|
|
|
| ECLI:NL:RBMNE:2025:7282 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 16-01-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Midden-Nederland | | Zaaknummers | : | UTR 25/6586 (verzoek) en UTR 25/6586 (verzoek) en | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Omgevingswet. Voorlopige voorziening. Kortsluiten. Omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfshal. Het college heeft ten onrechte de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwen verleend. Daarbij heeft het college ten onrechte beslist dat het bouwplan niet in strijd is met de regels uit het omgevingsplan en voldoet aan de beoordelingsregels voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het beroep is gegrond en het college moet een nieuw besluit nemen. In afwachting daarvan is er geen aanleiding om de omgevingsvergunning te schorsen. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | | Uitspraak | RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/6586 (verzoek) en UTR 25/6359 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 december 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiseres 2] , uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. S. Haak),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden (het college), verweerder
(gemachtigden: R. Bots en R. Bambacht).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde belanghebbende] uit [plaats] , vergunninghouder (gemachtigde: mr. M. Vermeulen).
Inleiding
Het college heeft met het besluit van 15 mei 2025 aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfshal op de locatie [adres 1] in [plaats] (het perceel). Het bestaande bedrijfsgebouw op dit perceel wordt gesloopt.
Eisers wonen op het [adres 2] in [plaats] en hebben daar ook hun bedrijf gevestigd. Zij zijn het niet eens met deze omgevingsvergunning. Eiser [eiser 1] heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 26 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om als voorlopige voorziening de verleende vergunning te schorsen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 december 2025 op zitting behandeld. Eisers en hun gemachtigde waren hierbij aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens vergunninghouder was [A] aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde van vergunninghouder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van spoedeisend belang. Vergunninghouder is al begonnen met het slopen van het bestaande bedrijfsgebouw. Tijdens de zitting heeft vergunninghouder verder verklaard dat op korte termijn gestart zal worden met de bouwwerkzaamheden.
Kortsluiten
2. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eisers tegen het bestreden besluit. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
Ontvankelijkheid van het beroep van [eiseres 2]
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat eiseres [eiseres 2] geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 15 mei 2025. In beginsel kan iemand alleen beroep instellen als diegene eerst bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit. Dit betekent dat voor eiseres [eiseres 2] bij de rechtbank geen beroep open stond tegen het bestreden besluit. Er is ook geen geldige reden gegeven waarom zij geen bezwaar heeft gemaakt. De voorzieningenrechter zal daarom eiseres [eiseres 2] niet-ontvankelijk verklaren in haar beroep. Alleen het beroep ingesteld door eiser [eiser 1] (hierna eiser genoemd) kan in deze zaak inhoudelijk worden beoordeeld. Dat gaat de voorzieningenrechter hierna doen.
De omgevingsvergunning
Beoordelingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Vergunninghouder heeft op 21 februari 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Dat betekent dat de Omgevingswet van toepassing is. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente.
5. De omgevingsvergunning is verleend voor een omgevingsplanactiviteit. Onder een omgevingsplanactiviteit wordt onder meer verstaan een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan. Dit wordt de binnenplanse omgevingsplanactiviteit genoemd.
6. Het Omgevingsplan gemeente Vijfheerenlanden (het omgevingsplan) bestaat voor nu uit een tijdelijk deel. Het bouwen van een nieuwe bedrijfshal is op grond van artikel 22.26 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan verboden zonder omgevingsvergunning. De regels van het voormalig bestemmingsplan Buitengebied Leerdam en de Geconsolideerde versie Buitengebied en herzieningen 2014 (het bestemmingsplan) maken van rechtswege onderdeel uit van het tijdelijk omgevingsplan. Naast de voorheen vastgestelde bestemmingsplannen, wordt dit tijdelijke deel onder andere gevormd door de omgevingsplanregels van rijkswege (de zogenoemde bruidsschat).
