W.M. van Hoof).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een loods als mantelzorgwoning en als paardenstal ter plaatse van het perceel [adres 1] in [woonplaats] . Eisers zijn het niet eens met de verlening van deze omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eisers gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Procesverloop


Bij besluit van 27 juni 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow). De omgevingsvergunning is verleend ten behoeve van het legaliseren van een loods als mantelzorgwoning en als paardenstal ter plaatse van het perceel [adres 1] in [woonplaats] .

Eisers hebben tegen de verleende omgevingsvergunning bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 25 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De vergunninghouder heeft een schriftelijke reactie ingediend.

Eisers hebben op 9 maart 2026 aanvullende stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigden van eisers, de gemachtigden van verweerder, de vergunninghouder en de gemachtigde van de vergunninghouder.



Overwegingen



Het toepasselijke recht


3. Op 1 januari 2024 zijn de Ow en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow dan blijft op grond van artikel 4.3., aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van
toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).


3.1.
Aangezien in deze zaak de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend op 6 mei 2024, en dus ná 1 januari 2024, is hierop de Ow van toepassing.


Wat ging er aan deze zaak vooraf?


4. De vergunninghouder is eigenaar van het perceel gelegen aan de [adres 1] in [woonplaats] (hierna: het perceel). Ter plaatse van het perceel zijn onder andere enkele bijbehorende bouwwerken gerealiseerd waaronder een loods die de vergunninghouder in 2019 heeft opgericht (hierna: de loods).

5. Ter plaatse van het perceel geldt als onderdeel van het omgevingsplan gemeente Gennep, het bestemmingsplan ‘Buitengebied Gennep (geconsolideerde versie)’ (hierna: het bestemmingsplan). Op grond van het bestemmingsplan geldt ter plaatse van (een gedeelte van) het perceel (waaronder ook de loods) - voor zover hier relevant - de bestemming ‘Wonen’.



5.1.
Op grond van artikel 23.2.2, aanhef en onder b van het bestemmingsplan mag de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken ter plaatse van het perceel niet meer bedragen dan 100 m2. Verder moet op grond van artikel 23.2.2, aanhef en onder a van het bestemmingsplan een vrijstaand bijbehorend bouwwerk op een afstand van ten hoogste 25 meter van de dichtstbijzijnde punt van het hoofdgebouw worden gesitueerd. De loods heeft een oppervlakte van 276 m2 waardoor, nog los van de overige aanwezige bijbehorende bouwwerken, sprake is van strijd met artikel 23.2.2, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan. Daarnaast staat de loods op een afstand van 73 meter van het hoofdgebouw waardoor ook om die reden sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Ondanks de hiervoor genoemde strijdigheden met het bestemmingsplan heeft de vergunninghouder de loods gebouwd zonder hiervoor een omgevingsvergunning aan te vragen waardoor deze dus illegaal is.

6. Aangezien verweerder voor de loods geen omgevingsvergunning heeft verleend, heeft hij op 21 november 2019 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom uitgebracht aan de vergunninghouder. Verweerder heeft hieraan niet alleen de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo ten grondslag gelegd maar ook de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.





7Gelet op het uitgebrachte voornemen heeft de vergunninghouder op
2 mei 2022 (alsnog) een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend ten behoeve van het legaliseren van de loods. Bij besluit van 22 maart 2023 heeft verweerder de aanvraag op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo geweigerd omdat er geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een goede ruimtelijke onderbouwing ontbreekt. Hierdoor kan er geen gebruik worden gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a en onder 3°, van de Wabo. De aanvraag is geweigerd op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo gelet op de weigeringsgrond uit artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo (strijd met het bestemmingsplan). De vergunninghouder heeft tegen de geweigerde omgevingsvergunning beroep ingesteld. Dit beroep heeft hij bij brief van 12 januari 2026 echter weer ingetrokken.

8. Aangezien verweerder de aanvraag om de omgevingsvergunning heeft geweigerd, en de vergunninghouder de hiervoor onder 5.1 genoemde overtredingen ook niet heeft beëindigd, heeft verweerder bij besluit van 18 september 2023 een last onder dwangsom opgelegd aan de vergunninghouder. Verweerder heeft de vergunninghouder gelast om uiterlijk 20 november 2023 de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. De vergunninghouder heeft tegen de last onder dwangsom bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij besluit van
14 december 2023 heeft verweerder vervolgens de begunstigingstermijn uit de last onder dwangsom verlengd tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist. Ter zitting is door de gemachtigde van de vergunninghouder toegelicht dat de bezwaarprocedure tegen de last onder dwangsom (en dus ook de begunstigingstermijn) nog loopt.

