|
|
|
| ECLI:NL:RBMNE:2026:1442 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 10-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Midden-Nederland | | Zaaknummers | : | UTR 25/1621 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Tussenuitspraak. WIA. De arbeidskundige beoordeling is gebrekkig gemotiveerd. Het Uwv krijgt de mogelijkheid om het gebrek te herstellen. | | Trefwoorden | : | tuinbouw | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1621 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. G.J.A.M. Gloudi),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. E.F. de Roy van Zuydewijn).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van het Uwv waarin het arbeidsongeschiktheidspercentage per 26 mei 2024 is vastgesteld op 60,34%. Eiser is het hier niet mee eens en voert aan dat hij meer beperkt is dan aangenomen en dat de geduide functies niet passend zijn. Het Uwv blijft bij het bestreden besluit.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
1.1.
Eiser was voorheen werkzaam als procesoperator voor gemiddeld 40 uur per week. Hij is vanwege fysieke en mentale klachten uitgevallen voor dit werk op 29 mei 2022. Na het doorlopen van de wachttijd heeft eiser op 7 februari 2024 eiser een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Met het besluit van 26 juni 2024 heeft het Uwv aan eiser een WIA-uitkering op voorschotbasis toegekend.
1.2.
Met het primaire besluit van 19 september 2024 heeft het Uwv aan eiser een
WIA-uitkering toegekend vanaf 26 mei 2024, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld op 100% omdat er geen functies geduid konden worden. (Ex-)werkgever heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
1.3.
Met de beslissing op het bezwaar van 19 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van (ex-)werkgever gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage per 26 mei 2024 vastgesteld op 60,34%.
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 27 juni 2025 aanvullende gronden ingediend. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en op 12 november 2025 een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 28 november 2025. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Beoordelingskader
2. Bij het beoordelen van de zaak stelt de rechtbank voorop dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal eisen voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de rapporten die over hem zijn opgesteld niet aan deze eisen voldoen. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig. Dit brengt mee dat de manier waarop eiser zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is.
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
3. Eiser heeft aangevoerd dat hij in bezwaar niet is gezien door een verzekeringsarts. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiser zo dat volgens hem sprake is van een onzorgvuldig onderzoek.
3.1.
Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek volgt het uitgangspunt dat in de bezwaarfase een spreekuurcontact met de verzekeringsarts bezwaar en beroep moet hebben plaatsgevonden, als een betrokkene in de primaire fase niet is onderzocht door een verzekeringsarts. Dat is in beginsel alleen anders als de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende kan motiveren dat in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie, een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser in de primaire fase tijdens een fysiek spreekuur lichamelijk en psychisch is onderzocht door de primaire verzekeringsarts. Gelet op de hiervoor beschreven rechtspraak van de CRvB was het voor de zorgvuldigheid van het onderzoek daarom niet vereist dat eiser ook in de bezwaarfase door een verzekeringsarts bezwaar en beroep werd gezien. Bovendien heeft (ex-)werkgever bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en enkel gronden aangevoerd tegen de arbeidskundige beoordeling, waardoor ook geen aanleiding bestond om een verzekeringsarts bezwaar en beroep in te schakelen.
3.3.
De rechtbank stelt verder vast dat eiser op 17 oktober 2025 alsnog is gezien door een verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van het door hem ingestelde beroep waarbij ook de medische grondslag door eiser wordt betwist. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiser lichamelijk en psychisch onderzocht en de medische informatie zichtbaar bij de beoordeling betrokken. De beroepsgrond dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd, slaagt gelet op wat hiervoor is overwogen niet.
De inhoudelijke medische beoordeling
4. Eiser is van mening dat hij volledig arbeidsongeschikt is, althans verdergaand beperkt is dan aangenomen. Volgens eiser is namelijk onvoldoende rekening gehouden met zijn klachten ten aanzien van zijn voeten en handen (het sluiten van de handen). Verder voert eiser aan dat de verslechtering van zijn psychische gesteldheid al speelde ten tijde van de beoordelingsdatum. Dat de suïcidepogingen later waren, maakt dat niet anders.
4.1.
De primaire arts heeft in het rapport van 10 september 2025 toegelicht dat vanwege eisers beperkingen in hand- en vingergebruik er beperkingen worden aangenomen ten aanzien van knijpkracht van beide handen, in het met enige kracht manipuleren van bolvormige objecten en langer dan vijftien minuten schrijven met een pen of potlood (pengreep). Verder heeft de primaire arts uit preventieve overwegingen eiser beperkt in de duur waarin hij achtereen en verdeeld over de dag een toetsenbord of muis moet bedienen. Daarnaast heeft de primaire arts aanleiding gezien om beperkingen aan te nemen ten aanzien van schroef- en wringbewegingen met beide armen en handen, en in de frequentie waarmee hij met beide armen moet kunnen reiken tijdens het werk, duwen of trekken, tillen en dragen. Ook ten aanzien van klimmen is een beperking aangenomen, omdat eiser beperkt is in het vasthouden van de sporten van een ladder. Voor de handen en armen heeft de primaire arts tot slot nog beperkingen aangenomen ten aanzien van het dragen van zware beschermende middelen rond zijn handen en dienen de armen en handen niet blootgesteld te worden aan zware trillingen, stoten en schokken.
4.2.