7. Volgens het bestemmingsplan geldt op het perceel onder meer de bestemming ‘wonen’ met de aanduidingen ‘karakteristiek’, ‘specifieke vorm van wonen- voormalig agrarisch bedrijf’ en ‘specifieke vorm van wonen- timmerwerkplaats en caravanstalling’. Binnen deze bestemming is een timmerwerkplaats van maximaal 500 m² en een caravanstalling van maximaal 800 m² toegestaan. Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. De goothoogte mag maximaal 4 meter bedragen.
8. Verder staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de aanvraag van de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit beoordeelt. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. In artikel 22.29 van het omgevingsplan staat het toetsingskader voor een omgevingsplanactiviteit bouwen. Uit die bepaling volgt dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met de in het omgevingsplan gestelde regels en ook niet in strijd mag zijn met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Daarbij is sprake van een limitatief/imperatief stelsel: als de aangevraagde activiteit niet in strijd is met deze weigeringsgronden, dan moet de vergunning verleend worden. In dat geval is dus sprake van een gebonden beschikking.
Het geschil
9. Deze zaak gaat over de vraag of de omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuwe bedrijfshal op het perceel in stand kan blijven.
10. Het college stelt dat het bouwplan aan de in het omgevingsplan gestelde regels voldoet, zodat sprake is van een gebonden beschikking. Omdat sprake is van een gebonden beschikking, is het college gehouden om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen en is er geen ruimte voor het maken van een belangenafweging.
11. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het bestreden besluit in stand kan blijven.
De feitelijke bestaande situatie en het Woo-verzoek
12. Eiser heeft een aantal beroepsgronden aangevoerd die zien op de feitelijke bestaande situatie op het perceel. Die gronden gaan over de huidige bebouwing, bewoning van een tweede woning en over bestaande bouwwerken die zonder vergunning zouden zijn gebouwd. Eiser stelt dat hij in dit kader een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) bij het college heeft ingediend, maar dat de stukken nog niet openbaar zijn gemaakt. Volgens eiser had het college op grond van artikel 3:2 van de Awb moeten onderzoeken in hoeverre de door vergunninghouder in de aanvraag opgegeven bestaande bebouwing, ook daadwerkelijk legaal is.
13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze beroepsgronden niet in deze zaak kunnen worden betrokken. Het gaat in deze zaak immers om een nieuwe situatie waarbij het college moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend, dus het bouwen van een nieuwe bedrijfshal. Daarbij ligt enkel de vraag voor of die nieuwe situatie al dan niet voldoet aan de beoordelingsregels voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwen. De voorzieningenrechter kan dus geen oordeel geven over de feitelijk bestaande situatie, maar kan alleen de rechtmatigheid beoordelen van de verleende omgevingsvergunning zoals die is aangevraagd door vergunninghouder. Om die reden ziet de voorzieningenrechter ook niet in hoe de stukken die eiser met het Woo-verzoek bij het college heeft opgevraagd, in deze zaak kunnen bijdragen aan het rechtmatigheidsoordeel over de verleende omgevingsvergunning. Eiser heeft dit ook niet concreet gemaakt. Deze beroepsgronden worden dan ook verder onbesproken gelaten.
Stikstof en archeologie
14. Eiser heeft ook een beroepsgrond aangevoerd over het bij de aanvraag uitgevoerde stikstofonderzoek dat volgens hem niet dekkend is. Verder stelt eiser dat niet wordt voldaan aan de bouwregels in verband met de op het perceel geldende dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 3.