9. In de periode daaropvolgend (en dus gedurende de begunstigingstermijn uit de last onder dwangsom) heeft de vergunninghouder nieuwe onderbouwingen en argumenten aangedragen ten behoeve van de legalisatie van de loods. Verweerder heeft daarom het legalisatieonderzoek opnieuw opgestart. Op 31 mei 2024 heeft de vergunninghouder een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor een omgevingsplanactiviteit op grond van artikel 5.1., eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow. De aanvraag is ingediend ten behoeve van het legaliseren van de loods als mantelzorgwoning en als paardenstal vanwege de strijdigheden met artikel 23.2.2, aanhef en onder a en b, van het bestemmingsplan.

10. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aangevraagde omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow verleend. Voor wat betreft de strijdigheid met artikel 23.2.2, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan is verweerder afgeweken van het bestemmingsplan (als tijdelijk deel van het omgevingsplan) met toepassing van artikel 23.3.1, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan. Voor wat betreft de strijdigheid met artikel 23.2.2, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan is er in het bestemmingsplan geen mogelijkheid opgenomen om af te wijken van het maximale toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken. Verweerder heeft daarom daarvoor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: bopa) verleend. Op grond van artikel 8.0a., tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (hierna: ETFAL). Verweerder heeft in het kader hiervan de regeling voor sloop en herbouw van bijbehorende bouwwerken uit het bestemmingsplan analoog toegepast en sloopvoorschriften verbonden aan de omgevingsvergunning op grond waarvan de vergunninghouder bijbehorende bouwwerken ter plaatse van het perceel en ter plaatse van een ander perceel moet slopen.

11. Eisers I wonen op het perceel gelegen aan de [adres 2] in [woonplaats] . Eisers II wonen op het perceel gelegen aan de [adres 3] in [woonplaats] . De percelen van eisers grenzen direct aan het perceel van de vergunninghouder. Eisers hebben tegen de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt.


11.1.
Naar aanleiding van de bezwaren van eisers heeft verweerder in het verweerschrift van 2 oktober 2024 erkend dat (ook) voor de mantelzorgwoning een omgevingsvergunning is vereist op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow. Dit omdat de mantelzorgwoning (ook) in strijd is met de gebruiksregels uit artikel 23.1 en 23.4.1, aanhef en onder e, van het bestemmingsplan. Verweerder heeft daarnaast erkend dat er een omgevingsvergunning voor een bopa is vereist omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid uit artikel 23.5.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan. Volgens verweerder valt de mantelzorgwoning echter onder de reeds bij het primaire besluit verleende omgevingsvergunning voor een bopa, zij het dat de motivering hiervoor gebrekkig is. Gelet hierop heeft verweerder de motivering van het primaire besluit aangevuld zodat deze ook op het gebruik van een deel van de loods als mantelzorgwoning ziet.



11.2.
Op 11 november 2024 heeft Commissie bezwaarschriften Gennep (hierna: de commissie) een advies uitgebracht. De commissie heeft geadviseerd om de bezwaren van eisers ongegrond te verklaren onder aanvulling en verbetering van de motivering. De commissie heeft geadviseerd om te motiveren waarom er, voor wat betreft het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de mantelzorgwoning, sprake is van ETFAL. Verweerder moet hierbij onder andere de belangen van omwonenden betrekken.

12. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in navolging van het advies van de commissie, de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.

13. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en hebben hiertegen beroep ingesteld. Op hetgeen eisers in beroep hebben aangevoerd, gaat de rechtbank hierna in.


De gronden van beroep en de beoordeling door de rechtbank



De mantelzorgwoning voldoet niet aan ETFAL


14. Eisers stellen dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en om die reden niet in stand kan blijven. Volgens eisers heeft verweerder namelijk niet dan wel onvoldoende gemotiveerd dat de mantelzorgwoning voldoet aan het ETFAL-criterium. De aanvullende onderbouwing van verweerder bij het bestreden besluit bevat enkel de vaststelling dat er een medische verklaring is afgegeven voor de noodzaak en het gebruik van een mantelzorgwoning en de overweging dat het belangrijk is om mee te werken aan het realiseren van een noodzakelijke mantelzorgwoning. Gelet op dit motiveringsgebrek kan het bestreden besluit volgens eisers dan ook niet in stand blijven.

15. De rechtbank overweegt hierover als volgt.



15.1.
Op grond van artikel 23.1 van het bestemmingsplan zijn de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden bestemd voor, voor zover hier relevant, het wonen, met daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, andere werken, tuinen en erven.

