Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBMNE:2026:3232 
 
Datum uitspraak:08-06-2026
Datum gepubliceerd:01-07-2026
Instantie:Rechtbank Midden-Nederland
Zaaknummers:UTR 23/4391
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Einduitspraak in een woo-verzoek. De minister heeft met het herstelbesluit het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek (nog steeds) niet hersteld. Dat betekent dat het beroep tegen dat besluit gegrond is. Het herstelbesluit moet worden vernietigd. De minister heeft met de niet ingevulde zoekformulieren namelijk geen inzicht verschaft in hoe de zoekslag daadwerkelijk is uitgevoerd. Dat er veel documenten zijn gevonden is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat de zoekslag volledig en naar behoren heeft plaatsgevonden. De minister zal de ingevulde zoekformulieren alsnog geanonimiseerd over moeten leggen. Daarnaast heeft de minister het verzoek van eiser te beperkt opgevat. De motivering van de minister dat het gaat om documenten die buiten de reikwijdte vallen, vindt de rechtbank zonder nadere motivering niet begrijpelijk. De minister heeft de documenten niet juist beoordeeld en de weigering tot openbaarmaking berust niet op een deugdelijke motivering. Omdat de procedure al geruime tijd loopt en eiser niet langer mag wachten ziet de rechtbank aanleiding om de minister een dwangsom op te leggen. Daarnaast krijgt eiser een schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn, een proceskostenvergoeding en krijgt hij het griffierecht terug.
Trefwoorden:landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
 
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4391

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. O.S. Pluimer),

en



De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de minister
(gemachtigde: mr. S. van der Waal).




Inleiding

1. Deze einduitspraak gaat over het verzoek dat eiser op 19 januari 2021 heeft ingediend bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Hierbij heeft hij onder meer verzocht om alle relevante correspondentie tussen de autoriteiten van Tsjechië, te weten de “Ustav pro hospodáiskou upravu lesti" (UHUL), en de NVWA over hout dat in strijd met de EUTR op de Europese markt is gebracht, zoals genoemd in de brief van de NVWA met referentienummer 2020/5876 openbaar te maken.

2. Nadat de rechtbank een eerder beroep van eiser over dit verzoek gegrond heeft verklaard , heeft de minister op 27 juli 2023 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit). Hierbij is het bezwaar van eiser gegrond verklaard en zijn er elf documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Eiser is tegen dit besluit in beroep gegaan omdat de minister de zoekslag onvoldoende heeft gemotiveerd en er meer documenten zouden moeten zijn. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

3. De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2025 op een zitting behandeld. Het onderzoek op zitting is geschorst om de minister de gelegenheid te geven de zoekslag nader toe te lichten, waarbij partijen ook is gevraagd om met elkaar in gesprek te gaan om tot een oplossing van het geschil te komen. De minister heeft de zoekslag nader toegelicht en eiser heeft op deze toelichting gereageerd. Omdat partijen er niet gezamenlijk uit zijn gekomen, is verzocht om een nadere zitting. Deze zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2025, waaraan eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister hebben deelgenomen.

4. In de tussenuitspraak van 2 oktober 2025 heeft de rechtbank de minister opnieuw in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, een nieuwe zoekslag te verrichten om de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

5. Op 24 november 2025 heeft de minister de rechtbank verzocht om een nadere termijn van zes weken om de geconstateerde gebreken te herstellen. De rechtbank heeft in reactie daarop de minister een termijn van drie weken gegeven.

6. De minister heeft op 22 december 2025 in reactie op de tussenuitspraak een nieuw besluit (herstelbesluit) genomen. Hierin is toegelicht dat er een nieuwe zoekslag is verricht en dat er daarbij 260 documenten zijn gevonden. Van deze documenten bleken er 221 documenten niet te gaan over hout dat in overtreding met de houtverordening op de Europese markt is gebracht. Daarom zijn er 39 documenten ingebracht in de procedure en deze zullen (deels) openbaar gemaakt worden.

7. Eiser heeft hierop gereageerd en de minister verzocht om, voorafgaand aan een einduitspraak, alsnog de ingevulde zoekformulieren te overleggen. Ook heeft eiser verzocht om nader toe te lichten waarom de zoekslag is uitgezet bij het team Expertise - Natuur & Vis terwijl eerder de zoekslag is gedaan bij een ander team. Ook verzoekt eiser alle data en e-mailextensies in de bij het herstelbesluit geopenbaarde documenten openbaar te maken.