15. De voorzieningenrechter beoordeelt ook deze gronden niet inhoudelijk. De redenen daarvoor zijn als volgt. In de Wet natuurbescherming (Wnb) en de daarop gebaseerde regelgeving staan regels om het behoud van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden te beschermen (gebiedsbescherming). Die natuurwaarden kunnen geraakt worden door de uitstoot van stikstof. De Wnb beschermt daarmee algemene en niet individuele belangen. Soms kan het echter toch zo zijn dat de Wnb met de gebiedsbescherming ook bescherming geeft aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van iemands directe woon-, leef- en bedrijfsomgeving. Dat is het geval als dat belang verweven is met het algemene belang dat wordt beschermd door de regels van de Wnb. Voor de vraag of dat zo is wordt gekeken naar de afstand tussen iemands woning of bedrijfsgebouw en het natuurgebied. Als geen sprake is van verwevenheid stuit de beroepsgrond af op het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb. Dat relativiteitsvereiste houdt in dat de norm waar een beroep op wordt gedaan moet strekken tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
16. De bouwlocatie voor de nieuwe bedrijfshal ligt op ongeveer 3 km afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, het Lingegebied & Diefdijk Zuid, zo blijkt uit de notitie van [deskundige] van 12 februari 2025 die in het dossier zit. Eisers perceel ligt op vergelijkbare afstand. Deze afstand is naar het oordeel van de voorzieningenrechter te groot om verwevenheid aan te nemen tussen de belangen van eiser en het algemene belang van gebiedsbescherming. Het beroep dat eiser doet op de materiële norm uit de Wnb strekt dan ook niet tot bescherming van zijn belangen. Dit betekent dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit vanwege deze beroepsgrond.
17. Dit geldt ook voor de beroepsgrond over de archeologische bestemming. De normen in het Paraplubestemmingsplan waar eiser zich op beroept strekken tot bescherming en veiligstelling van de in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden. Dit is een algemeen belang. Die normen strekken niet tot bescherming van de belangen van eiser. Voor hem gaat het immers om de ruimtelijke effecten van (het gebruik van) de bebouwing op het naastgelegen perceel, niet om de eventuele aantasting van mogelijk archeologische waarden.
Strijd met gebruiksregels?
18. Eiser stelt dat het bouwplan in strijd is met de gebruiksregels van het bestemmingsplan. Daartoe voert eiser allereerst aan dat de timmerwerkplaats mede publiekgericht is en dat dat in strijd is met artikel 19.4.1, onder c, van het bestemmingsplan. In dat kader stelt eiser dat de showroom voor consumenten is te bezoeken en verwijst hiervoor naar de informatie op de website van vergunninghouder en naar een krantenartikel.
19. Volgens het college en vergunninghouder is er geen sprake van strijdig gebruik. Het produceren van kozijnen maakt volgens het college niet dat dit een publieksgerichte activiteit zou zijn in strijd met het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter kan dit standpunt volgen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat blijkens artikel 19.4.1, onder c, van het bestemmingsplan slechts sprake is van strijdig gebruik als het gaat om opstallen “voor een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis”. Van een bedrijf of beroep aan huis is hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Vergunninghouder maakt immers kozijnen en deuren van aangeleverde kunststof profielen in een daarvoor op te richten bedrijfshal. Bovendien moet volgens de in het bestemmingsplan opgenomen definitie van een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit sprake zijn van activiteiten die in hoofdzaak publieksaantrekkend zijn en waarvan de omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteiten passen binnen de desbetreffende woonomgeving en derhalve in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden toegestaan.Dat consumenten de showroom kunnen bezoeken, betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat de activiteiten van vergunninghouder in hoofdzaak publieksaantrekkend zijn. Er is dan ook geen sprake van een publieksgerichte bedrijfsactiviteit als bedoeld in de genoemde definitiebepaling. De beroepsgrond slaagt niet.
20. Verder voert eiser aan dat het omzetten van een voormalig agrarisch bedrijf naar een timmerwerkplaats in strijd is met artikel 19.7.3 van het bestemmingsplan. Daarnaast is er volgens eiser geen sprake van een timmerwerkplaats, maar gaat het om een fabriek voor kunststof kozijnen. Er is geen sprake van houtbewerking. Volgens eiser betreft het hier een ‘assemblage van kunststofmaterialen’ en dat is een bedrijf met milieucategorie 3.1. Een dergelijk bedrijf past volgens eiser niet op de locatie, omdat de planwetgever dat niet heeft bedoeld. Eiser verwijst hiervoor naar de plantoelichting. De functieaanduiding ‘timmerwerkplaats’ is volgens eiser geen bestemming, maar een overgangsrechtelijke bepaling. Het bouwplan betreft volgens eiser - ten opzichte van een eventuele vroegere timmerwerkplaats - een nieuwe vestiging in een stiltegebied van een bedrijf dat qua aard, uitstraling, omvang en overlast thuishoort op een bedrijventerrein en niet op het perceel.