In artikel 23.4.1 aanhef en onder e, van het bestemmingsplan is daarnaast bepaald dat tot een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt gerekend het bewonen van (bijbehorende bouwwerken bij) een woning ten behoeve van een tweede huishouden.
Aangezien ter plaatse van het perceel al een woning wordt bewoond ten behoeve van een huishouden, is de mantelzorgwoning in strijd met artikel 23.4.1, aanhef en onder e, van het bestemmingsplan.



15.2.
Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijke deel van) het omgevingsplan (in dit geval het bestemmingsplan) wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.



15.3.
In artikel 23.5.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan is een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen op grond waarvan verweerder een omgevingsvergunning kan verlenen om af te wijken van het bepaalde in artikel 23.1 juncto artikel 23.4.1, aanhef onder e van het bestemmingsplan ten behoeve van het gebruik van een deel van de woning of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken als afhankelijke woonruimte. In artikel 23.5.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan is echter als voorwaarde opgenomen dat maximaal 75 m2 van het hoofdgebouw en/of bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van de inwoning. Aangezien de mantelzorgwoning een oppervlakte van 100 m2 heeft, wordt (in ieder geval) niet voldaan aan de voorwaarde uit artikel 23.5.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan, waardoor verweerder geen gebruik heeft kunnen maken van deze binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Het bestemmingsplan bevat daarnaast ook geen andere toereikende binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Verweerder heeft daarom voor de hiervoor genoemde strijdigheid met de gebruiksregels een omgevingsvergunning voor een bopa heeft verleend op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow. Tussen partijen is dit ook niet in geschil.



15.4.
Op grond van artikel 8.0a., tweede lid, van het Bkl wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bopa, de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Tussen partijen is in geschil of daarvan sprake is, althans of verweerder dat voldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank overweegt hierover als volgt.



15.5.
Verweerder komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de aan hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en hij moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.



15.6.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het primaire besluit (met bijbehorende onderbouwing) ten onrechte ervan is uitgegaan dat de mantelzorgwoning vergunningsvrij is. Het primaire besluit bevat dan ook geen motivering van verweerder ten aanzien van het ETFAL-criterium.



15.7.
De rechtbank stelt verder vast dat verweerder in het verweerschrift van
2 oktober 2024, nadat hij heeft erkend dat ook voor het gebruik van de mantelzorgwoning een omgevingsvergunning voor een bopa is vereist, de motivering van het primaire besluit heeft aangevuld zodat deze ook op het gebruik van de mantelzorgwoning ziet. Verweerder heeft de volgende motivering voor het ETFAL-criterium gegeven:


“In het reeds aangehaalde artikel 23.4.1, onder e, van de planvoorschriften zijn regels gesteld die een binnenplanse afwijking mogelijk maken. Omdat de mantelzorgwoning niet voldoet aan de vereiste maximale oppervlakte van 75 m², is een binnenplanse afwijking niet mogelijk gebleken. Ter beoordeling of aan de eisen van ETFAL wordt voldaan, verwijst het college naar de overige eisen van het reeds aangehaalde artikel.



- Ten aanzien van de noodzaak van de mantelzorgwoning verwijst het college naar de verklaringen van de deskundigen. Uit beide verklaringen blijkt dat er voldoende noodzaak bestaat voor de mantelzorgwoning;


- Op het perceel is al een woning aanwezig;


- Gelet op de omgeving, de grote afstanden tot de nabijgelegen bebouwing en hetgeen wordt overwogen in dit verweerschrift, vindt er geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van omwonenden en bedrijven;


- Er is niet reeds een omgevingsvergunning voor mantelzorg verleend;


- Zoals ook blijkt uit de verklaring van deskundigen, is dochter toe aan meer zelfstandigheid. Deze zelfstandigheid kan slechts gerealiseerd worden door een vrijstaand bijbehorend bouwwerk als mantelzorgwoning te gebruiken. Gelet hierop zou inwoning in het hoofdgebouw, zoals dochter tot op heden nog doet, haar zelfstandigheid niet verbeteren en onredelijk bezwarend zijn;


- Op het moment dat de mantelzorgwoning niet langer noodzakelijk is, zal en kan het gebruik van de mantelzorgwoning worden beëindigd.



Gelet op het voorgaande is het college van oordeel dat ook de mantelzorgwoning voldoet aan de eisen van ETFAL, daar de woning grotendeels voldoet aan de eisen voor de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid.”