Over de psychische klachten heeft de primaire arts toegelicht dat specifieke voorwaarden van toepassing zijn voor het persoonlijk functioneren in arbeid. Eiser is namelijk aangewezen op werkzaamheden zonder veelvoudige deadlines en productiepieken waarbij er geen sprake is van een hoog handelingstempo in zowel mentale als handbelastende taken. Verder heeft de primaire arts beperkingen aangenomen ten aanzien van het uiten van eigen gevoelens, in het omgaan met emoties van anderen, conflicthantering, onderhouden van intensieve contacten met patiënten en hulpbehoevenden en leidinggevende taken. Eiser wordt wel geschikt geacht ten aanzien van kortdurende en/of oppervlakkige contacten. De primaire arts motiveert ten aanzien van beroepsmatig vervoer dat eiser gebruik kan maken van een auto of ander gemotoriseerd voertuig met automatische transmissie en dat daarom hiervoor geen beperking wordt aangenomen. Er wordt wel een toelichting opgenomen dat vanuit veiligheidsoverwegingen eiser niet geschikt is om een tweewielig voertuig te besturen. Om preventieve redenen heeft de primaire arts een urenbeperking van 8 uur per dag en 40 uur per week aangenomen en eiser beperkt geacht ten aanzien van ’s avonds laat en ‘s nachts werken.
4.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep verwijst in zijn rapport van 10 november 2025 ten aanzien van de fysieke beperkingen naar het rapport van de primaire verzekeringsarts en licht toe dat in de informatie van de neuroloog geen aanleiding wordt gezien om aanvullende beperkingen aan te nemen. Over de psychische gesteldheid heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gerapporteerd dat de verslechtering is opgetreden na de datum in geding, zoals blijkt uit de ontslagbrief van GGZ Keizergracht, en daarom bij deze beoordeling buiten beschouwing blijft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep blijft gelet hierop bij de door de primaire arts aangenomen beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren.
4.4.
De rechtbank kan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep goed volgen. Er is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom de vastgestelde beperkingen passend zijn voor eiser. Dat eiser het niet eens is met de vastgestelde beperkingen, kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. Het is juist de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts om op basis van medisch objectiveerbare klachten beperkingen vast te stellen. Hoe eiser zelf zijn klachten en belastbaarheid ervaart, is bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid niet doorslaggevend. De beroepsgrond slaagt niet.
De arbeidskundige beoordeling
5. Eiser voert ten aanzien van de geduide functies aan dat deze te belastend zijn voor zijn voeten en handen.
5.1.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de functies ‘Lader, losser’, ‘Medewerker tuinbouw (planten, bloemen, vruchten)’ en ‘Bezorger pakketten (auto)’ geselecteerd. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft gesteld aanleiding om aan de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te twijfelen dat de functies ‘Lader, losser’ en ‘Bezorger pakketten (auto)’ geschikt zijn voor eiser.
5.2.
Bij de functie ‘Lader, losser’ heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd dat ten aanzien van de beperking ‘pengreep’ het bij diverse taken voorkomt, maar dat vanwege het niet langdurig aaneengesloten en vanwege voldoende afwisseling het geen overschrijding van de belastbaarheid oplevert. Ook blijft het binnen de belastbaarheid ten aanzien van knijp- en grijpkracht, omdat er niet meer dan 3 kg getild hoeft te worden en eiser beperkt is voor gewichten boven de 5 kg.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt met deze functie voorbijgegaan aan het feit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gerapporteerd dat knijpen en grijpen pijnklachten provoceren. Ondanks dat er geen sprake is van langdurig aaneengesloten werk en voldoende afwisseling, is het de rechtbank niet, althans niet zonder nadere motivering, gebleken dat dit niet de belastbaarheid van eiser zal overschrijden als pijnklachten worden geprovoceerd.
5.4.
Bij de functie ‘Bezorger pakketten (auto)’ is sprake van in een handgeschakelde auto bezorgen. Hiervoor is eiser gelet op zijn handbeperkingen niet geschikt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep stelt echter dat dit opgelost kan worden met relatief eenvoudige auto-aanpassingen.
5.5.
De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van de CRvB volgt dat een voorziening of hulpmiddel alleen bij de beoordeling van de maatgevende arbeid kan worden betrokken als deze voorziening al beschikbaar is in de maatgevende arbeid op het moment van intreden van de arbeidsongeschiktheid. Het moet gaan om een voorziening die feitelijk beschikbaar is bij de werkgever. Het is niet voldoende dat het gaat om een voorziening die in redelijkheid van een werkgever kan worden gevergd. Uit de functieomschrijving volgt dat het expliciet gaat om handgeschakelde auto’s. Dat betekent dat arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd dat deze functie geschikt is voor eiser, omdat het zijn belastbaarheid ten aanzien van de toelichting bij beroepsmatig vervoer overschrijdt.
Het verdere verloop van de procedure
6. Omdat een deugdelijke motivering ontbreekt waarom de functies ‘Lader, losser’ en ‘Bezorger pakketten (auto)’ geschikt zijn voor eiser, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6.1.
Het Uwv kan dit gebrek herstellen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het Uwv met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, in de gelegenheid te stellen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. Dat herstellen kan het Uwv met een aanvullende motivering doen, maar dat kan ook met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het Uwv een nieuwe arbeidskundige beoordeling verrichten waarbij inzichtelijk wordt gemaakt waarom de functies ‘Lader, losser’ en ‘Bezorger pakketten (auto)’ geschikt zijn voor eiser. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het Uwv het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
6.2.
Het Uwv moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het Uwv gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het Uwv. In beginsel, ook in de situatie dat het Uwv de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
6.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank
- draagt het Uwv op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het Uwv in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1838, r.o. 4.2. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|