21. De voorzieningenrechter volgt eiser hierin niet. Artikel 19.7.3 van het bestemmingsplan betreft een bevoegdheid van het college om de bestemming ‘specifieke vorm van wonen- voormalig agrarisch bedrijf’ onder voorwaarden te wijzigen naar de bestemming ‘Bedrijf’. Daar gaat het in deze zaak niet over. Zoals het college terecht heeft gesteld is het perceel in het bestemmingsplan onder andere als timmerwerkplaats bestemd. De ruimtelijke aanvaardbaarheid van deze omzetting is dus al beoordeeld en ruimtelijk aanvaardbaar geacht bij de vaststelling van het bestemmingsplan dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.
22. Verder kan de voorzieningenrechter het standpunt van het college en vergunninghouder volgen dat er geen sprake is van een fabriek dan wel een bedrijf, anders dan een timmerwerkplaats. Volgens het college is er sprake van een werkplaats waar met de aangevoerde materialen kunststof kozijnen van worden vervaardigd. Voorheen waren die van hout en later is de overgang gemaakt naar kunststof kozijnen. Het gebruik is en was het maken van kozijnen. Dit gebruik is niet gewijzigd, alleen het materiaal is gewijzigd. Ook de indeling in de milieucategorie blijft volgens het college ongewijzigd. Uit navraag door het college bij de Omgevingsdienst regio Utrecht is gebleken dat het vervaardigen van houten kozijnen onder milieucategorie 3.2 valt en het vervaardigen van kunststofkozijnen onder milieucategorie 3.1. Van een vanuit milieuoogpunt meer belastende activiteit is dus geen sprake. Op de zitting heeft vergunninghouder verder toegelicht dat het een kleinschalige werkplaats betreft met drie werknemers en een werknemer die de administratie doet. Er is volgens vergunninghouder geen sprake van fabricage van materialen. De aangeleverde materialen worden volgens vergunninghouder door de werknemers op werkbanken met handgereedschap op maat gemaakt. In wat eiser aanvoert, ziet de voorzieningenrechter geen reden om deze toelichting van het college en vergunninghouder niet te volgen. Dat op de website van vergunninghouder gesproken wordt van een fabriek, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om het bedrijf van vergunninghouder niet als een timmerwerkplaats aan te merken.
23. Daarnaast stelt eiser dat op het perceel ook het bouwbedrijf [derde belanghebbende] B.V. is gevestigd. Volgens eiser betekent dit dat het bouwplan eigenlijk ook ten behoeve van dit bouwbedrijf wordt gebruikt. Deze functie past volgens eiser niet in het bestemmingsplan.
24. Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beoordeling van de verleende vergunning is de aanvraag leidend. Eventueel gebruik van de bedrijfshal door bouwbedrijf [derde belanghebbende] B.V. voor andere activiteiten dan aangevraagd, maakt geen onderdeel uit van de aanvraag die hier voorligt. De voorzieningenrechter kan hier dus geen oordeel over geven. Als het gebruik van de bedrijfshal in de praktijk afwijkt van wat is aangevraagd en vergund, kan eiser bij het college een verzoek om handhaving indienen. Daar ziet deze beroepsprocedure echter niet op.
Strijd met specifieke functieaanduiding timmerwerkplaats en caravanstalling?
25. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat sprake is van strijd met de specifieke functieaanduiding voor het perceel uit artikel 19.1.2, onder d, van het bestemmingsplan. Daarin is bepaald dat op het perceel uitsluitend de niet-woonfuncties timmerwerkplaats met een maximale vloeroppervlakte van 500 m2 en caravanstalling met een maximale vloeroppervlakte van 800 m2 zijn toegestaan.