15.8.
In het advies van 11 november 2024 heeft de commissie vervolgens het volgende geadviseerd:

“De commissie meent echter dat de hiervoor geformuleerde motivering niet afdoende is. Zo heeft het college geconcludeerd dat de bouw van de mantelzorgwoning bijna aan alle vereisten voldoet uit artikel 22.5.1 van het bestemmingsplan en op die manier redelijkerwijs kan worden aangenomen dat wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoewel de commissie kan volgen dat binnenplanse afwijkingsregels kunnen worden betrokken bij de vraag of een activiteit voldoet aan de maatstaf van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, wordt voornoemde beoordeling als te kort door de bocht beschouwd. De commissie overweegt dat het college alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder bijvoorbeeld de ruimtelijke impact van het bouwplan en de daarbij betrokken belangen van de omwonenden – moet betrekken bij de vraag of in dit specifieke geval de bouw van de mantelzorgwoning voldoet aan de maatstaf van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ook dient het college, nu in de motivering gebruik wordt gemaakt van de binnenplanse afwijkingsregels, te motiveren waarom de realisatie de mantelzorgwoning, ondanks de overschrijding van de maximale oppervlakte, toch ruimtelijk aanvaardbaar is. Dit betekent volgens de commissie dat de motivering in de beslissing op bezwaar op deze punten dient te worden aangevuld en verbeterd.



15.9.
Verweerder heeft aangegeven dit advies over te nemen en vervolgens in de aanvullende motivering behorende bij het bestreden besluit het volgende opgenomen:

“De aangevraagde activiteit, zijnde een mantelzorgwoning, betreft een buitenplanse omgevingsplan activiteit. Dit houdt in dat de activiteit niet direct passend is binnen het vigerende omgevingsplan. Het college hecht veel waarde aan maatschappelijke betrokkenheid en het welzijn van de inwoners van de gemeente Gennep. In dit kader vinden zij het belangrijk om mee te denken over buitenplanse activiteiten die bijdragen aan sociale cohesie en het welzijn van de gemeenschap. Een voorbeeld hiervan is het mogelijk maken van mantelzorgwoningen als daar noodzaak toe is. Mantelzorgwoningen bieden een oplossing voor de groeiende behoefte aan zorg binnen de eigen leefomgeving en ondersteunen de zorg voor naasten op een laagdrempelige en toegankelijke manier. Door dergelijke initiatieven te faciliteren, toont het college haar betrokkenheid bij de maatschappelijke uitdagingen en draagt zij bij aan een zorgzame en inclusieve samenleving.


De binnenplanse/vergunningsvrije mogelijkheden kan in deze analoog worden toegepast. Dit betekent dat de activiteit vergelijkbaar is met de activiteiten die wel binnen het omgevingsplan zijn toegestaan. De mantelzorgwoning is passend binnen de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.”




15.10.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit met de daarbij behorende aanvullende motivering een motiveringsgebrek bevat, omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zoals bedoeld in artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl en daarbij ook een onvoldoende belangenafweging heeft verricht. Verweerder heeft namelijk onvoldoende gemotiveerd hoe de belangen van omwonenden zijn meegenomen in de besluitvorming en waarom een mantelzorgwoning op deze locatie, in strijd met het bestemmingsplan, ruimtelijk gezien aanvaardbaar is. De rechtbank mist in het bestreden besluit de opvolging van het advies van de commissie bezwaarschriften. Verweerder heeft namelijk enkel gemotiveerd dat mantelzorgwoningen in het algemeen maatschappelijk gezien wenselijk zijn omdat deze bijdragen aan sociale cohesie en het welzijn van de gemeenschap. Verweerder heeft daarbij niet, zoals dat wel is geadviseerd door de commissie - juist omdat niet (geheel) voldaan wordt aan het daarvoor vastgestelde (binnenplanse) beoordelingskader - gemotiveerd wat de ruimtelijke impact van deze woning is voor de omwonenden. Bovendien maakt van genoemd binnenplans beoordelingskader ook onderdeel uit de toets of geen sprake is van een onevenredige aantasing van de belangen van omwonenden. Gelet op het voorgaande bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Deze beroepsgrond van eisers slaagt.



15.11.
Gelet op het voorgaande is het beroep van eisers gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal hierna beoordelen of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Zij overweegt daartoe als volgt.



15.12.
In het verweerschrift van 27 februari 2026 heeft verweerder, in aanvulling op het bestreden besluit, gewezen op visie op het sociale beleid die is neergelegd in de notitie “Blijven(d) ontmoeten, meedoen, ondersteunen”. Deze visie is als volgt omschreven:
“We streven naar een sterke en sociale Gennepse samenleving waarin mensen elkaar accepteren en zich verantwoordelijk voelen voor zichzelf én voor elkaar. Een samenleving waar we met elkaar de zorg dragen voor mensen die dat nodig hebben. In deze samenleving kan iedereen gelijkwaardig en naar vermogen meedoen. Passende en samenhangende zorg is vanzelfsprekend.


