Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBMNE:2025:6400 
 
Datum uitspraak:29-09-2025
Datum gepubliceerd:02-01-2026
Instantie:Rechtbank Midden-Nederland
Zaaknummers:24/7300
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Wabo, beroep tegen verleende omgevingsvergunning voor het legaliseren van een reeds gebouwde schuur. Gebruik van de schuur en de ruimtelijke aanvaardbaarheid. De rechtbank is van oordeel dat het college de omgevingsvergunning voor de legalisatie van de schuur in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Het beroep van eisers is ongegrond.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
geluidshinder
omgevingsvergunning
perceel
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7300

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2025 in de zaak tussen



[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. A.S. Nijland)

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik (het college), verweerder
(gemachtigde: M.R. de Vos).



Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] (vergunninghouder).



Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de omgevingsvergunning die het college heeft verleend aan vergunninghouder voor het legaliseren van een reeds gebouwde schuur op het perceel [adres] in [plaats] .

2. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de bij besluit van 15 december 2023 verleende omgevingsvergunning . Tijdens de bezwaarprocedure heeft het college een herstelbesluit genomen omdat in het besluit van 15 december 2023 de verkeerde grondslag is gebruikt. In dit herstelbesluit van 11 juni 2024 is de grondslag aangepast maar heeft het college opnieuw de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. Op grond van artikel 6:19 Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het eerdere bezwaarschrift aangemerkt als ook gericht tegen het herstelbesluit. Bij beslissing op bezwaar van 26 september 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het herstelbesluit ongegrond verklaard en het herstelbesluit in stand gelaten. Het college heeft daarbij wel een proceskostenvergoeding toegekend aan eisers.

3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van verweerder en vergunninghouder, vergezeld door [A] .




Beoordeling door de rechtbank



Overgangsrecht
5. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.


Omgevingsvergunning

6. Vergunninghouder heeft op 3 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning ter legalisatie van de al gerealiseerde schuur op het perceel [adres] in [plaats] . De schuur wordt gebruikt als hobbygarage en dient ook voor opslagdoeleinden. Het betreft een enkele bouwlaag met een zadeldak. De schuur is gelegen achter de op het perceel aanwezige woning en heeft een oppervlakte van circa 118,5 m2. De bouwhoogte van de schuur bedraagt 5,35 meter en de goothoogte 3 meter.

7. Op het perceel is het bestemmingsplan ‘Uitweg’ uit 2009 (het bestemmingsplan)| van toepassing. Op grond van het bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming ‘Wonen’. Daarnaast geldt voor het perceel de gebiedsaanduiding ‘gebied bijgebouwen toegestaan’. Het bouwplan is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan Uitweg 2009, nu de nokhoogte 35 cm hoger is dan toegestaan. Ook valt het bouwplan deels buiten de gebiedsaanduiding en wordt het maximale bebouwingsoppervlak overschreden. Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo bepaalt dat een aanvraag moet worden geweigerd indien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft de aanvraag daarom ook opgevat als een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik.
8. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik ten behoeve van het legaliseren van de schuur. Het college heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2 º, van de Wabo in samenhang gezien met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het gaat om de zogenoemde kruimelgevallenregeling.
9. Op grond van artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II bij het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning in aanmerking: een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2.Ingetrokken beroepsgronden
10. De toelichting in het verweerschrift en de bespreking tijdens de zitting hebben er toe geleid dat eisers op de zitting de beroepsgrond hebben ingetrokken dat de schuur niet voldoet aan de kruimelgevallenregeling omdat het bouwwerk hoger is dan 5 meter. Tussen partijen staat namelijk niet (meer) ter discussie dat de schuur niet buiten (maar binnen) de bebouwde kom is gelegen en de eis dat het bouwwerk niet hoger is dan 5 meter dus niet geldt. Ook hebben eisers de beroepsgrond ingetrokken dat het maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte is overschreden. De rechtbank zal deze beroepsgronden van eisers dus niet inhoudelijk beoordelen.Toetsingskader
11. Een omgevingsvergunning kan bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid via een kruimelgeval slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast geldt dat het college bij zijn besluitvorming over een aanvraag als hier aan de orde beleidsruimte heeft. Dat betekent dat het college, indien de activiteit niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening is, de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De rechtbank toetst of het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Gebruik van de schuur
12. Volgens eisers staat het gebruik van de schuur vergunningverlening in de weg. Eisers voeren aan dat de omvang en uiterlijke kenmerken van de gerealiseerde schuur duiden op een garage, bedoeld voor bedrijfsmatig gebruik, wat in strijd is met het bestemmingsplan. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben eisers foto’s overgelegd van verschillende auto’s en busjes die volgens eisers voor korte periodes geparkeerd staan op het perceel van vergunninghouder en/of onderdelen komen afleveren. Ook staat er op het adres van vergunninghouder een bedrijf voor APK-controles ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK). Gelet op deze omstandigheden had het college moeten aannemen dat de schuur is gebouwd met het oog op bedrijfsmatig gebruik, zo stellen eisers.
13. Bij de beoordeling van deze beroepsgrond stelt de rechtbank voorop dat uit vaste rechtspraak volgt dat bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts dient te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar dat ook dient te worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt gebouwd. Op de zitting is door vergunninghouder toegelicht dat hij de schuur hobbymatig gebruikt voor kluswerkzaamheden aan auto’s. Dit doet hij uitsluitend onbetaald, voor vrienden en kennissen. De inschrijving bij de KvK was bedoeld voor de afwikkeling van het eigen bedrijf dat vergunninghouder had voordat hij in loondienst ging. Weliswaar verricht hij ook nu nog bedrijfsmatig kluswerkzaamheden als zelfstandige, maar die vinden dan niet plaats in de schuur maar steeds op locatie bij de klant. Ook het college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake (meer) is van bedrijfsmatige activiteiten. Er is in een eerder stadium een handhavingstraject gestart, maar op basis van meerdere controles is vastgesteld dat er geen bedrijfsmatige activiteiten in de schuur plaatsvinden. Dat er op het adres een bedrijf voor APK-keuringen staat ingeschreven maakt niet zonder meer dat er ook daadwerkelijk bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden. In het geval van vergunninghouder is tijdens de controles geconstateerd dat de schuur niet over de faciliteiten beschikt voor het kunnen doen van een APK-keuring, zodat van een APK-bedrijf geen sprake kan zijn.

14. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er gelet op het voorgaande ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen reden voor het college om aan te nemen dat de schuur bedrijfsmatig wordt gebruikt. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat als er in de toekomst toch bedrijfsmatige activiteiten zouden worden verricht, dat dan sprake is van een overtreding van de gebruiksbepalingen van het bestemmingsplan waartegen in beginsel handhavend moet worden opgetreden.


Ruimtelijke aanvaardbaarheid

15. Volgens het college is de legalisering van de schuur zoals aangevraagd niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij weegt het college mee dat de afwijkingen, ten opzichte van wat volgens het bestemmingsplan is toegestaan en wat volgens artikel 2 van bijlage II bij het Bor vergunningvrij mag worden gebouwd, beperkt zijn. Bovendien zijn de ruimtelijke gevolgen beperkt gelet op de ligging in een landelijke omgeving waar veel grote schuren staan, waaronder op het perceel van eisers. Volgens het college zijn de ruimtelijke effecten van de legalisering van de schuur dan ook aanvaardbaar.

16. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren aan dat de schuur niet ruimtelijk aanvaardbaar is, omdat zij ernstige geur- en geluidshinder ervaren als gevolg van de opknap- en reparatiewerkzaamheden aan motorvoertuigen die in de schuur plaatsvinden. Ook stellen eisers dat hun woongenot wordt aangetast doordat zij direct op de schuur uitkijken. Zoals eisers ter zitting hebben aangegeven gaat het hen daarbij niet zozeer om de overschrijding van de maximale nokhoogte of het oppervlak van de schuur. Het gaat er met name om dat zij het gevoel hebben naast een bedrijventerrein te wonen tussen alle rotzooi. Bovendien wordt hun woongenot ook verminderd door het aangezicht van de schuur, omdat het volgens eisers een lelijk prefab gebouw is.
16. De beroepsgrond slaagt niet. Zoals onder 14 is geoordeeld is er in de schuur geen sprake van bedrijfsmatige activiteiten. Van een bedrijventerrein is dus geen sprake. Voor zover de door eisers gestelde geur-, geluids- en zichthinder het gevolg zijn van hobbymatige activiteiten, geldt dat deze hobbymatige activiteiten passen binnen de woonbestemming die geldt op het perceel van vergunninghouder. Het hobbymatig gebruik van de schuur als ‘klusomgeving’ strekt immers tot vergroting van het woongenot van vergunninghouder. Dit gebruik is dus niet een afwijking van het bestemmingsplan die door het college moet worden beoordeeld, en kan dus niet in de weg staan aan verlening van de vergunning om van het bestemmingsplan af te wijken.
16. Ten aanzien van het aangezicht van de schuur merkt de rechtbank op dat het bouwplan is beoordeeld door welstand, die heeft geadviseerd dat de schuur niet in strijd met de redelijke eisen van welstand is. Het college mag in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen aan het deskundigenadvies van welstand. Eisers hebben daar ook geen andersluidend deskundigenoordeel tegenover gesteld. Dat eisers zelf de schuur een lelijk gebouw vinden is onvoldoende om de omgevingsvergunning te weigeren. De rechtbank kan het college dan ook volgen in zijn standpunt dat (de legalisering van) de schuur niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.



Conclusie en gevolgen

19. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college de omgevingsvergunning voor de legalisatie van de schuur in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Het beroep van eisers is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.
19. Omdat eisers geen gelijk krijgen, krijgen zij het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr.T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2025.










griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.


De activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wabo.


De activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wabo.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2779 en van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4156.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1210 en van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3898.
Link naar deze uitspraak