8. De minister heeft op 17 maart 2026 in reactie hierop aangegeven dat de ingevulde zoekformulieren niet overgelegd zullen worden. Verder heeft de minister wel een toelichting gegeven over welke teams zich bezig hebben gehouden met het onderwerp van het Woo-verzoek en toegezegd om de betreffende data en e-mailextensies alsnog openbaar te maken.

9. De rechtbank heeft op 23 maart 2026 besloten dat in deze zaak geen nader onderzoek ter zitting wordt gedaan met toepassing van het bepaalde in artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en partijen medegedeeld dat er een einduitspraak zal worden gedaan.

10. Na sluiting van het onderzoek heeft eiser nog een brief ingebracht waarin is verzocht om vergoeding van de proceskosten en schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.



Overwegingen


De tussenuitspraak


11. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 augustus 2011 en 15 augustus 2012.


11.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de minister geen volledig inzicht heeft gegeven in de zoekslag zoals die blijkens het bestreden besluit zou zijn uitgevoerd. De na het bestreden besluit en nog voor de tussenuitspraak uitgevoerde zoekslag was ook onvoldoende onder meer omdat enkel uitvraag was gedaan bij de inspecteur en niet bij de andere medewerkers van de afdeling die betrokkenheid hebben bij het onderwerp van het Woo-verzoek. Aan de minister is de opdracht gegeven om een nieuwe zoekslag uit te voeren, waarbij een afdoende toelichting wordt gegeven.



11.2.
Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is het beroep tegen het besluit van 27 juli 2023 gegrond. Dat besluit dient te worden vernietigd.


Herstelbesluit


12. De minister heeft bij herstelbesluit van 22 december 2025 uitvoering gegeven aan de tussenuitspraak, waarbij nog 39 documenten (gedeeltelijk) zijn geopenbaard. Eiser heeft in reactie op dit besluit gevraagd om de gebruikte zoekformulieren over te leggen. Het is volgens eiser zonder deze formulieren niet inzichtelijk hoe de zoekslag is uitgevoerd. Eiser verzoekt de rechtbank ook om na te gaan of de ingebrachte passages en documenten die zijn aangemerkt als buiten de reikwijdte van het verzoek vallend, te controleren. Uit het herstelbesluit blijkt volgens eiser verder dat bij de teams ‘Expertise – Natuur & Vis’ en ‘Inspectie – PVEUN (team natuur & dier)' is gezocht naar documenten, terwijl in het bestreden besluit het ‘Team Natuur en Gewasbescherming (van de Divisie Regie & Expertise)’ werd genoemd als afdeling die zich bezighoudt met het onderwerp van het Woo-verzoek. Eiser vraagt hierover duidelijkheid. Eiser voert ook aan dat de minister ten onrechte verschillende data en e-mailextensies heeft weggelakt.

13. De minister stelt zich op het standpunt dat hij niet hoeft te voldoen aan het verzoek van eiser om alle 40 ingevulde zoekformulieren over te leggen. Volgens de minister is het onwerkbaar om al deze 40 formulieren geanonimiseerd aan te leveren, enkel omdat eiser van mening is dat elk formulier afzonderlijk door de rechtbank beoordeeld dient te worden. Uit het zoekformulier blijkt dat er aanwijzingen zijn gegeven aan de collega’s over op welke wijze er gezocht dient te worden. Mede gelet op het feit dat er in totaal 260 documenten zijn aangetroffen, kan worden gesteld dat de zoekslag grondig is verricht. In reactie op de uitgezette zoekslag in het team Natuur & Vis, merkt de minister op dat ten tijde van het bestreden besluit er sprake was van een team ‘Natuur en Gewasbescherming’. Dit team is inmiddels opgesplitst in de teams ‘Natuur & Vis’ en ‘Gewasbescherming’. Beide teams vallen onder de divisie ‘Regie & Expertise’. Het team ‘Natuur & Vis’ ziet toe op het onderwerp waar het Woo-verzoek betrekking op heeft, vandaar dat daar de zoekslag is uitgezet. Ten aanzien van de gelakte data en e-mailextensies heeft de minister toegezegd dat de betreffende data en e-mailextensies alsnog openbaar gemaakt zullen worden.