De gemeentelijke organisatie is onderdeel van deze samenleving. Samen met anderen willen we vorm geven aan een toekomstbestendig en samenhangend sociaal domein. We willen inwoners stimuleren de verantwoordelijkheid voor zichzelf en voor elkaar te nemen. Wie niet zonder ondersteuning kan, krijgt de zorg die nodig is.”


Daarnaast heeft verweerder gewezen op de beleidsdoelen uit het sociale beleid. Een van deze beleidsdoelen is:


“We hebben grote waardering voor de inzet van onze vrijwilligers en mantelzorgers. Zeker ook voor de jonge mantelzorgers. We willen deze waardering uitspreken met bijvoorbeeld de mantelzorgmarkt. Maar ook willen we knelpunten signaleren en vrijwilligers en mantelzorgers ondersteunen en ontlasten. We maken werk van mantelzorg- en vrijwilligersbeleid.”



15.13.
Aangezien het beoogde gebruik als mantelzorgwoning gelet op het voorgaande volgens verweerder geheel in lijn is met het sociaal-domein beleid en de belangen van omwonenden daartegenover zijn afgewogen, zoals blijkt uit het participatieverslag en de ruimtelijke onderbouwing, heeft de mantelzorgwoning slechts een zeer beperkte ruimtelijke impact op de directe omgeving, aldus verweerder in het verweerschrift. Verweerder heeft daarbij ook gewezen op artikel 22.36, tweede lid, van het omgevingsplan op grond waarvan een mantelzorgwoning buiten de bebouwde kom, die in zijn geheel of in delen verplaatsbaar is, in overeenstemming wordt geacht met het omgevingsplan tot een oppervlakte van niet meer dan 100 m2.



15.14.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Met de in het verweerschrift gegeven aanvullende motivering heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank (nog steeds) niet alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder de belangen van de omwonenden betrokken bij de vraag of de bouw van de mantelzorgwoning voldoet aan de maatstaf van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit het sociale beleid volgt immers enkel waarom mantelzorgwoningen in het algemeen wenselijk zijn. Verweerder heeft daarbij echter onvoldoende gemotiveerd hoe de belangen van omwonenden zijn meegenomen. De verwijzing naar artikel 22.36, tweede lid, van het omgevingsplan gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op omdat in dit geval geen sprake is van een verplaatsbare woning en dat volgens het omgevingsplan wel vereist is om een oppervlakte van 100 m2 aanvaardbaar te achten.


De toegestane bebouwde oppervlakte voldoet niet aan ETFAL


16. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit ook voor wat betreft het toegestane bebouwde oppervlakte een motiveringsgebrek bevat. Volgens eisers is namelijk ten eerste onduidelijk welk oppervlakte door verweerder is vergund en waarop het toestaan van de bebouwing is gebaseerd. Voor zover eisers menen te kunnen achterhalen waarop verweerder het toegestaan van de bebouwing heeft gebaseerd, voldoet de toegestane overschrijding van het oppervlakte ook niet aan het ETFAL-criterium. Verweerder heeft namelijk enkel verwezen naar een kennelijk bestaande verplichting om op een andere locatie een schuur te slopen. Volgens verweerder kan daarvan 60 procent worden gebruikt ter compensatie van het teveel gebouwde op het perceel. Zonder verdere overwegingen komt verweerder vervolgens tot de conclusie dat voldaan is aan de eis van ETFAL. Daarnaast heeft verweerder volgens eisers ten onrechte gestapeld met de oppervlakte die vergunningsvrij zou zijn op basis van het bestemmingsplan zonder daarbij te toetsen aan het beleid van de gemeenteraad en zonder daarbij een deugdelijke motivering te geven. Gelet op het voorgaande bevat het bestreden besluit ook om die reden een motiveringsgebrek.

17. De rechtbank overweegt hierover als volgt.



17.1.
Op grond van artikel 23.2.2, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan geldt voor bijbehorende bouwwerken ter plaatse van het perceel dat de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m2.



17.2.
Ter plaatse van het perceel wordt, na de sloop van de bijbehorende bouwwerken op grond van het aan de verleende omgevingsvergunning verbonden voorschrift, de toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken uit artikel 23.2.2, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan overschreden met 292 m2.



17.3.
Voor het afwijken van artikel 23.2.2, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan is geen binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen in het bestemmingsplan en verweerder heeft daarom een omgevingsvergunning verleend voor een bopa op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow. Tussen partijen is in geschil of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.