26. Eiser voert in dat verband allereerst aan dat op het perceel al jaren geen sprake meer is van een caravanstalling. Volgens eiser lijkt het er meer op dat de status van caravanstalling in beeld wordt gehouden om de vierkante meters te kunnen gebruiken voor de timmerwerkplaats.
27. Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwwerk moet ervan worden uitgegaan dat het bouwwerk zal worden gebruikt op de wijze zoals is omschreven in de aanvraag, tenzij redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden. Uit de tekening bij de aanvraag volgt dat het bouwplan onder meer voorziet in een gebruik van de bedrijfshal als ‘caravanstalling/opslag’ met een oppervlakte van 601,48 m². Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is uit de aanvraag en wat zowel in bezwaar als in beroep door vergunninghouder naar voren is gebracht, niet af te leiden dat het bouwwerk voor andere doeleinden zal worden gebruikt dan (opslag ten behoeve van) een caravanstalling. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat op het perceel een caravanstalling (tot een maximale oppervlakte van 800 m2) mag plaatsvinden, maar dat niet verplicht is dat het desbetreffende deel van de bedrijfshal ook daadwerkelijk volledig wordt gebruikt. Als later echter blijkt dat het desbetreffende deel van de bedrijfshal voor andere doeleinden wordt gebruikt dan als (opslag ten behoeve van een) caravanstalling, dan kan eiser het college verzoeken om daartegen handhavend op te treden. Daar ziet deze beroepsprocedure echter niet op.
28. Eiser voert verder aan dat de in de aanvraag opgegeven oppervlakte voor de timmerwerkplaats van 488,01 m² onjuist is. Daarbij verwijst eiser naar de meetwijze zoals neergelegd in artikel 2.6 van het bestemmingsplan, waaruit volgens eiser volgt dat er tussen de buitenwerkse gevelvlakken moet worden gemeten. Als deze meetwijze wordt gehanteerd, komt volgens eiser de aangevraagde oppervlakte van de timmerwerkplaats hoger uit dan de maximaal toegestane oppervlakte van 500 m².
29. Tijdens de zitting hebben het college en vergunninghouder toegelicht dat de buitenwerkse meetwijze als bedoeld in artikel 2.6 van het bestemmingsplan niet van toepassing is, omdat het hier niet gaat om de oppervlakte van het bouwwerk maar om de vloeroppervlakte. Artikel 2.8 van het bestemmingsplan beschrijft de meetwijze voor de vloeroppervlakte. De vloeroppervlakte betreft de gezamenlijke oppervlakte, gemeten op vloerniveau, die voor een functie wordt gebruikt. Voor zover inpandig, wordt de oppervlakte gemeten tussen de binnenwerkse gevelvlakken en de binnenzijde van bouwmuren. Deze meetwijze wijkt af van de buitenwerkse meetwijze voor de oppervlakte van bouwwerken. De voorzieningenrechter volgt deze toelichting. Voor zover eiser stelt dat het onduidelijk is welke meetwijze is gehanteerd bij de in de aanvraag vermelde oppervlaktematen, is deze stelling onvoldoende concreet onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet geen reden voor het oordeel dat bij de opgegeven oppervlaktematen niet is uitgegaan van de meetwijze voor de vloeroppervlakte.
30. Eiser wijst er verder op dat uit de aanvraag volgt dat 166,75 m² van de bedrijfshal zal worden gebruikt voor ‘opslag’ ten behoeve van de timmerwerkplaats. Daarmee krijgt de timmerwerkplaats inclusief de opslag dus een totale oppervlakte van 654,76 m² (488 m² + 166,75 m²) en dat is dus meer dan de toegestane 500 m².
31. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de bij de aanvraag behorende tekening volgt dat de nieuwe bedrijfshal - naast de eerdergenoemde 601,48 m² voor ‘caravanstalling/opslag’ - bestaat uit een deel ‘timmerwerkplaats’ met een vloeroppervlakte van 488,01 m² en een deel ‘opslag’ met een vloeroppervlakte van 166,75 m². Tussen partijen is niet in geschil dat het deel ‘opslag’ zal worden gebruikt ten behoeve van de timmerwerkplaats. Het college en vergunninghouder stellen zich echter op het standpunt dat de opslag een nevenfunctie is als bedoeld in artikel 19.1.1, onder b, van het bestemmingsplan en dat voor een dergelijke nevenfunctie geen maximum vloeroppervlakte geldt, zolang de opslag ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend ondergeschikt is aan de timmerwerkplaats. Daarvan is volgens het college en vergunninghouder sprake, gezien de verhouding in oppervlakte tussen de timmerwerkplaats en de opslag. Dit betekent volgens het college en vergunninghouder dat de opslag van 166,75 m² niet ten koste gaat van de maximaal toegestane 500 m² maar daar bovenop is toegestaan.
32. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vindt dit standpunt geen steun in de tekst en systematiek van artikel 19.1.2, onder d, van het bestemmingsplan. In dit artikel is voor het perceel bepaald dat onder meer een timmerwerkplaats is toegestaan tot een maximale vloeroppervlakte van 500 m² zonder afzonderlijke vermelding van opslag. Op andere locaties wordt in hetzelfde artikel opslag wel expliciet naast de op die locaties toegestane functies genoemd. Het ontbreken van een dergelijke aanduiding voor het perceel betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het maximum van 500 m² het totale oppervlak van de timmerwerkplaats inclusief eventuele opslag ten behoeve van de timmerwerkplaats betreft. Bovendien zou de uitleg van het college en vergunninghouder tot het ongerijmde resultaat leiden dat de specifiek bepaalde oppervlakte in de functieaanduiding aanzienlijk zou kunnen worden vergroot, zolang het oppervlakte van de opslag ten behoeve van de timmerwerkplaats (en de caravanstalling) maar ondergeschikt is aan de in de functieaanduiding genoemde oppervlaktes. Voor een dergelijke uitleg ziet de voorzieningenrechter in de tekst en systematiek van het bestemmingsplan geen aanknopingspunten. Daarmee overschrijdt de timmerwerkplaats inclusief de opslag het toegestane maximum van 500 m². Op basis van de aanvraag wordt dus meer dan de toegestane 500 m² als timmerwerkplaats gebruikt.
33. Dat betekent dat het bouwplan zoals aangevraagd in strijd is met artikel 19.1.2, onder d, van het bestemmingsplan. Het college heeft dus ten onrechte beslist dat het bouwplan niet in strijd is met de regels uit het omgevingsplan en voldoet aan de beoordelingsregels voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwwerken. De beroepsgrond slaagt.
Overschrijding van de maximale inhoud?
34. Eiser voert verder aan dat een bouwwerk inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen op grond van artikel 19.2.3 van het bestemmingsplan maximaal 650 m³ mag bedragen. Dit wordt volgens eiser ruimschoots overschreden. Dit betekent volgens eiser dat er een toets had moeten plaatsvinden van de legaal aanwezige inhoud van de bebouwing op het moment van het vaststellen van het bestemmingsplan, dus op 30 september 2010. Dit heeft het college ten onrechte niet gedaan.
35. Deze beroepsgrond slaagt niet. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college dat de bouwregels over de maximale toegestane inhoud zoals neergelegd in artikel 19.2.3 van het bestemmingsplan uitsluitend betrekking hebben op woningen. Deze bouwregels zijn niet van toepassing op de timmerwerkplaats en caravanstalling die op grond van een specifieke aanduiding naast de woonbestemming op het perceel is toegestaan. Voor die niet-woonfuncties is in artikel 19.1.2, onder d, van het bestemmingsplan een nadere detaillering gegeven, waarbij niet wordt aangesloten bij een maximale inhoud maar bij een maximale vloeroppervlakte. Dat de bouwregels van artikel 19.2.3 volgens eiser cumulatief gelden en dus ook voor de timmerwerkplaats en caravanstalling, volgt de voorzieningenrechter dus niet. Voor de timmerwerkplaats en caravanstalling geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter een zelfstandige locatiegebonden regeling die voorgaat op de algemene bouwregels.