Oordeel van de rechtbank



Vooraf


14. De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister voldoende heeft uitgelegd waarom - anders dan in het eerdere besluit - de zoekslag is uitgezet bij het team Natuur & Vis. De minister heeft verder ook erkend dat er data en e-mailextensies zijn gelakt die niet gelakt hadden mogen worden. Omdat de minister dit erkent, behoeft dit onderwerp geen inhoudelijke bespreking meer en zullen deze data en e-mailextensies alsnog openbaar gemaakt moeten worden.


Dient de minister de ingevulde zoekformulieren over te leggen?


15. De rechtbank stelt vast dat de minister gebruik heeft gemaakt van zoekformulieren waarin de aanwijzingen die de rechtbank in haar tussenuitspraak heeft gegeven zijn terug te lezen. Het gebruikte zoekformulier biedt evenwel aan de medewerkers de ruimte om de zoekslag naar eigen inzicht uit te voeren en er blijkt niet van een verantwoording hierover. Anders dan de systemen/domeinen en zoektermen te noemen waarin en waarmee gezocht kan worden, bevat het zoekformulier voor de medewerkers geen aanwijzingen. Dit mag, maar deze gekozen werkwijze houdt wel het risico in - zoals eiser ook aangeeft - dat de zoekslag niet volledig en naar behoren wordt uitgevoerd. Het is ook vanwege deze werkwijze, waarin aan de medewerkers de ruimte lijkt te zijn gelaten invulling te geven aan de zoekslag, dat de minister met het niet ingevulde zoekformulier geen inzicht verschaft in hoe de zoekslag daadwerkelijk is uitgevoerd. Dat er veel documenten zijn gevonden is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat de zoekslag volledig en naar behoren heeft plaatsgevonden. Het herstelbesluit berust, gelet op het vorenstaande, op een onvoldoende onderbouwing. Dit betekent dat de minister de ingevulde zoekformulieren alsnog geanonimiseerd dient over te leggen aan de hand waarvan de uitgevoerde zoekslag kan worden beoordeeld. Het is dus terecht dat eiser hierom heeft gevraagd.


Heeft de minister documenten terecht aangemerkt als buiten de reikwijdte van het verzoek?


16. De minister heeft documenten in het geding gebracht die als buiten reikwijdte (br) zijn aangemerkt en om die reden niet openbaar zijn gemaakt, omdat het correspondentie betreft tussen andere partijen dan die in het verzoek staan vermeld en waarom is verzocht, namelijk de Tsjechische autoriteit (UHUL) en de NVWA. De rechtbank heeft per document bekeken of de minister hier goede uitvoering aan heeft gegeven en komt tot de conclusie dat de minister het verzoek van eiser te beperkt heeft opgevat. Veel van de documenten bevatten doorgestuurde mails die bij de UHUL en de NVWA terecht zijn gekomen onder meer door een van de partijen in de cc te plaatsen. Ook dit moet worden opgevat als correspondentie waarop het verzoek betrekking heeft. Omdat het mailverkeer als document onder de NVWA berust, dienen ook de documenten waarin de UHUL wordt genoemd als geadresseerde dan wel als ontvanger (in de cc) te worden aangemerkt als ‘relevante correspondentie’ als bedoeld in het verzoek. Het gaat hier ook om doorgestuurde mails die uiteindelijk bij beide partijen terecht zijn gekomen. Het gaat dan over de volgende documenten: productie 4, 14, 18, 20, 22, 25, 30, 31 en 33.



16.1.
De rechtbank stelt ook vast dat documenten zijn aangemerkt als buiten de reikwijdte waarvan niet duidelijk is dat het om correspondentie gaat en of deze stukken tussen de UHUL en NVWA zijn uitgewisseld. Het gaat om de documenten neergelegd in de producties 10, 23, 26, 36 en 37. Over de documenten neergelegd in de producties 16, 17 en 34 merkt de rechtbank op dat de weggelakte tekst persoonsgegevens, data, namen van bijlagen en onderwerp bevat. De motivering dat het hier gaat om informatie die buiten de reikwijdte valt, vindt de rechtbank zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Verder ontbreekt productie 24 in de geheim gehouden stukken en stukken die wel aan eiser zijn verstrekt. Daarnaast valt de rechtbank op dat in productie 39 correspondentie is neergelegd tussen UHUL en NVWA, terwijl uit de inventarislijst blijkt dat dit document geen tekst bevat.



16.2.
Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de minister de documenten niet juist heeft beoordeeld en dat de weigering tot openbaarmaking niet berust op een deugdelijke motivering.


Conclusies met betrekking tot het herstelbesluit en de gevolgen


17. De minister heeft met het herstelbesluit het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek (nog steeds) niet hersteld. Dat betekent dat het beroep tegen dat besluit gegrond is. Het herstelbesluit moet worden vernietigd.