17.4.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het primaire besluit de regeling voor sloop en herbouw van bijbehorende bouwwerken uit het bestemmingsplan analoog heeft toegepast en sloopvoorschriften heeft verbonden aan de omgevingsvergunning op grond waarvan de vergunninghouder bijbehorende bouwwerken ter plaatse van het perceel en ter plaatse van een ander perceel moet slopen. In het bestreden besluit is verweerder bij deze motivering gebleven.



17.5.
De rechtbank is met eisers van oordeel dat het bestreden besluit ook op dit punt een motiveringsgebrek bevat, omdat verweerder enkel onder verwijzing naar de regeling voor sloop en herbouw van bijbehorende bouwwerken, zonder nadere motivering, tot de conclusie dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op het perceel is/was bovendien ook bebouwing aanwezig in strijd met het bestemmingsplan en/of zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning en verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre die bebouwing ook betrokken is bij toepassing van deze regeling. Deze beroepsgrond slaagt.



17.6.
Ook gelet hierop is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Ter finale geschilbeslechting gaat de rechtbank hierna in op de motivering die verweerder na het nemen van het bestreden besluit heeft gegeven.



17.7.
In het verweerschrift van 27 februari 2026 heeft verweerder een aanvullende motivering gegeven. Verweerder heeft voor het ETFAL-criterium in het kader van de overschrijding van de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken ter plaatse van het perceel aangesloten bij de regeling voor mantelzorgwoningen in het bestemmingsplan (artikel 23.3.1), de regeling voor mantelzorgwoningen elders in het omgevingsplan (artikel 22.35 en artikel 22.36) en de regeling voor vergunningsvrij bouwen.



17.8.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onder verwijzing naar de hiervoor genoemde regelingen in de aanvullende motivering niet heeft gemotiveerd dat voldaan wordt aan het ETFAL-criterium. Aan de regeling uit het bestemmingsplan wordt immers niet voldaan alleen al omdat de mantelzorgwoning groter is dan 75 m2. Aan de regeling van artikel 22.35 en 22.36 van het omgevingsplan wordt ook niet voldaan omdat de mantelzorgwoning weliswaar niet groter is dan 100 m2 , maar niet verplaatsbaar is. Door twee regelingen waaraan niet wordt voldaan met elkaar te combineren met de stelling dat deels aan beide regelingen is voldaan, heeft verweerder niet gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De maximale oppervlakte ingevolge beide regelingen in het omgevingsplan is 75 m2 voor niet-verplaatsbare en 100 m2 voor wel verplaatsbare mantelzorgwoningen. Een niet verplaatsbare mantelzorgwoning aanvaardbaar achten enkel omdat deze voldoet aan de regeling voor verplaatsbare mantelzorgwoningen miskent dat sprake is van verschillende regelingen. Daarmee is onvoldoende gemotiveerd waarom een niet verplaatsbare mantelzorgwoning van 100 m2 aanvaardbaar is.



17.9.
Voor zover verweerder heeft verwezen naar de sloop van bebouwing elders in het buitengebied, betreft dit een motivering op macro-niveau (ten aanzien van verstening c.q. ontstening van het gemeentelijke buitengebied), maar daarmee is nog niet gemotiveerd dat op onderhavige locatie een grotere oppervlakte aan bebouwing (het in beperkte omvang toevoegen van vierkante meters die elders worden gesloopt) in overeenstemming is met ETFAL


Het gebruik van de bijbehorende bouwwerken is in strijd met het bestemmingsplan


18. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van de bijbehorende bouwwerken in strijd is met het bestemmingsplan. Dit is ten onrechte niet door verweerder meegenomen in de beoordeling van het bestreden besluit waardoor het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en onrechtmatig is. Op grond van artikel 23.1, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan zijn de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden namelijk bestemd voor het hobbymatig houden van vee. De paardenstal zal echter volgens eisers gebruikt gaan worden voor bedrijfsmatige activiteiten waardoor om die reden er sprake is van strijd met de gebruiksregels uit het bestemmingsplan. Dat sprake is van bedrijfsmatige activiteiten blijkt onder andere uit de ruimtelijke onderbouwing en de inschrijving van de onderneming in de Kamer van Koophandel als “Hippische Dienstverlening Madelief Verhoeven”. Daarnaast is in artikel 23.1, aanhef en onder d en onder 2, van het bestemmingsplan bepaald dat de gezamenlijke gebruiksoppervlakte van de woning en bijbehorende bouwwerken die wordt gebruikt voor het aan huis verbonden beroep niet meer dan 50 m2 mag bedragen. Ter plaatse van het perceel is niet alleen de paardenstal met een oppervlakte van groter dan 50 m2 aanwezig maar ook de garage met een oppervlakte van 70 m2 waarin een andere onderneming is gevestigd. Hierdoor wordt het toegestane gebruiksoppervlakte voor een huis verbonden beroep uit artikel 23.1, aanhef en onder d en onder 2, van het bestemmingsplan ruimschoots overschreden, aldus eisers.