Conclusie en gevolgen
36. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat het college ten onrechte de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwen heeft verleend. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om het college met een tussenuitspraak in de gelegenheid te stellen om het gebrek te herstellen. Er moet namelijk een volledige heroverweging van het bestreden besluit plaatsvinden, waarbij onder meer kan worden betrokken of de vergunning mogelijk kan worden verleend op basis van de beoordelingsregels die gelden voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of dat de aanvraag moet worden aangepast. De voorzieningenrechter draagt het college daarom op om een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter geeft het college hiervoor zes weken.
37. In afwachting daarvan ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen en de omgevingsvergunning te schorsen. Daarbij wordt voorop gesteld dat niet valt uit te sluiten dat het gebrek zich leent voor herstel in het nieuw te nemen besluit op bezwaar. Verder is van belang dat de nieuwe bedrijfshal binnen het bouwvlak wordt gebouwd en dat het gebouw op zichzelf is toegestaan op grond van het bestemmingsplan. Ook de omvang van de bedrijfshal past in het bestemmingsplan. Het bouwwerk is als zodanig dus niet in strijd is met het bestemmingsplan. De strijdigheid ziet enkel op het deel van het voorgenomen gebruik van de timmerwerkplaats dat de maximale toegestane vloeroppervlakte van 500 m² overschrijdt. Van een dergelijk gebruik is met alleen het bouwen van de bedrijfshal nog geen sprake. Daar staat tegenover dat vergunninghouder onweersproken heeft gesteld dat zij een aanzienlijk belang heeft om in ieder geval de bouw doorgang te laten plaatsvinden, gelet op de kosten die de aannemer en onderaannemers aan vergunninghouder zullen doorberekenen wegens een gat in hun planning als de bouwwerkzaamheden nu zouden moeten worden gestaakt. Bij deze stand van zaken legt het belang van eiser bij het treffen van een voorlopige voorziening onvoldoende gewicht in de schaal. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
38. De beroepsgrond over de gestelde overlast, zal de voorzieningenrechter nu niet bespreken. In hoeverre deze grond nog relevant is, zal namelijk afhangen van de inhoud van het nieuwe besluit.
39. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. De voorzieningenrechter ziet ook aanleiding om het college op te dragen het griffierecht dat eiser voor het verzoek om voorlopige voorziening heeft betaald aan eiser te vergoeden. Eiser krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep van eiseres [eiseres 2] niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiser [eiser 1] gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 388,- (2 x € 194,-) aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Op grond van artikel 7:1, eerste lid, en artikel 6:13 van de Awb.
Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.
Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Zie artikel 22.2, eerste lid van de Omgevingswet.
Deze gronden zijn in het aanvullend beroepschrift van 17 november 2025 weergegeven onder de punten 7 t/m 12.
Weergegeven onder punt 13 t/m 15 van het aanvullend beroepschrift van 17 november 2025.
Weergegeven onder punt 38 van het aanvullend beroepschrift van 17 november 2025.
Zoals neergelegd in artikel 7.2 van het Paraplubestemmingsplan Archeologie Vijfheerenlanden (het Paraplubestemmingsplan) en weergegeven onder punten 41 t/m 47 van het aanvullend beroepschrift van 9 december 2025.
Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 10.53 e.v.
Zie r.o. 10.74 e.v. van de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706.
Zie artikel 1.76 van het bestemmingsplan.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:761, r.o. 4.1.
Zoals blijkt uit artikel 19.1.2, onder d, van het bestemmingsplan.
Zoals blijkt uit definitiebepaling van een nevenactiviteit in artikel 1.66 van het bestemmingsplan.
Als bedoeld in artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl in samenhang met artikel 22.29 van het omgevingsplan.
Artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|