17.1.
De rechtbank zal de minister opdracht geven om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak, de ingevulde zoekformulieren geanonimiseerd over te leggen. Ook geeft de rechtbank aan de minister de opdracht om binnen twee weken de onder rechtsoverweging 16 en 16.1 genoemde documenten opnieuw te beoordelen. Daarbij geldt dat documenten openbaar gemaakt moeten worden, tenzij één van de uitzonderingsgronden van de Woo van toepassing is. Het gaat dus om een uitzondering op de regel van openbaarmaking. Indien de minister een uitzondering toch aan de orde acht, dan dient de toepassing hiervan te zijn voorzien van een toereikende en deugdelijk motivering.



17.2.
De rechtbank merkt op dat deze procedure al heel lang loopt en dat de minister meerdere mogelijkheden is gegeven om tot een deugdelijk en toereikende motivering van het besluit op het verzoek van eiser te komen. Omdat eiser niet langer mag wachten, ziet de rechtbank aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, zesde lid, van de Awb – zoals eerder ook door eiser is verzocht – en te bepalen dat de minister een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de termijn van twee weken wordt overschreden met een maximum van € 15.000,-.


Toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn


18. Eiser heeft eerst na sluiting van het onderzoek de rechtbank verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens de lange duur van de procedure als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Omdat eiser de lange duur van de procedure voorafgaand aan de sluiting meermaals heeft aangekaart, ziet de rechtbank in deze omstandigheid geen aanleiding om het verzoek van eiser niet te beoordelen.

19. Het is vaste rechtspraak dat als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk niet langer mogen duren dan twee jaar. De termijn voor de bezwaarfase is in principe een half jaar en voor de beroepsfase anderhalf jaar. De termijn vangt in beginsel aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment dat over het geschil is beslist. Of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiser gedurende de hele procesgang en de aard van het bestreden besluit en het daardoor getroffen belang van eiser. Wat betreft de hoogte van de voor de overschrijding toe te kennen schadevergoeding wordt in het algemeen een vergoeding gepast geacht van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

20. De rechtbank kan eiser volgen dat het door hem ingediende verzoek redelijk is. Eiser hanteert de datum van 27 juli 2023 als aanvangsdatum van de redelijke termijn en een langere termijn voor de behandeling van het beroep dan de hiervoor weergegeven anderhalf jaar, te weten twee jaren en komt tot een bedrag van € 1.000,- aan schade. Uitgaande van de hiervoor aangegeven datum en termijn, komt de rechtbank ook uit op een bedrag van
€ 1.000,-. De rechtbank kent deze vergoeding van schade aan eiser toe. De minister heeft meerdere malen de gelegenheid gehad om de geconstateerde gebreken in het besluit te herstellen met als gevolg dat de procedure lang heeft geduurd en dat de redelijke termijn is overschreden. De verzochte schade wordt daarom toegerekend aan de minister. De minister zal dan ook de schadevergoeding moeten betalen aan eiser.


Vergoeding van proceskosten


21. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 4 punten op, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 punten voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het indienen van repliek en schriftelijke zienswijze zowel na de informele als de bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,-, bij een wegingsfactor 1. De rechtbank ziet geen aanleiding om het gewicht van de zaak vast te stellen op de wegingsfactor 2, zoals door eiser is verzocht. Het gewicht van de zaak wordt bepaald door het belang en de ingewikkeldheid van de zaak en deze zijn aan te merken als gemiddeld. Dat de procedure zo lang heeft geduurd, maakt dit niet anders. Toegekend wordt een bedrag van € 3.736,-.


Terugbetaling van griffierecht


22. Ook krijgt eiser het betaalde griffierecht terug. De minister moet deze vergoeding aan eiser betalen.

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en het herstelbesluit;
- draagt de minister op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak de ingevulde zoekformulieren geanonimiseerd over te leggen en een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelt de minister tot betaling van een schadevergoeding aan eiser van € 1.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.736,-;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.


Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:










Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) in plaats getreden van de Wob.


De Tsjechische tegenhanger van de NVWA.


De uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 15 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:6275.


ECLI:NL:RBMNE:2025:7956.


Zie noot 1


ECLI:NL:RVS:2011:BR5704.


ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.


Bijlage bij Besluit proceskosten bestuursrecht A1, onder 3 en 12.
Link naar deze uitspraak