19. De rechtbank overweegt hierover als volgt.



19.1.
Ter plaatse van de loods, met de daarin voorziene paardenstal, geldt de bestemming ‘Wonen’. Uit artikel 23.1, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan volgt dat de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het hobbymatig houden van vee.



19.2.
De rechtbank stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing, behorende bij de aanvraag om de omgevingsvergunning, is opgenomen dat in de paardenstal enkele paarden gestald zullen worden. Daarnaast volgt uit de tekening van de nieuwe situatie dat er slechts twee paardenstallen zijn voorzien met een optie van uitbreiding naar drie of vier paardenstallen. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend. Gelet op hetgeen in de aanvraag is opgenomen is de rechtbank anders dan eisers van oordeel dat ervan mag worden uitgegaan dat de paardenstal zal worden gebruikt voor het hobbymatig houden van paarden waardoor er geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan en het bestreden besluit niet onvolledig is. De rechtbank betrekt hierbij tevens dat de vergunninghouder ter zitting het voorgaande heeft bevestigd en verder heeft toegelicht dat de paarden voor privégebruik van zijn dochter dienen. De dochter van de vergunninghouder heeft weliswaar een onderneming maar het bedrijfsmatig of professioneel lesgeven aan paarden en/of hun ruiters vindt enkel plaats op andere locaties dan op het perceel. Als eisers menen dat er sprake is van het gebruik dat het hobbymatig houden van vee overstijgt, en dat dus in strijd is met het bestemmingsplan, dan kunnen zij hiertoe een verzoek om handhaving bij verweerder indienen. Op het hobbymatig houden van vee is artikel 23.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan, dat immers geldt bij aan huis verbonden beroepen, niet van toepassing. Gelet hierop slaagt deze beroepsgrond van eisers niet.


De bijbehorende bouwwerken zijn in strijd met de Omgevingsvisie


20. Eisers hebben verder aangevoerd dat de bijbehorende bouwwerken in strijd zijn met de Omgevingsvisie 2019 en het provinciaal beleid. Dit omdat de loods te ver van het hoofdgebouw is geplaatst en het bebouwingsoppervlakte fors wordt overschreden. In de Omgevingsvisie 2019 is het gebied namelijk aangewezen als “Landelijk, door natuur omarmd”. Kenmerken van dit deelgebied zijn onder andere agrarische velden. Het bouwen van een loods op relatief grote afstand van de woning verdraagt zich volgens eisers niet met het streven naar het behoud van de openheid van het landschap. Door de bouw van de loods op de huidige locatie ontstaat immers een bebouwingscluster, iets wat verweerder tot op heden juist heeft proberen te voorkomen, hetgeen ook blijkt uit de eerder geweigerde omgevingsvergunning van 22 maart 2023. Aangezien verweerder de afwijking van de Omgevingsvisie 2019 ook niet heeft gemotiveerd is het bestreden besluit ook om die reden onrechtmatig, aldus eisers.

21. De rechtbank overweegt hierover als volgt.



21.1.
De rechtbank stelt met verweerder vast dat eisers slechts in algemene zin hebben gesteld dat sprake is van strijd met het provinciaal beleid zonder daarbij aan te geven welk provinciaal beleid zij precies bedoelen en met welke onderdelen van dit beleid de verleende omgevingsvergunning in strijd is.



21.2.
Voor wat betreft de door eisers gestelde strijd met de Omgevingsvisie overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat het perceel en de loods zijn gelegen binnen het gebied waarop de Omgevingsvisie Gennep van toepassing is. Het perceel ligt daarnaast binnen het deelgebied “Landelijk, door natuur omarmd”. In de Omgevingsvisie is voor dit deelgebied de volgende omschrijving opgenomen:

“Kenmerken van het landbouwgebied zijn de open agrarische velden met agrarische bedrijvigheid, bebouwing en beplantingslijnen in combinatie met de natuurlijke kwaliteiten van de rivierdalen, de stuwwal en de kwelgebieden aan de voet van de stuwwal. De

openheid van het voormalig ontginningsgebied vormt een opvallend contrast met de stuwwal op de achtergrond.”

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de loods niet in strijd heeft hoeven achten met de Omgevingsvisie, nu daaruit niet volgt dat in het geheel geen bebouwing kan worden toegevoegd op percelen waar al bebouwing aanwezig is. Voor zover eisers hebben beoogd aan te voeren dat verweerder, gelet op de eerdere geweigerde omgevingsvergunning en de daarin opgenomen motivering, ook de (nieuwe) aanvraag om een omgevingsvergunning had moeten weigeren wegens strijd met de Omgevingsvisie volgt de rechtbank hen hierin niet. Er is immers sprake van een nieuwe aanvraag (met nieuwe onderbouwingen) die verweerder op zijn eigen merites dient te beoordelen. Gelet op het voorgaande slaagt deze beroepsgrond van eisers niet.


Er zijn alternatieven met minder ruimtelijke gevolgen


22. Eisers hebben zich ten slotte op het standpunt gesteld dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar alternatieven waarmee een vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt maar met aanzienlijk minder bezwaren. Zo zou volgens eisers de mantelzorgwoning ook gerealiseerd kunnen worden in een ander bijgebouw namelijk de garage. Hiermee wordt hetzelfde doel bereikt als waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd, maar dit is ruimtelijk gezien veel wenselijker omdat er bijvoorbeeld eerder lijkt te zijn voldaan aan de gebruiksregels voor de mantelzorgwoning en is er sprake van een betere ruimtelijke inpassing.

23. De rechtbank overweegt hierover als volgt.



23.1.
Verweerder diende te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Dat betekent onder meer dat, als een activiteit op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de vergunning kan leiden, als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. Het is aan degene die stelt dat er alternatieven zijn om deze alternatieven te benoemen en aannemelijk te maken dat op voorhand duidelijk is dat verwezenlijking van het alternatief een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren oplevert.



23.2.
De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder de omgevingsvergunning had moeten weigeren. Uit wat eisers hebben aangevoerd volgt namelijk niet dat er alternatieve locaties zijn waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Weliswaar hebben eisers een alternatieve locatie vermeld, maar daarbij is niet onderbouwd dat daarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat, anders dan door eisers gesteld, er wel onderzoek is gedaan naar alternatieven. Uit de ruimtelijke onderbouwing en de daarbij behorende locatiestudie genaamd “Locatie studie paardenstal en mantelzorgwoning , [adres 1] [woonplaats] ” (hierna: de locatiestudie) volgt namelijk dat locaties die zijn gelegen binnen 25 meter van het hoofdgebouw meer nadelige effecten hebben op de beleving. Gelet op het voorgaande slaagt deze beroepsgrond van eisers niet.


Conclusie en gevolgen


24. Gelet op het voorgaande is het beroep van eisers tegen het bestreden besluit is gegrond. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.

25. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde van eisers mr. E.E.M. Bakker heeft een beroepschrift ingediend en daarnaast hebben de beide gemachtigden van eisers aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Dat zijn twee proceshandelingen. De vergoeding
bedraagt € 1.868,-.


Beslissing


De rechtbank:

­ verklaart het beroep gegrond;
­ vernietigt het bestreden besluit;
­ draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
­ bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
­ veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E.M. Genders, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.












griffier


rechter






De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.



Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 7 september 2026.





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Kadastraal bekend als gemeente Ottersum, sectie D, nummer 526.


Vastgesteld op 3 april 2012 en geconsolideerd op 28 januari 2016.


Dit bestemmingsplan maakt op grond van artikel 4.6. van de Invoeringswet Omgevingswet sinds de inwerkingtreding van de Ow op 1 januari 2024 onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.


Onderdeel van de aanvraag om de omgevingsvergunning is de ruimtelijke onderbouwing genaamd ‘Ruimtelijke Onderbouwing Buitenplanse Omgevings Plan Activiteit (BOPA) Stal en mantelzorgwoning [adres 1] [woonplaats] Gemeente Gennep’ (hierna: de ruimtelijke onderbouwing).


Verweerder heeft de aanvullende motivering opgenomen in het document genaamd “Aanvullende motivering behorende bij ‘Besluit Omgevingsvergunning [adres 1] , [woonplaats] ’ geregistreerd onder nummer Z2024-00000467 met DSO nummer 2024050601003”.


Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Ow, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.


Dat is opgesteld in het kader van de bezwaarprocedure.


Vastgesteld op 14 december 2020.


Zie pagina 8 van de ruimtelijke onderbouwing.


Zie pagina 8 van de ruimtelijke onderbouwing.


Vastgesteld op 23 september 2019.


Zie pagina 23 van de Omgevingsvisie.


Zie pagina 31 van de Omgevingsvisie.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4559, rechtsoverwegingen 7.3 en 7.4.


Zie pagina 4 van de locatiestudie.
Link naar deze uitspraak